Lukas De Vos

De banaliteit van het negationisme

Lukas De Vos Europakenner

Maja Wolny’s roman ‘Zwarte bladeren’ over het lot van haar Poolse geboortestadje Kielce is een sterk staaltje van sociale antropologie. Ze graaft dieper en verheldert meer dan geschiedkundige studies kunnen, juist omdat ze ook de geruchtenmolen en de onderbewuste drijfveren tracht te doorgronden.

Wraak, het is altijd het bod van de zwakke. Blinde wraak dat van kruiperige lafaards. Bloedwraak is het restant van primitieve achterlijkheid. En de doodstraf is daar het afgebleekte, onvoldragen want tot wet verheven afleggertje van. Wraak is in alle gedaanten een aanslag op de redelijkheid. Op beheersing en rede zijn rechtsstaat en beschaving gebouwd. De odyssee naar het verwerven van die geestelijke gezondheid, dat is het échte onderwerp van de welhaast filosofische studie die de Poolse Maja Wolny neerlegt in de Bildungsroman Zwarte Bladeren. Een kalvarie naar innerlijke vrede.

Wraak was in de Griekse mythologie ouder dan de oppergoden. De drie Erinyen (Furiën) – de onverzoenlijke Alekto, de afkeurende Megaera, de straffende Tisifone – waren immers ontstaan uit een halsmisdaad: de ontmanning van Oeranos door zijn zoon Zeus. Zijn zaad bevruchtte de aarde. Rusteloosheid, achtervolgingswaan, schuldgevoel, het drijft sindsdien iedereen voort die misdaan heeft. Zonder inkeer is waanzin zijn of haar ultieme lot.

Het zijn de keuzes die bepalen wat goed of kwaad is – de u0022waarheidu0022 is een betrekkelijk en zeer wendbaar begrip.

Ook als de dader wordt aangezet door hogere machten of massahysterie. Door een dwingende drijfveer. Maar blinde wraak zoekt niet naar daders, wel naar gewantrouwden. Vreemden, onaangepasten, al wie niet thuishoort in de statische tradities en geplogenheden. Maja Wolny past dat toe op haar eigen achtergrond, het lot van haar geboortestadje Kielce, en de toegedekte volkswoede na de Tweede Wereldoorlog. Op subtiele manier verweeft ze verleden en heden, wat het ondraaglijke schuldgevoel de kans moet geven zich te ontdoen van een niet gedeelde verantwoordelijkheid.

De kunstgreep is de verdwijning van een kind. In 1946 verdween een achtjarige jongen, die, volgens de plaatselijke roddel, in het gezelschap was gezien van een oude jood. De joden in Kielce waren arme luizen. Ze hadden alles verloren tijdens de nazibezetting, eigendom, geld, aanzien, familie. De meesten keken uit naar een mogelijkheid om uit te wijken, bij voorbeeld naar Antwerpen om zo de Nieuwe Wereld te bereiken. Maar intussen leefden ze, door de goedertierendheid of was het berekening?) van het plaatselijk bestuur, in enkele blokken die hun waren toegewezen. De mare ging dat in een kelder (“het gebouw had geen kelders”, zegt Wolny na haar opzoekwerk) de jongen vermoord was om zijn bloed te kunnen verwerken in de matse, het ongedesemd brood.

Wat volgde was een nachtmerrie. De volkswoede sloeg om in amok, tweeënveertig onschuldige joden werden omgebracht, vooral door jongere arbeiders die met staven en radiatoren de joden doodsloegen. Achteraf bleek dat de jongen (in het echt Henryk ‘Henio’ Blaszczyk. Hij wees een jood in de Plastystraat aan als zijn “kidnapper”- en op last van zijn vader heeft hij dat nooit ontkend. Wolny schudt het hoofd: “Die leugen en de rampzalige gevolgen ervan heeft hij zijn hele leven moeten torsen”) gewoon kersen was gaan plukken, en nog voor de stampei al naar huis was teruggekeerd. De verblinding van de boeren en de arbeiders, die zelf zwarte sneeuw hadden gezien en vervolging hadden ondergaan in de oorlog, diende toegedekt en vergeten.

Maar dat is niet het oordeel van het hoofdpersonage, de objectieve geschiedkundige Weronica, die van het gedrag op het platteland haar onderzoeksonderwerp heeft gemaakt. Het toeval – of, gezien de familiegeschiedenis, net niet het toeval – doet zich voor dat haar eigen dochter Laura (ja, ook Wolny’s dochter heet zo) eveneens verdwijnt. Slachtoffer van een pedofiel? Van een wraakactie van de nieuwe nationalisten? Van een ongeval? De mentale geschiedenis van Weronica wordt het canvas waartegen deze tiendaagse dramatische zoektocht zich afspeelt.

De confrontatie met een weggegomd verleden, dat is de echte uitdaging die tot inkeer en verzoening kan leiden.

Wolny weet waarover ze spreekt. Haar eigen vader leed aan selectief geheugenverlies, als hij al wou praten. Geholpen door het foto-archief van Julia Pirotte (zij siert de voorflap) in Charleroi, die door haar Belgische nationaliteit haar geboorteland vrij kon fotograferen, zocht Wolny de overblijfselen op van de pogrom door de Polen. Slachtoffers waren uit onverstand, uit ontgoocheling, uit wraak zelf daders geworden.

De getuigen hielden de mond dicht. Omdat ze niet konden kiezen tussen het vooroorlogse zelfbewustzijn en de nieuwe samenleving, die op communistische leest zou geschoeid worden. (Het is ontstellend hoe naief de communisten hun idealisme doordreven, als ze zelfs vanuit de goelag de omwentelingen goedpraatten, of zoals broer Majer vanuit de compleet verarmde Sovjet-Unie blijft geloven in de “broederschap van alle mensen”; hij stuurt de “brief die jou nooit zal bereiken”). Vergeten was de enige handige vorm om zichzelf te redden. Wolny’s vader gaf voor zich niks te herinneren over een joods kerkhof, laat staan iets over een “spontane” massamoord. Tot de schrijfster met onweerlegbare bewijzen en stadsplannen haar vader in de hoek drumde: het lag onder de plek waar nu zijn modelbouwclub gevestigd was.

De confrontatie met een weggegomd verleden, dat is de echte uitdaging die tot inkeer en verzoening kan leiden. Bij Weronica transformeert zich dat in aanvaarding van de stugge moeder, die zelf breekt als ze tegen haar kleindochter Laura bekent: “Jouw moeder is ook ooit eens van huis weggelopen. Ze was er heel lang niet. En vandaag zijn jullie allebei teruggevonden”. Dat loopt in Zwarte Bladeren niet van een leien dakje. Er is veel onwil van de overheid, van de buren, van de politie – op uitzondering van Miros?aw Zaremba, die een boontje heeft voor Weronica, en als leidsman optreedt in de speurtocht naar Laura – ook naar Berlijn, waar haar gescheiden en enigszins krankjorumme vader Eli leeft – en naar gemoedsrust voor Weronica. De psychologische uitdieping gebeurt zo nauwkeurig dat ze soms te uitgesponnen overkomt, tot het tranerige toe.

De kern is dat elke misdaad vergeving kan krijgen. Niet door sporen weg te werken of te vernietigen – zo verteert een toevallige brand in 1988 de archieven van 1945 en 1946. Maar “niets wordt ooit voorgoed vergeten; alles laat een spoor na in het netwerk van het collectieve geheugen”. En “de herinnering regeert volgens haar eigen wetten”. De onthechte mens zal dan ook niet veroordelen. Want “niemand heeft het recht om met een beschuldigende vinger naar een ander te wijzen, omdat elk van ons misschien niet de schuld maar wel een deel van de herinneringen in zich draagt”. Het is de bijbelse opvattingen dat de zonden nawerken tot in de zevende generatie. Of het inzicht dat Sean Connery eenvoudig formuleert in de film Zardoz: “You cannot unknow what you know”. Tot dat besluit komt ook Weronica, na al haar speur- en archiefwerk. Wolny laat dan ook de historica woorden in de mond leggen van haar faculteitsdekaan Sliwa bij de 65e herdenking van de pogrom: “De moordende arbeiders, vaak jonge kerels die geen andere werkelijkheid kenden dan oorlog en chaos, waren ook slachtoffers van de vreselijke jaren veertig”.

Geschiedenisonderzoek dient ook als voorhang om massamoorden te plaatsen, soms te vergoelijken. Zelf brengt Wolny begrip op voor het lot van de Polen. “Geen enkele familie is ongeschonden uit de oorlog gekomen, iedereen heeft naasten verloren”. Julia zelfs haar hele familie. “Je moet ermee rekening houden dat 16 procent van de bevolking in de oorlog is uitgeroeid, zes miljoen mensen, evenveel als er Vlamingen zijn. Bij de Russische bezetting is Polen ingeprent dat het zegevierde over het fascisme. Het wordt dan aartsmoeilijk om jezelf ook als dader te zien van onmenselijkheden”.

De nieuwe nationalisten – een sneer naar vandaag, de bedekte kritiek op de Kaczynski’s is onmiskenbaar – strooien nu het gerucht rond dat de pogrom eigenlijk was opgezet door de UB, de communistische veiligheidsdienst, om zichzelf te verschonen. Joden en communisten worden met elkaar geïdentificeerd, zoals Mazur (die eigenlijk priester wou worden) en zijn “Patriotten van Kielce” in het boek doen. Schuld wordt voortdurend doorgeschoven, meestal naar de pers die er bijzonder bekaaid uitkomt, maar altijd “iemand die hoger staat. Als er geen schuldenaar is, moet er snel een aangewezen worden”. Dat komt rechtstreeks uit de verstikkende invloed van de katholieke kerk in Polen (oude mensen bezingen, zoals Radio Marija vandaag, de Maagd Maria als koningin van Polen). Voor de zonden der vaderen bestaan berouw en boete. Vergeving en vergiffenis.

Maar blind zijn voor het vergiftigd verleden kan niet voor Wolny. Zelfs agent Zaremba is erfelijk bezwaard. “Ik stam zelf uit zo’n gezin. Mijn ouders, simpele boeren uit het plattelandsdorp Biekali, namen in 1943 aan zo’n executie deel. Ze vermoordden samen met andere bewoners een joods gezin van vier. En ik moet daar nu mee leven”. Persoonlijke verwerking onder de mat schuiven door medeplichtig zwijgen, het betekent de breuk tussen Weronica en haar moeder. Zij verbergt zich achter de levensbedreigende onzekerheid in de oorlogsjaren. “‘Jullie weten niet wat dat is, angst. Jullie zijn eeuwige kinderen’. Ik liep het huis uit en ben er nooit meer teruggekeerd”.

De neerslag van wreedheid, onbegrip en vooroordelen bestaat uit rottende bladeren van de samenleving, die men weg wil vegen, uit het zicht, uit de herinnering.

De daders van de moordparij zijn wel degelijk berecht, negen kregen de doodstraf en zijn terechtgesteld. Maar Wolny relativeert: “Daar zaten wellicht onschuldigen tussen. Anderen kregen gewoon een symbolische straf of ontsnapten de dans”. Dus toch een communistisch complot, een showproces? Het lijkt erop, als Julia zelf wordt tegengewerkt wanneer ze onmiddellijk na de oorlog een fotoreportage wil maken voor haar (linkse) krant. Ze foetert op de agenten die haar vrijgeleide weigeren zolang de partij geen groen licht geeft, tot afgrijzen van haar begeleider: “Het gezond verstand maande aan tot geduld en gehoorzaamheid tegenover machthebbers in uniform”. Immers, “waakzaamheid is geboden. De vijand slaapt niet”.

De enige vijand is nochtans het eigen geweten, de confrontatie met zichzelf en het zelfbedrog. De tiendaagse tocht van Laura en de verpletterende onzekerheid van Weronica zijn de weerspiegeling van de tien jaren die Odysseus moest verwerken om uiteindelijk, tegen verleiding, dood van zijn vienden en overmacht in, met zijn vrouw weer verenigd te worden. “Een kruisweg”, om het in Poolse termen te vertalen. Wolny heeft het verhaal netjes ingekaderd. Ze wisselt de dagen en bespiegelingen (en de psychologische verscheurdheid) van Weronica, die stilaan tussen 30 juni en 9 juli 2011 kapotgaat aan haar eigen angsten en onthullingen over stad en familie, af met “de weg van Laura”. Wat zoekt een kind? Het verleden? Een droom? Een fabel? Een mens? Of loopt ze gewoon verloren?

Die alternerende gezichtspunten liggen ingebed in het historisch kader: van maart 1934 en Brussel mei 1940 tot december 1946, van Julia die uitwijkt naar het Westen en in het linkse verzet gaat tot de beschamende uitbarsting van wraak in Kielce en de afstand van haar enige wapen, de Leica. Daarmee had ze én voor valse identiteitspapieren gezorgd én de gruwel vastgelegd. Dit is de volledige overgave. Julia schenkt haar eigen verlengstuk, het fototoestel, aan een arme jongen – de schuld van Henryk is vergeven en uitgewist, de continuïteit van de scherpe waarneming blijft verzekerd.

Zoals delen van een boom, van zijn gebladerte, afsterven, zo gebeurt het ook met de menselijke geschiedenis: “Ik was zo aangeslagen en treurig toen ik op een wandeling in Vlaanderen zwarte bladeren zag liggen, dat ik meteen een titel en een grondsymbool voor mijn roman had”, bekent Wolny. De neerslag van wreedheid, onbegrip en vooroordelen bestaat uit rottende bladeren van de samenleving, die men weg wil vegen, uit het zicht, uit de herinnering. In dat opzicht is Wolny’s roman een sterk staaltje van sociale antropologie. Ze graaft dieper en verheldert meer dan geschiedkundige studies kunnen, juist omdat ze ook de geruchtenmolen en de onderbewuste drijfveren tracht te doorgronden.

Ze verknoopt dat met haar sterk geloof in de archetypentheorie, en dat blijkt uit haar aanpak. Eigenlijk is het hele verhaal van de jodenmoord een dorpslegende geworden, een mythe die zoals elke mythe een harde kern van onverbloemde waarheid bevat. Alleen moet de onthechte mens niet langer de doden uit de onderwereld terughalen, maar de levenden. Daarom vervelt het weglopen van Laura uiteindelijk tot een sprookje: “Lang, lang geleden woonde er een bedroefde koningin met lang haar in het bos”. Laura belandt na alle ontberingen en een hondenbeet , in een vervallen, eenzaam huis, waar een lieve oude vrouw (en dus geen boze heks) zich over haar ontfermt.

Zwarte Bladeren is geen thriller. Daarvoor is het stramien te doorzichtig, en de opzet alleen een afgeleide. Eigenlijk weet de lezer dat het goed zal aflopen. De hamvraag blijft: wat schuilt er achter het (weigeren om te) vergeten? Wat vormt de menselijke geest? Hoe kan de mens zijn humane karakter behouden? Zwarte Bladeren is een hellevaart, een ‘descent into the Maelström” zou Poe gezegd hebben. En het zijn de keuzes die bepalen wat goed of kwaad is – de “waarheid” daarentegen is een betrekkelijk en zeer wendbaar begrip. Zelfoverwinning, je terug in de spiegel kunnen bekijken, dat geeft verlossing. Aanvaarde schuld is uitgeveegde schuld. Zoals in de Griekse mythe zetten de Erinyen dan hun wrekende achtervolging stop. Ze worden dan Eumeniden, Welgezinden. Het is een therapeutische waarde die Zwarte Bladeren uitdraagt. Wolny heeft een sociopsychologische krachttoer verwezenlijkt.

Maja Wolny, Zwarte Bladeren. Amsterdam/Antwerpen, De Bezige Bij 2017, 318 blz.

Partner Content