De literaire bekentenissen van Ibe Rossel: ‘Ik kan mezelf gerust irritantheid toedichten’

Ibe Rossel © Anton Roelant
De Reactor
De Reactor De Reactor, platform voor literaire kritiek

Rond haar derde levensjaar kwam Ibe Rossel in opstand. Haar ouders lazen haast onophoudelijk. Dat frustreerde haar. Ze begreep het niet. Wat zochten ze daar? Als daad van protest stal ze de bladwijzers uit hun boeken. Toen dat niet bleek te werken, besloot ze zichzelf te leren lezen. Het lukte wonderwel. Ze vond een wereld waarin ze zichzelf kwijt kan, waarin kennis, begrip en levenslessen worden aangereikt. In haar boek Shakespeare kent me beter dan mijn lief wil Rossel het leesplezier aanwakkeren met een eenvoudig inzicht: hoe je leeft kan je toepassen op wat je leest, wat je leest kan je toepassen op hoe je leeft. Hieronder leest u haar bekentenis.

De Reactor, platform voor kwaliteitsvolle literaire kritiek, levert elke week een gedegen recensie aan Knack.be. Nog literaire honger? Neem dan ook een kijkje op hun site.

Altruïsme, of egoïsme, schrijf je voor de lezer, of toch vooral voor jezelf?

Ibe Rossel: Voor Shakespeare kent me beter dan mijn lief geldt zeker dat ik vooral de lezer heb willen bereiken. Hoewel ik er natuurlijk trots op ben, kan ik niet zeggen dat ik zelf tot het doelpubliek van mijn boek behoor. De opzet was om literaire klassiekers dichter bij de leefwereld van jongere mensen te brengen en ze te enthousiasmeren om weer te gaan lezen. Herkenbaarheid en toegankelijkheid stonden voorop. Het mocht zeker niet te veel pretentie hebben. Dat was niet altijd gemakkelijk, want ik wilde er ook voldoende diepgang, kennis en ruimte voor interpretatie in stoppen. Met dat evenwicht heb ik wel een tijdje geworsteld, maar ik heb wel vrede met hoe het er nu staat.

Ik los natuurlijk ook geen wereldproblematiek op, hè (lacht). Ik hoop dat mensen een beetje het plezier van het lezen terugvinden. Dat probeer ik te doen door met mijn boek een andere manier van lezen aan te reiken, waarbij je aandacht hebt voor raakpunten van de tekst met je leven. Je hoeft je dus niet te beperken tot de zogenaamde intentie van de auteur; je mag gewoon zelf nadenken en reflecteren over hoe een bepaalde passage van Shakespeare past bij wat je gisterenavond in de Overpoort hebt uitgestoken. Dat is gewoonweg een heel plezierige manier van lezen. Ik heb het erover aan het begin van mijn boek Shakespeare kent me beter dan mijn lief: hoe je leeft kan je toepassen op wat je leest en wat je leest kan je toepassen op hoe je leeft.

Stel: ergens in een geheime kluis zit een harde schijf met daarop al je ongepubliceerde werk – geschrapte fragmenten, ideetjes, onafgewerkte teksten. Na je dood wordt de inhoud publiek gemaakt. Zou je je schamen?

Ibe Rossel: Ja, dat zou gênant zijn (lacht). Ik heb trouwens daadwerkelijk zo’n harde schijf met outlines, stukjes en ideetjes. Daarnaast heb ik ook voor vijftien jaar aan dagboeken bewaard. Het is eigenaardig, maar om de een of andere reden wordt de schaamte voor dingen die ik in het verleden schreef alleen maar groter naarmate de tijd voorbijgaat. Wat ik vorige week heb opgeschreven vind ik niet erg, maar ik weet dat dat over een jaar of vijf hoogstwaarschijnlijk niet meer het geval zal zijn. Misschien moet ik alvast regelingen treffen, zodat alles net voor ik sterf verbrand wordt. In zuur oplossen mag ook (lacht).

Megalomaan, ijdel, hautain… Weinig schrijvers staan erom bekend bescheiden te zijn. Dicht jij jezelf weleens genialiteit toe?

Ibe Rossel: Zoiets zou ik nooit pretenderen, maar het is me bij het schrijven van mijn boek wel opgevallen dat je nogal snel in een soort monomanie terecht kan komen. Op een gegeven moment kon ik over niets anders praten of aan niets anders denken dan mijn boek. Dat is voor je omgeving natuurlijk best vervelend. Ik kan mezelf dus gerust irritantheid toedichten (lacht).

Vanitas betekent zowel ijdelheid als leegheid. Zou je nog schrijven als elk boek anoniem werd gepubliceerd?

Ibe Rossel: Misschien zou ik dat zelfs verkiezen. Het contrast tussen jij alleen met je woorden achter je stomme computertje en de publieke rol die je opeens moet spelen, is behoorlijk heftig. Het gaat me eigenlijk niet zo goed af. Plotseling heeft iedereen een mening over je en moet je jezelf in de nadrukkelijke rol van auteur gaan verkopen. Dat is zacht gezegd niet mijn lievelingsactiviteit. Het maakt me hyperbewust van de manier waarop ik mezelf presenteer. Ik kan het allemaal moeilijk loslaten.

Ik hoop dat mensen een beetje het plezier van het lezen terugvinden. Dat probeer ik te doen door met mijn boek een andere manier van lezen aan te reiken.

Daarbij is mijn boek ook best persoonlijk en gebeurt het weleens dat mensen die het gelezen hebben, geloven dat ze heel veel over mij weten. Dat voelt vervreemdend. Hoewel veel passages autobiografisch zijn, blijft het toch een momentopname en belicht het slechts een fragment van mijn persoonlijkheid. Niettemin ben ik ontzettend dankbaar voor alle kansen die ik al heb gekregen. Maar ik moet er wel aan wennen.

Als de literatuur een religie is, welk boek heeft jou dan bekeerd?

Ibe Rossel: Dat moet een van de allereerste boeken zijn die ik ooit gelezen heb. Het is waarschijnlijk een beetje een cliché, maar ik denk aan Matilda van Roald Dahl. Daarmee ging ik voor het eerst het niveau van het prentenboek voorbij. Het had ook al de look van een grotemensenboek. Heel spannend was dat. Bovendien thematiseert het boek ook het plezier dat je ervaart bij het lezen. Dat heeft me zeker voor een groot stuk bekeerd.

Op mijn achttiende heeft de roman Middlemarch van George Eliot een grote indruk op mij gemaakt. In mijn boek wijd ik er ook een hoofdstuk aan. Ik las het voor het eerst aan de universiteit voor mijn studies Engelse literatuur. Eigenlijk had ik nooit veel interesse in negentiende-eeuwse literatuur en was ik volkomen per ongeluk in het keuzevak George Eliot beland – eigenlijk wou ik Oscar Wilde volgen, maar dat bleek al volzet. Aanvankelijk baalde ik daar best van. Bovendien telt Middlemarch een goeie negenhonderd pagina’s. Ik stond met andere woorden niet te springen om het te lezen. Maar het was overweldigend goed, net geen liefde op de eerste pagina – laten we zeggen de honderdste.

De waarheid of de leugen?

Ibe Rossel: Hoewel ik ervan houd om bij het schrijven ongestraft te mogen liegen, voel ik me toch steeds aangetrokken tot een bepaalde soort eerlijkheid. Dat is niet per se hetzelfde als steeds de waarheid vertellen. Wat ik bedoel is dat je jezelf als schrijver kwetsbaar moet opstellen en authentiek moet durven zijn in de keuzes die je maakt. Er is een soort eigenheid die gepaard gaat met je automatismen bij het nadenken en het achter elkaar zetten van woorden en zinnen. Die moet je zien te bewaren, vind ik. Soms surf ik bijvoorbeeld naar websites als synoniemen.net. Dan voel ik weleens de verleiding om mijn zinnen met wat chique of archaïsch aandoende termen op te smukken, maar dat blijkt nooit te werken.

Eigenlijk houd ik niet van schrijven.

Ik vind het heel interessant wanneer fictie en non-fictie met elkaar verwikkeld geraken. Binnen de Nederlandstalige literatuur van de laatste jaren gaat mijn voorkeur ook uit naar schrijvers die die grens doen vervagen, zoals Ilja Leonard Pfeijffer of Sofie Lakmaker. Het is een erg nuttige literaire vorm die volgens mij heel goed werkt in deze tijd.

Volgens de Duitse filosoof Immanuel Kant geldt de morele plicht voor iedereen. Ook voor de schrijver?

Ibe Rossel: Als je onder morele plicht verstaat dat een boek de meeste mensen zo veel mogelijk ten goede moet komen, ben ik het daar niet noodzakelijk mee eens. Maar het is niet gemakkelijk om daar uitspraken over te doen. Iets waarmee ik in elk geval persoonlijk wel moeite heb, zijn romans geschreven door mensen die eigenlijk niets van hun onderwerp afweten. Een oude witte man die zich verplaatst in een Soedanees meisje, daar heb ik mijn bedenkingen bij. Het tegenargument luidt dikwijls dat het om inlevingsvermogen en verbeeldingskracht gaat, maar ik denk dan: is dit wel het beste boek dat jij kon schrijven?

Binnen een eeuw zijn er geen schrijvers meer. Is de wereld er slechter aan toe? Zijn schrijvers belangrijk?

Ibe Rossel: Ik ben ervan overtuigd dat het geschreven woord de meest effectieve manier is om iemands blik te verruimen. Films, series of andere visuele kunsten komen misschien wel directer binnen, maar de totale immersie die je ervaart tijdens het lezen wordt in andere kunstvormen maar weinig geëvenaard. Bij het lezen moet je de woorden zelf tot een beeld visualiseren, een ervaring in je hoofd die expliciet verschilt van je eigen werkelijkheid op dat moment. Net omdat je het je allemaal zelf moet voorstellen, krijg je een bepaalde autoriteit over het beeld dat de schrijver je aanreikt. Je selecteert zelf de aanknopingspunten met jouw leven – bij sommige passages blijven de ogen kleven en over andere wordt juist snel heen gelezen. Dat maakt het tot een inherent persoonlijke ervaring die als geen andere beklijft en tot inzichten kan brengen.

Heiligt het boek de middelen, zijn opofferingen in je persoonlijke leven het per definitie waard als het boek daar beter van wordt?

Ibe Rossel: Ja (beslist). Van vrienden krijg ik regelmatig het verwijt dat ik mezelf in netelige situaties manoeuvreer, zodat ik er achteraf een goed verhaal over kan vertellen. Soms besef ik dat ook terwijl ik het beleef: ‘Dit past perfect!’. Ik verricht dus grondig veldwerk bij het schrijven van mijn boek. Verder voer ik mensen uit mijn omgeving ook op in mijn boek. Ik gebruik wel pseudoniemen, maar niet iedereen vindt dat leuk. Inmiddels heb ik het wel goedgemaakt met traktaties op café (lacht).

Heb je verder nog iets te bekennen?

Ibe Rossel: Eigenlijk houd ik niet van schrijven. Waar ik van houd is nadenken. Schrijven helpt me om mijn gedachten zonder erosie vast te houden om ze te kunnen uitwerken. Hugo Claus zei het mooi: woorden zijn de kleren van de gedachten. Maar in alle eerlijkheid vind ik de daad van woorden typen achter mijn bureautje best vreselijk. Het is zo eenzaam. Ik heb wel veel notitieboekjes volgeschreven met stukjes en ideetjes, maar vanaf het moment dat ik die daadwerkelijk moet uitwerken, zie ik er steeds tegen op. Het gevoel achteraf dat je iets geschreven hebt is daarentegen wel erg bevredigend.

Er is een citaat van de Amerikaanse schrijfster Fran Lebowitz, waarin ze zegt dat ze eigenlijk maar een vijftal schrijvers kent die graag én tegelijkertijd heel goed schrijven. Zelf houdt ze van zingen, zegt ze, maar ze houdt het wel bij de douche. Waar je goed in bent, is niet noodzakelijk datgene wat je graag doet en omgekeerd. Dat vind ik een troostende gedachte.

Door William Roelant

Lees ook over de literaire bekentenissen van Delphine Lecompte, Jeroen Olyslaegers en Nina Weijers

Partner Content