De goelagmemoires van Barbara Skarga: ‘Wij willen niet dat het leven in ons dooft’

Barbara Skarga. Haar getuigenis is een schatkamer vol informatie over een van de donkerste periodes uit de Europese geschiedenis. © National
Alicja Gescinska
Alicja Gescinska Filosofe en schrijfster, staat op de lijst van Open VLD voor de Europese Verkiezingen.

De Poolse filosofe Barbara Skarga zat tien jaar vast in de goelagkampen van de Sovjets. Het boek dat ze daarover schreef, zegt veel over de huidige veroveringsdrang van Rusland, schrijft filosofe Alicja Gescinska.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

‘Ik kan en ik wil niet louter doden beschrijven; het waren er te veel. Maar ik heb tegenover de mensen die daar bij mij stierven wel een plicht om te herinneren. Immers: ik leef, en zij zijn er al lang niet meer, en ze waren net zo jong als ik, en net zoals de anderen en zoals ik wilden ze leven.’

Het zijn maar enkele van de vele aangrijpende zinnen uit Na de bevrijding: Aantekeningen over de Goelag, 1944-1956 van Barbara Skarga (1919-2009). Skarga was de belangrijkste Poolse filosofe van de voorbije honderd jaar, en Na de bevrijding is misschien wel haar belangrijkste boek. Geen doorwrocht filosofisch traktaat of ingenieus denkconstruct, wel een autobiografische getuigenis over de moeilijkheid en noodzaak om mens te blijven in de meest onmenselijke omstandigheden. De getuigenis van iemand die tien jaar in de goelagkampen zat.

Verkrachtingen, surrogaatrelaties en ongewenste zwangerschappen maakten deel uit van het dagelijkse leven in de kampen.

Skarga werd geboren in de Poolse landadel in Litouwen. Ze was studente filosofie toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. Polen en Litouwen werden door zowel nazi-Duitsland als het Rode Leger aangevallen, en Skarga sloot zich aan bij het verzet, als koerier. Tijdens een van haar opdrachten werd ze in de zomer van 1944 in de val gelokt en door officieren van het Rode Leger gearresteerd. Ze bracht anderhalf jaar door in Litouwse gevangenissen, en vervolgens werd ze tot tien jaar goelagkampen veroordeeld. Pas na een ballingschap van anderhalf jaar op een kolchoz in het uiterste oosten van Siberië kon ze in december 1955 weer voet op Poolse grond zetten. Ze was vijfentwintig toen ze werd opgepakt. Ze keerde terug als een zesendertigjarige met grijze haren. In Polen hervatte ze haar studie filosofie. Ze promoveerde en werd een van de belangrijkste intellectuelen en morele autoriteiten van het land. Ze schreef zowel academisch werk als voor een breed publiek. En toen ze in 2009 stierf, verloor Polen haar pierswsza dama, haar first lady van de filosofie.

Po Wyzwoleniu 1944-1956 verscheen voor het eerst in 1985 in Parijs, onder een pseudoniem. Doordat het boek onomwonden het ware gelaat van het communisme toonde, kon het niet in Polen verschijnen. Dat gebeurde pas in 1990. Skarga was er begin jaren tachtig aan begonnen. Het was een pijnlijk proces van schrijven en vaak stoppen. De aantekeningen verdwenen soms voor meerdere maanden in een bureaulade. Dat beschrijft Skarga ook: hoe ze door het ophalen van herinneringen alles opnieuw beleefde, hoe ze helemaal verward uit nachtmerries ontwaakte en dacht dat ze weer gevangenzat. Maar ze volhardde. Ze móést haar ervaringen optekenen en schrijven over de mensen die ze in die horrorjaren was tegengekomen, en die het vaak niet hadden overleefd.

Skarga omstreeks 1960. 'Zonder de lach kan men niet leven.'
Skarga omstreeks 1960. ‘Zonder de lach kan men niet leven.’ © National

‘Niemand denkt vandaag nog aan hen. Niemand spreekt nog over hen. Zinloze offers.’ Precies om die zinloosheid te bestrijden, moest Skarga schrijven. ‘Men zou er zo luid over moeten schreeuwen dat iedereen het geschreeuw kan horen’, schreef ze. Skarga vond het haar morele plicht om hun lot op te tekenen.

Sovjethel

Een belangrijker boek dan Na de bevrijding is moeilijk te vinden. Het is op verschillende fronten relevant: literair, filosofisch, historisch én qua actualiteitswaarde.

Vanuit literair oogpunt is het een zeer ongewoon boek. Enerzijds is het een non-fictiewerk dat veel feitelijke informatie bevat. Het is ook thematisch opgebouwd. In elk hoofdstuk belicht Skarga een ander aspect van het goelaguniversum: van de verschillende soorten werk die er werden uitgevoerd tot de liefdesrelaties die er ontstonden. Anderzijds is het ook een authentiek, chronologisch opgebouwd relaas van Skarga’s odyssee door de Sovjethel, en vertelt ze haar verhaal op zo’n manier dat je als lezer meegezogen wordt. Haar schrijfstijl is intelligent, nooit sentimenteel, maar toch erg aangrijpend.

Skarga schetst een onthutsend beeld van het leven als vrouw in de goelag. Verkrachtingen, surrogaatrelaties en ongewenste zwangerschappen maakten er deel uit van het dagelijkse leven, net als liefde, vriendschap en intimiteit. Zo doet ze een interessant, onderbelicht gegeven uit de doeken: wat gebeurde er met vrouwen die zwanger werden in de goelagkampen? Skarga werkte er enkele jaren als verpleegster en zag de vreselijkste taferelen. Primitieve abortussen die tot de dood van foetus en moeder leidden. Pogingen tot zelfverwonding. Vrouwen die hun kind wel wilden houden, een tijdlang betere voeding kregen en vrijgesteld werden van het zwaarste werk, maar uiteindelijk hun kinderen moesten afstaan, met alle tragedies van dien. Skarga reflecteert daarover:

Skarga vond de ergste kwelling die de gevangenen werd aangedaan het feit dat ze almaar onverschilliger werden.

‘Iemand denkt misschien dat het beter zou zijn om het liefdesspel niet te spelen. […] Maar wij willen mens blijven. We willen niet dat het leven in ons dooft. We beschermen ons tegen de dodelijke afstomping van onze gevoelens. We willen aan iemand denken, voor iemand zorgen, in iemands armen liggen. De liefde is de menselijke opflakkering van de ziel in deze onmenselijke wereld.’

Kampplaag

Skarga schreef haar herinneringen neer in de jaren tachtig. Ze was toen een filosofe in de fleur van haar denken. Na de bevrijding bevat dan ook veel interessante bespiegelingen en reflecties, bijvoorbeeld over het kwaad van de onverschilligheid. De Amerikaanse auteur Elie Wiesel, die de Holocaust overleefde, schreef al dat het tegenovergestelde van de liefde niet de haat is, maar de onverschilligheid, en dat die onverschilligheid de ultieme belichaming van het kwaad is. In Skarga’s filosofische werk en ook in haar goelagaantekeningen komt dat thema vaak aan bod. Veel van de ellende die de Sovjet- en kampautoriteiten veroorzaakten, kwam niet louter voort uit haat en de wil tot het vernietigen of kwellen van anderen, maar uit incompetentie en onverschilligheid. Skarga vond de ergste kwelling die de gevangenen werd aangedaan het feit dat ze almaar onverschilliger werden. De échte hel was niet de fysieke vernietiging door het zware werk en de mishandeling, maar dat je vanbinnen verteerde. Dat was het doel van de zogenaamde ‘heropvoedingskampen’ van de Sovjet-Unie. Niet je lichaam, maar je geest moest gebroken worden.

‘En zo verliezen we stilaan onze ziel. Dag na dag sijpelt er met de honger, en met het werk dat onze krachten overstijgt, en met de hopeloosheid van de tijd, iets in ons binnen, druppel na druppel, iets dat men bij naam hoort te noemen. Wat in ons naar binnen sijpelt is de permissie van het kwaad. We kunnen er ons niet meer druk om maken, we halen er enkel onze schouders voor op.’

Skarga noemt het de werkelijke ‘kampplaag’, want zoals een besmettelijke ziekte is onverschilligheid heel snel overdraagbaar.

De historische waarde van Skarga’s ooggetuigenverslag spreekt haast voor zich. Haar boek is een schatkamer vol feitelijke informatie over enkele van de donkerste periodes uit de Europese geschiedenis. Het gaat niet louter over de goelag. Ook over allerlei gebeurtenissen tijdens de Tweede Wereldoorlog komen we veel te weten. Skarga beschrijft gebeurtenissen, gevechten, massamoorden en schijnprocessen die in het westerse collectieve geheugen vaak over het hoofd gezien worden.

Bovendien is er over de goelagkampen weinig geschreven. Het historische onderzoek, het collectieve bewustzijn, de parate kennis, de literatuur: ze zijn beperkt, zeker in vergelijking met de nazikampen. Ja, Solzjenitsyn zullen de meesten wel kennen. Maar wie was Gustav Herling-Grudzinski? Wanneer brak de opstand in Kolyma uit? En in Norilsk? Wat was een ITL-kamp? Wat betekende de term ‘algemeen werk’ en waarom werd die zo gevreesd? Wat gebeurde er als je je straf had uitgezeten? En hoe zag het leven op een kolchoz eruit? De meeste mensen kennen het antwoord op die vragen niet. Nochtans is wat in de goelagkampen gebeurde een van de grootste tragedies uit de Europese geschiedenis.

Droevige lessen

Kennis van het verleden is altijd meer dan kennis van het verleden. Het is ook altijd een conditio sine qua non voor een beter begrip van het heden. Wie de huidige verhoudingen van Rusland ten aanzien van zijn buurlanden en de Slavische wereld beter wil begrijpen, kan uit Na de bevrijding belangrijke maar droevige lessen leren over het imperialisme en de veroveringsdrang van Rusland, over honger als wapen, over de valse retoriek van bevrijding, over deportaties die steevast ‘evacuaties’ worden genoemd.

Niets van wat Vladimir Poetin in Oekraïne doet, niets van de Russische daden en retoriek is nieuw. Voor Russische leiders is een mensenleven altijd niets waard geweest, en een Oekraïens leven nog minder. Wie dat wil begrijpen, wie het eeuwenoude Russische imperialisme, waar het communisme maar één manifestatie van was, wil begrijpen, kan bij Skarga terecht.

Een van de aspecten van de ‘Russische ziel’ die Skarga analyseert in haar boek, is de Russische lijdzaamheid. Die is ook nu nog een zorgwekkend fenomeen. Precies de intrinsieke Russische volgzaamheid maakte de goelagervaring voor de veeleer weerbarstige Europeanen zo volstrekt anders dan voor Russen. Een van de meest memorabele personages die Skarga opvoert, is Sergej. Sergej was eigenlijk een vrouw die zich man voelde en zich als een man gedroeg, maar in de vrouwenbarakken verbleef. Hij was om wel meerdere redenen een volstrekt onconventionele, unieke figuur in de goelagwereld. Zo durfde hij in het kamp te praten over wat er allemaal fout liep in de Sovjet-Unie, in de politiek, in de samenleving. En een van de grote problemen die Sergej zag, was de Russische volgzaamheid.

Barbara Skarga, Na de bevrijding: Aantekeningen over de Goelag, 1944‑ 1956, De Bezige Bij, 432 blz., 34,99 euro.
Barbara Skarga, Na de bevrijding: Aantekeningen over de Goelag, 1944‑ 1956, De Bezige Bij, 432 blz., 34,99 euro. © National

Rusland heeft geen politieke cultuur – nooit gehad – waarbij iemand tegelijk invidu en burger is, en als individu burgerrechten heeft en een politieke actor is. De pijnlijke gevolgen daarvan zie je ook vandaag nog. Oorlog of geen oorlog, Poetin weet beter, Poetin mag beslissen, wij volgen wel. Dat ons eigen leven er ellendiger door wordt, dat vinden we allemaal zo erg niet. Als het maar de glorie van het land ten goede komt. In de woorden van Sergej klinkt de culturele analyse zo:

‘Onze machthebbers dromen ervan om over het Westen te heersen. En ach, niet alleen daarover. Wat er in zijn land zelf gebeurt, trekt een Rus zich tegenwoordig niet aan, zoals het hem vroeger ook niets kon schelen. Een Rus kan hongerlijden, gevangenzitten, vervolgd worden door zijn eigen machthebbers, en toch blinkt hij van trots wanneer hij ziet dat de rode kleur zich op de wereldkaart verspreidt over de nieuwe, veroverde gebieden.’

Skarga schreef die woorden neer in de jaren tachtig, ze werden uitgesproken door een Rus eind jaren veertig, en vandaag zijn ze even relevant als vroeger.

Kracht van de lach

Na de bevrijding is niet alleen maar donker. Skarga merkt op dat er meer dan eens humor en spot in haar pen kruipen, ‘omdat spot soms scherper ziet en duidelijker tekent dan bittere ernst.’

Ook zijn er vele passages over hoe gevangenen elkaar erdoorheen helpen, en over hoe Skarga zelf haar leven dankt aan de menselijkheid van enkele medegevangenen. Een van de opvallendste fragmenten gaat over de noodzaak om een goed humeur te behouden, en hoe de gevangenen elkaar probeerden op te monteren. Ze organiseerden meermaals feestjes, waarbij ze in hun kleine cellen een bal hielden. Ze dosten zich uit met dekens en tikten met lepels op de vloer om een ritme aan te geven waarop gedanst kon worden. De bewaking stormde meteen binnen, omdat het avondappel al achter de rug was en complete stilte verplicht was. Ze begrepen niet waarom die gevangenen zo vrolijk waren.

Voor Russische leiders is een mensenleven altijd niets waard geweest, en een Oekraïens leven nog minder.

‘Maar men kan niet zonder de lach leven. Lachen is de redding. Het creëert een afstand tot de situatie waarin we ons bevinden. Het bevrijdt ons en dwingt ons om als het ware van buitenaf naar onszelf te kijken, naar ons lijden, en dat maakt het lichter. Het is ook een wapen tegen diegenen die ons als reeds overwonnen willen zien. Ons gelach beledigt hen, verbaast hen, en geeft hun te kennen dat we nog niet veranderd zijn tot willoze slaven, dat we nog steeds menselijke reacties hebben, en dat we de absurditeit inzien van deze werkelijkheid waarin we nu toevallig beland zijn en moeten leven.’

De lezer zal het lachen bij lezing van Na de bevrijding ook vaak vergaan. Maar in de grootste duisternis brandt zelfs het kleinste lichtje fel. Zo is het ook met Skarga’s aantekeningen: het licht van de menselijkheid brandt ook in de goelag. Skarga beschrijft mooi hoe ze in de kampen een beter begrip kreeg van landen en volkeren die Polen veelal als vijanden beschouwen. De geschiedenis van Polen en Oekraïne, bijvoorbeeld, is er een van wederzijdse haat en bloedvergieten. Maar in de kampen leerde Skarga Oekraïners persoonlijk kennen, en ontstonden er vriendschapsbanden voorbij de historische vijandigheid. Skarga beschrijft de Oekraïners als een ‘steppevalk’: prachtig zwevend en met krachtige vleugels, een magnifiek dier, en tegelijk vormen die Oekraïners zo’n kwetsbaar dier, een tragische natie, die almaar weer door het noodlot wordt beknot. De Oekraïners willen zo graag vrij zijn, vliegen, de vleugels spreiden, maar het noodlot – de grote ‘broer’ – maakt dat zo vaak onmogelijk.

De Oekraïners hielpen Skarga de goelagjaren door te komen, om mens te blijven. Onder andere door iets waarin zij als weinig anderen uitblonken: muzikaliteit. Vaak zongen de Oekraïense gevangenen liederen, en die waren de affirmatie van hun eigen waardigheid, de intrinsieke waardigheid van de mens, ook wanneer hij ontmenselijkt wordt.

‘Er zijn zoveel van die liederen, die barsten van het gemis, die ze uit het hoofd kennen, met een vloeiende, breed uitwaaierende melodie, waarin de hele treurnis van deze door het noodlot onder de voet gelopen mensen vervat zit. Ze zijn ontzettend muzikaal en ze zingen uitstekend. Zingen is voor hen als ademen. Voor we in de barakken opgesloten worden en de lichten voor de nacht uitgaan, stromen die liederen, en in hun menselijke stemmen en taal vind ik mijn ware betekenis terug.’

Je ware betekenis vinden of terugvinden, een mens onder mensen te zijn, het is zowel in de goelag als in het leven onze belangrijkste opdracht. En daaraan herinnert Skarga ons. Haar leven en werk kunnen voor iedereen een inspiratie zijn bij die moeilijke taak waar we allemaal voor staan: de taak om mens te zijn.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content