Het weke uurwerk van Ane Riel

. © GF
Lukas De Vos
Lukas De Vos Europakenner

Dit is de minst spannende thriller ooit geschreven, maar met zo’n diepgang en vraagstelling uitgelijnd dat je de vierde misdaadroman van Ane Brahm Lauritsen niet kunt wegleggen. Alleen formele elementen wijzen op een misdaadroman: er sterven mensen, er is een misdaad, ja, maar eigenlijk is dat van geen belang.

Dit is de minst spannende thriller ooit geschreven, maar met zo’n diepgang en vraagstelling uitgelijnd dat je de vierde misdaadroman van Ane Brahm Lauritsen (°Aarhus, 1971), nu getrouwd met jazzdrummer Alex Riel, niet kunt wegleggen. Alleen formele elementen wijzen op een misdaadroman: er sterven mensen, er is een misdaad (is het wel een misdaad?), ja, maar eigenlijk is dat van geen belang.

Uurwerk is een hoogst originele bevraging van de tijd, van het leven, van de werkelijkheid. Geen ‘magisch-realistisch’ werk, zoals Vrij Nederland voorhoudt over Riels tweede misdaadroman Resin (Hars, 2016), maar een diepzinnig wijsgerig onderzoek naar de zingeving van de mens. Ingekleed, op een heldere en uitermate leesbare manier, als in Couperus’ Van Oude Mensen: ‘de dingen die voorbijgaan’.

Die oude mensen zijn Otto en Alma, het verhaal wordt vanuit Alma’s standpunt gebracht. Bijna dwangneurotisch windt zij elke dag de staande Bornholmerklok op volgens de onveranderlijke eisen van Otto: dagelijks op hetzelfde tijdstip, veertien keer de opwindsleutel draaien. Maar Alma is oud en duidelijk alleenstaand, het tellen gaat niet meer. Ze herkent wel een andere verbondenheid: de klok en haar hart. Het ene kon niet tikken zonder het andere. Langzaamaan tekent Riel Alma’s bestaan uit: ze woont, betekenisvol, aan het einde van een doodlopende straat, ze heeft ooit een kind gehad, en ze heeft zichzelf altijd overtuigd van haar liefde voor de twistzieke, verbitterde en toch warme man die Otto was. ‘Hij haatte het als zij het systeem doorbrak. Als ze dingen op de verkeerde plekken neerlegde’. De dwangmatige precisie waarmee Otto hun beider leven bepaalde had alles vandoen met zijn beroep: ambachtelijk horlogemaker van Zwitserse modellen. Daarvoor werd hij hogelijk gewaardeerd in het stadje Gadeby. De klad kwam er in toen goedkope, automatische uurwerken uit Japan op de markt kwamen. Daar kon Otto niet meer tegenop, en dus verhuisde hij naar het stille dorpje Solum, waar hij zich eigenlijk opsloot en met de dag tirannieker en gemelijker werd. Genoeg aan zichzelf en zijn klok, die hij ‘de Vrouw’ noemt.

Dat is de wezenlijke stelling van Riel. Otto heeft zijn vrouw ingeruild voor de tijd. Alma liet haar tijd opdrogen voor haar warme hart. Hoewel ze zichzelf ook isoleert – ze is bovendien doof geworden – legt ze toch een band van vriendschap met een stotterend jongetje met hond Lulu, dat helemaal opbloeit door de stiekeme bezoekjes aan haar huis. Voor Otto had ze alles opgeofferd, haar vriendinnen, haar zussen, haar dochter die allicht dood is. ‘Het was gemakkelijker als zij met z’n tweeën waren. Dat koos ze destijds te geloven. (…) Hoedanook was het te laat om er nog iets aan te doen. Maar toen bracht hij de hond om het leven. Dat veranderde alles. En toen bracht hij haar om het leven. Bijna’. De waarschuwing.

Want Otto leeft in een solipsistische wereld, die langzaam versteent, in ruimte en in tijd. Hij is een hyperrationalist, ‘het is kletspraat dat er meer is tussen hemel en aarde. Er is wat er is. (…) Alles kan worden verklaard’. Net daar botst hij op de feilen van het sciëntisme. Riel bedient zich van twee iconische inzichten, die terug te vinden zijn bij Salvador Dalí en vooral bij Zenoon van Elea. Er bestaan geen vaste verbanden, alleen vooronderstellingen die verbanden mogelijk, of beter denkbaar maken. Alma tast al de starheid van de tijd aan, door af te wijken van Otto’s axioma bij het opwinden van de klok. Tegelijk wil zij de tijd (het geschenkje in de ‘Vrouw’, die zelf alleen kunstmatig leeft door de opwinding, de gewichten en de slinger) toch doorgeven aan de toekomst, aan Thomas. Maar het is nu een manipuleerbare tijd. ‘De tijd is lang voor diegene die wacht’.

Het is de tijd die formeel wordt weergegeven in Dalí’s schilderij Le Persistència de la Memòria (De Duurzaamheid van de Herinnering, beter bekend als De Weke Horloges). Het stamt uit 1931, de relativiteitstheorie van Einstein had alle vaste natuurwetten ontwricht. Het zinnebeeld is duidelijk. De tijd is ‘gesmolten’, hij is betrekkelijk. Dalí hernam het thema in 1954 om te tonen dat alles wat wij waarnemen en formatteren vloeibaar kan worden. La Desintegración de la Persistència de la Memòria is een wanhoopskreet na de ontwikkeling van de atoombom. De weke uurwerken hangen over een dode olijftak die in stukken breekt, over liggende, uiteenvallende blokkendozen (wolkenkrabbers gelijk), over het eigen misvormde gelaat, de vis ligt uit de zee die niet meer dan een zeil boven woestijn is. De grote ontregeling van alle dingen laat alleen de kale bergen ongemoeid, de lucht zelf is vuur geworden. Maar toch is er een onderliggende strakke orde: ze is atomair. Zo vermaalt Riel ook de zin van een mensenleven tot een neutrale verzameling van punten die ruimte en tijd vullen, maar niet noodzakelijk lineair verlopen. De tijd is geen rechte, is buigzaam, laat parallelle werelden toe. Het zal het mysterie dat Alma is wetenschappelijk verklaren.

Net die atomentheorie is terug te vinden bij Zenoon en zijn paradoxen. Want ruimte en tijd zijn een veelheid die opdeelbaar is (Achilleus haalt de schildpad nooit in), en slechts door vooronderstellingen (als die van Einstein) in een verband kunnen gebracht worden. Beide zijn namelijk een ‘continuüm’, een ononderbroken puntverzameling waarvan de uitersten één zijn. Maar duur is rekkelijk, tot in het oneindige toe, en daarop speelt ook de uitkomst van Riels Uurwerk. Het afnemend geheugen en de toenemende verwarring van namen en gebeurtenissen bij Alma laten juist dit spel optimaal toe. Haar ’tijd’ verloopt anders dan die van haar omgeving, wat een zinderend en verbazend slot oplevert.

De afwikkeling van het verhaal is misschien wat weemoedig maar in geen geval mensonterend. Uurwerk is een ode aan de menselijke kracht. Zowel Alma als de jongen slagen erin een uitzichtloos (sociaal) leven te reanimeren, en verwerven hoedanook een positieve hendel: zelfvertrouwen. Voortaan winden ze zichzelf op. Of sluiten hun continuüm. Ze leggen een nieuw punt in de keten.

Er is dus meer tussen hemel en aarde dan efficiency, fataliteit en gedetermineerdheid. Het ongemerkt verleggen van tijdbanen schept nieuwe werelden, nieuwe dimensies, veeltallige continua. Dat Riel erin slaagt om dat alles in een emotioneel onthecht, nooit huilerig portret van radeloosheid en zich vastklampen aan eenvoudige gevoelens uit te tekenen, getuigt van een vrijwel volmaakte stijlbeheersing. Uurwerk behandelt diepmenselijke thema’s die universeel zijn. Wie zich blindstaart op naakt materialisme, onbevraagde rede, ontastbare metafysica of op pure gevoelsmatigheden onderschat het menselijke. Broederschap en naastenliefde, hoe minimaal ook, zijn krachtige remedies. Denemarken heeft met Ane Riel een buitengewone schrijfster voortgebracht. Uurwerk is meer dan een ongewone thriller: het is Grote Kunst.

Ane Riel, Uurwerk. Amsterdam, Prometheus 2022, 239 blz.

Partner Content