Christoph Ransmayr met ‘De Sluismeester’: de Wittgenstein van de ecologische science-fiction

.
Lukas De Vos
Lukas De Vos Europakenner

De mens denkt met schoonheid en valse verfraaiing de wereld naar zijn hand te kunnen zetten. Daar zet Christoph Ransmayr met zijn ecothriller ‘De Sluismeester’ ongenadig het mes in.

Nieuw is het thema niet in de dystopische literatuurtraditie: het genre van klimaatrampen werd al ruim een halve eeuw voorgoed ingezet met The Drowned World (De Verdronken Wereld) van J.G. Ballard. Zelfs in de Nederlandse letteren zijn er voorbeelden te vinden, van Maurits Peeters’ Morgen. De Verdelging van Antwerpen (1933) tot de Venlose stadsdichter Frank Pollux met Het Gelijk van Heisenberg (2010).

Ook bij Ransmayr is het onbelangrijk wat de oorzaak is van de klimaatomwenteling die de polen doet smelten en de bewoonbare aardoppervlakte zienderogen doet afnemen. Wezenlijk is hoe mens en maatschappij reageren op de onvermijdelijk nieuwe omgeving waarin ze moeten overleven of sterven. De ondertitel van de roman is niet voor niets ‘Een kleine geschiedenis van de dood’. Vooral bij Ballard lijkt de Oostenrijkse winnaar van de Franz Kafkaprijs, kandidaat-winnaar van de Bookerprijs (en een dertigtal andere onderscheidingen) te rade zijn gegaan. Inner Space, de wijzigingen in de menselijke gedragingen en psychologie, neemt het over van epen in de ruimte, van de space opera’s. Niet evolutie maar regressie bepaalt het lot, vooruitgang maakt plaats voor terugval.

In beide gevallen dwingt het milieu de mens tot andere keuzes: bij Ballard is Londen vervallen tot een lagunegebied waar de primitieve driften van de mens elke ethiek of wetenschap opzijdrummen, bij Ransmayr is het onduidelijk of de naamloze hoofdpersoon, de zoon van de Sluismeester (Fallmeister, een bewust archaïsche omschrijving), in de negentiende eeuw leeft of omtrent het jaar 2.200.

Dat laatste valt af te leiden uit zijn opdrachten in het Amazonewoud en vooral in de Mekongdelta waar zijn bus ‘drie de in het hele land oprijzende stapels schedels, het gebeente van de slachtoffers van de tirannieke Witte Khmer dat tussen betonnen zuilen en glazen wanden tentoongesteld werd’ passeert. De omkering van wat zich in de Russische revolutie voordeed – internationalisme – eist evenveel bloed en haat – zowel Europa als Amerika (dat het land van de Rode Khmer platbombardeerde en overal kraters deed ontstaan, waardoor Zuidoost-Azië nu het water stijgt een hele ring van vierduizend eilandjes is geworden) zijn ten prooi gevallen aan blakend nationalisme. ‘Uit elkaar gespat in een hagel van dwergstaatjes, kleinvorstendommen, graafschappen en met vlaggen en wapenschilden getooide stamgebieden’, die voortdurend strijd leveren met elkaar. Inzet is het schaarse drinkbaar water, want de stijging van het waterpeil maakt alle water brak. De kerngedachte is de waterkering, stromen die erin slagen opnieuw opwaarts te draaien weg van de zee, maar zo het zout steeds verder landinwaarts drijven. De omkering van de zouthandel die aan de sluis stroomafwaarts ging.

Ransmayr houdt er net als Ballard een volstrekt amorele verwachting op na. Het uiteenvallen van de orde, het verschrompelen van solidariteitsbesef, de versplintering van elke organisatie veranderen de mens. Voor beiden geldt wat Adrian Tait als onafwendbaarheid omschreef: ‘Zij zetten niet alleen onze kwetsbaarheid voor de weerslag van de klimaatwissel in de verf, maar ook de breekbaarheid van persoonlijkheid en eigenheid, de cultus waarrond postmoderne samenlevingen zichzelf onwillekeurig hebben uitgebouwd’.

.
.© GF

Zelfbeschouwing leidt tot vernietiging, die waarschuwing draagt het hele verhaal van de waterbouwkundige ingenieur die door zijn kennis nog redelijk vrij over alle nieuwe grenzen heen kan reizen. Hij was de zoon van de sluismeester en zag het huwelijk van de ouders onherroepelijk uiteendrijven (de moeder heet steevast Jana, en komt uit de streek van Rijeka, dat in de toekomst opnieuw Italiaans bezit van de Stadsstaat Venetië is geworden en zoals onder Gabriele d’Annunzio en het fascisme nu Fiume heet). De Sluismeester zal (ogenschijnlijk) zelfmoord plegen door zich met een platbodemschuit in de Grote Waterval op de Witte Rivier te laten neerstorten, de zoon denkt uit wroeging voor een misdaad die de vader in zijn ogen eerder beging. Het is de openingszin: ‘Mijn vader heeft vijf mensen gedood’. Een onvergeeflijke fout bij het openen van de sluisdeuren is volgens hem met voorbedachten rade gebeurd. Dat waanbeeld krijgt de hele roman door steeds grilliger vormen, een aanwijzing dat de zoon zelf verknipt is. Ransmayr tekent minutieus, in barokke taal Oostenrijks bouwkunst waardig, met bijna Latijnse periodenbouw, de aftakeling van het beoordelingsvermogen uit dat de verteller steeds dieper in zijn verlangens zoekt en verantwoordt.

De omslag gebeurt halfweegs, waar de rivier zich splitst (het ‘Tweestromenland’) en een verlaten rotseiland middenin een ideale schuilplaats biedt voor een geïmproviseerde picknick, het braden van vis, het besef dat de verteller alleen met zijn zus Mira (de wonderbaarlijke) de liefde kan bedrijven – wat één enkele keer gebeurt op haar initiatief. (De wet had door de bevolkingsafname incest gelegaliseerd). Vanaf dat moment zet de obsessie zich om in krankzin. Hij waant zich een Egyptische Farao die met de ‘hoogste koningin’ zal heersen, maar loopt zich te pletter op zijn eigen inzicht: ‘Als stervelingen de loop van de tijd toch probeerden te keren, om tot as vervallen glorie opnieuw te laten opvlammen en daarmee de wetten van de tijd overtraden, veranderden ze in moordenaars. Dan werden troetelnamen vloeken, doodvonnissen zelfs. En water bloed’. Het lot van Mira die aan botziekte lijdt is daarmee getekend.

De verteller zal uiteindelijk op zoek gaan naar Jana, maar kan zelfs dan zijn zinsbegoochelingen niet opgeven. Hij ziet haar van ver, maar zij heeft haar man vergeven, ‘mijn herinnering werkte niet meer’. Dat moet wel slecht aflopen, want hij kan zichzelf niet vergeven en beseft dat ‘onder invloed van de alle tijd en ruimte overheersende zwaartekracht’ alles maar één doel heeft: de zee. Het eindeloos stijgende water, dat vergetelheid en verleden schuimend meesleurt en als een doorzichtige lijkwade bedekt en bewaart. Het reductionisme van Thales van Milete. De stichter van de Ionische monisten zocht naar de ene materiële grondslag van al het bestaande. Aristoteles schrijft in zijn Metafysica (I, iii: 5) dat ‘Thales als vast gegeven water koos (wat meteen verklaart waarom hij stelde dat de aarde op water drijft’ en dat vocht land schept en alles deed groeien. Toegepast op De Sluismeester betekent dat het bankroet van elk geloof of overtuiging: alleen een stoffelijk waarneembaar ding kan de zin uitmaken van wat zich voordoet. Water kan land opbouwen maar evengoed afbreken, en dat is de enige zingeving die alles bepaalt. Natuurfilosofie.

Het failliet van de introspectie en zelfanalyse van de verteller kan, natuurwetenschappelijk gezien, alleen maar tot zelfbedrog en dus zelfvernietiging leiden. Het botst frontaal met zijn werk als ingenieur, als ‘homo faber’. Hij glijdt steeds verder af naar metafysica, en de impliciete afwijzing daarvan door Rainmayr is niet goed gevallen bij Duitse recensenten. De Süddeutsche Zeitung stoort zich aan ‘het hoogdramatische van die bespiegelingen, terwijl ze zodanig theatraal en stijf overkomen alsof de personages op hoge toneellaarzen uit een Griekse tragedie door de tekst schrijden’. De West Deutsche Rundfunk is nog bitser: als de incestscène het dieptepunt van het verhaal is, ‘dan is ze ook het dieptepunt van Rainmayrs oeuvre, die geregeld flirtte met pure kitsch, maar er hier helemaal in verdrinkt’.

Ze hebben ongelijk. Net het rococokarakter, de overdreven verfijning van de al bombastische stijl, het bewust kunstmatig opgedrevene beantwoordt aan de illusie die de mens zich maakt als hij zich niet weet aan te passen aan de wereld die hem vormt, en die, zoals de sterren, neutraal en zonder geheugen is tegenover levende wezens. De mens denkt met schoonheid en valse verfraaiing de wereld naar zijn hand te kunnen zetten. Daar zet Ransmayr ongenadig het mes in. Alleen nuchterheid en zwijgzaamheid (zoals de redelijk despotische vader, de slinkse sluismeester, zich aandient) kunnen de mens met het onontkoombare verzoenen. Al de rest is waardeloos idealisme. Daaraan gaat de mens onherroepelijk mank.

Ransmayr is de Wittgenstein van de ecologische science-fiction, gehuld in de bedrieglijke hermelijnen mantel van wat Oostenrijk eeuwenlang probeerde te zijn en als bluf moest erkennen na de Groote Oorlog. De Sluismeester is fatalistisch, amoreel, zoals andere sombere werken van zijn hand: Strahlender Untergang (1982), Die Schrecken des Eises und der Finsternis (1984), Der Letzte Welt (1988), Morbus Kitahara (1995), Atlas eines ängstlichen Mannes (2012). Maar hij weet zich perfect in de technologische opgeblazenheid van de pseudowetenschap te verdoezelen en zo een ruim publiek te bereiken dat houdt van angst en twijfel, dat zich laat bedriegen door de indrukwekkende ontaal van heel wat populistisch science-fictionwerk. De grootste lof die ik hem kan toezwaaien is deze: Ransmayer is voor het Duitse taalgebied wat J.G. Ballard voor de Angelsaksische wereld is. Een ontmaskeraar.

Christoph Ransmayr, De Sluismeester. Amsterdam, Prometheus 2022, 221 blz.

Partner Content