Boek én expo: eerherstel voor Antwerpse avant-gardist Jozef Peeters

Fantasie IV, 1921. © National
Eric Rinckhout

De naam Jozef Peeters (1895-1960) doet vermoedelijk niet meteen een belletje rinkelen. Toch was hij in de jaren 1920 een gedreven abstract schilder en theoreticus, die een indrukwekkend internationaal netwerk uitbouwde. Een boek en expo herschrijven de geschiedenis van de Antwerpse avant-garde.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Het is vaste prik in de geschiedenislessen: ‘Kort na de Eerste Wereldoorlog was Brussel hét centrum van de avant-garde in België.’ Maar dat klopt helemaal niet, betoogt Peter Pauwels. Antwerpen was – nog vóór Brussel – minstens zo interessant. Pauwels, een gedreven kenner van de modernistische kunst in België, boog zich de voorbije jaren over het werk van Jules Schmalzigaug en Marthe Donas, en stort zich nu op het internationale netwerk van de Antwerpse schilder Jozef Peeters. Een boek en een expo moeten de man de erkenning geven die hem toekomt.

Peeters en Van Ostaijen waren allebei eigengereid, terwijl ze een droomteam hadden kunnen zijn.

‘Al in september 1918, kort voor het einde van de oorlog, werd in Antwerpen de kring Moderne Kunst opgericht door schilder Jozef Peeters en architect Paul Smekens, die in 1926 betrokken was bij de bouw van Huis Guiette, de enige verwezenlijking van Le Corbusier in België’, legt Pauwels uit. ‘Tot die kring behoorden boeiende maar grotendeels vergeten kunstenaars als Jos Léonard, Jan Cockx en Edmond Van Dooren. Later kwamen daar Huib Hoste, Karel Maes en Felix De Boeck nog bij. Hun bedoeling was om vernieuwende kunst te propageren door middel van tentoonstellingen en voordrachten. Zo werd Theo van Doesburg – met Piet Mondriaan hét boegbeeld van De Stijl in Nederland – al in maart 1920 naar Antwerpen gehaald voor een lezing.’

U schrijft dat er vóór en tijdens de oorlog ook een en ander aan de gang is.

Peter J.H. Pauwels: Men beweert altijd dat er tijdens de Eerste Wereldoorlog op kunstgebied in België niets beweegt. Gust De Smet en Frits Van den Berghe zouden het modernisme ontdekt hebben terwijl ze in ballingschap in Nederland woonden. Daar zou alles dan begonnen zijn. Dat is niet waar. In Antwerpen waren Paul van Ostaijen en de gebroeders Oscar en Floris Jespers al volop bezig met kubisme en futurisme. In 1913 kreeg Jozef Peeters de catalogus in handen van een baanbrekende futuristische tentoonstelling, die eerst in Parijs bij Galerie Bernheim-Jeune en daarna in de Londense Sackville Gallery liep. Jules Schmalzigaug (de enige Belgische futuristische schilder, nvdr) noemde die expo toen een ‘krachtige vuistslag tegen alle gangbare ideeën’.

Vanaf 1915 – hij is dan pas 20 – zocht Peeters zijn weg in kubisme en theosofisch symbolisme, gevolgd door stadsgezichten beïnvloed door het futurisme. Iets later zou hij dat futurisme afzweren omdat hij vond dat je beweging niet kon vastleggen in een schilderij. Begin jaren 1920 schreef hij dan ‘weg met de -ismen’, maar dat neemt niet weg dat hij al die -ismen kende en eruit haalde wat hij kon gebruiken. Jozef Peeters was een intellectueel, een kunstenaar die nadacht. Hij volgde niet zomaar wat in de mode was. Dat maakt hem zo boeiend.

Hoe kon Jozef Peeters tijdens de Eerste Wereldoorlog op de hoogte zijn van wat in het buitenland gebeurde?

Pauwels: In tegenstelling tot wat men vaak denkt, kwam er wel informatie uit het buitenland. Der Sturm – hét Duitse avant-gardetijdschrift – lag in de jaren 1916-’17 in de Vlaamse Hogeschool en de Academie in Antwerpen. De kring Moderne kunst was zeer goed op de hoogte van wat er buiten België gebeurde. Zo gaf Jos Léonard in 1917 in Mortsel een lezing over de jongste avant-garde. Een jaar later maakte hij een collage met verwijzingen naar Der Sturm-oprichter Herwarth Walden, Paul Klee, Pablo Picasso en Paul van Ostaijen. Peeters zou pas enkele jaren later persoonlijke contacten met Der Sturm leggen, maar de Antwerpse kunstenaars waren toen al aan het denken over een verandering in de kunst.

Olieverf- schildering 1, 1923
Olieverf- schildering 1, 1923 © National

Wat was de kunstopvatting van Jozef Peeters?

Pauwels: Hij stond voor de abstractie. Hij wilde geen perspectief en geen referenties aan de zichtbare werkelijkheid in zijn schilderijen: de kracht van een werk moest uit de lijnen en de kleuren komen, dat is wat hij ‘zuivere beelding’ noemde. Jozef Peeters was een voorstander van gemeenschapskunst – kunst die voor iedereen toegankelijk was – en wilde een internationaal publiek bereiken. De kunstenaar moest de chaos na de Eerste Wereldoorlog ordenen en de nieuwe kunst moest een nieuwe wereld doen ontstaan. Men mocht zich niet meer bezighouden met de gevoelens van vroeger en zeker niet met nationale gevoelens: de wereldoorlog had getoond waartoe die leidden.

Avant-garde is een vlag die veel ladingen dekt. De modernisten verschilden grondig van mening met elkaar.

Pauwels: Dat is typisch voor de avant-garde: de groepen maken onderling ruzie in plaats van samen te werken. Voor een futiliteit sloegen ze elkaar de kop in. Wat waren uiteindelijk de verschillen? Mondriaan wilde alleen horizontale en verticale lijnen en primaire kleuren, terwijl Peeters vond dat je alle geometrische vormen moest gebruiken, zoals driehoek en cirkel, en de kleuren mocht mengen. Peeters vond de moderne kunst te jong om al te vervallen tot een stelsel: hij noemde dat systeem van Mondriaan ‘het timmeren ener doodskist’ en bestempelde Van Doesburg als de handelsreiziger van De Stijl. Van Doesburg schreef dan weer een gedicht waarin hij Peeters en zijn vrouw belachelijk maakte. Ook met Van Ostaijen klikte het niet: Peeters en Van Ostaijen waren allebei eigengereide en koppige persoonlijkheden, terwijl ze een droomteam hadden kunnen vormen.

Peeters riep zich uit tot absolute leider van de abstracte kunst. Is dat niet vreemd?

Pauwels: De term avant-garde komt uit de militaire terminologie en de typische avant-gardist is dan ook een militair. (lacht) ‘Ik ben een dictator’, zei Peeters vlakaf. In een brief aan architect Huib Hoste schreef hij: ‘Ik ben nu leider van Het Overzicht. ‘ Dat kunsttijdschrift werd opgericht in 1921 door Michel Seuphor, pseudoniem van de Franstalige Antwerpenaar Ferdinand Berckelaers. Peeters zorgde voor een koerswijziging in 1922 en maakte van het blad hét toonaangevende Vlaamse tijdschrift voor abstracte kunst. Maar hij zette Seuphor buitenspel. Bijdragen en omslagontwerpen kwamen van de hand van gerenommeerde kunstenaars zoals Robert Delaunay, Carel Willink, László Moholy-Nagy, Victor Servranckx en Jozef Peeters zelf. Een tijdschrift was voor die avant-gardegroepen de enige manier om hun ideeën te verspreiden. De tentoonstellingen die ze organiseerden, waren klein en niet in de musea. Peeters stuurde Het Overzicht rond in Europa en legde zo persoonlijke contacten.

Abstracte compositie, 1923
Abstracte compositie, 1923 © National

Welke contacten?

Pauwels: In het begin is dat Van Doesburg, met wie hij al snel botst. Uit Nederland komt wel De Stijl-architect J.J.P. Oud in Antwerpen lezingen geven. Daarna is er de briefwisseling met Filippo Marinetti, de leider van de Italiaanse futuristen en dé avant-gardefiguur van het moment. Peeters stuurt aquarellen op, die in het bezit van Marinetti bleven. We tonen ze dit najaar in Antwerpen op een tentoonstelling over de Belgische abstracte avant-garde rond 1920. Vervolgens ontmoet Peeters in Berlijn Herwarth Walden en Adolf Behne, een toonaangevende kunstcriticus, plus kunstenaars als El Lissitzky, László Moholy- Nagy en Carel Willink. Peeters haalt enkele keren de cover van Der Sturm met zijn linosneden. Dat ligt niet voor de hand.

Een belangrijk internationaal succes is de Exposition internationale d’art moderne in december 1920 in Genève, de stad waar de Volkenbond was gevestigd en dus dé plek waar de nieuwe kunst getoond moest worden. Van de kring Moderne kunst exposeerden dertien leden onder wie Peeters zelf, Georges Vantongerloo, Karel Maes, Felix De Boeck en Edmond Van Dooren.

Die avant-garde was geen massabeweging, in tegenstelling tot wat wij soms denken. Het ging overal telkens maar om een handvol kunstenaars en een beperkte kring enthousiastelingen.

Hoe komt het dat Jozef Peeters zo weinig bekend is, in tegenstelling tot de Vlaamse expressionisten?

Pauwels: De gloriejaren van Peeters lopen van 1918 tot 1925. Dan is het gedaan. Achter Het Overzicht zat geen grote machine. Peeters en zijn kompanen hadden geen galerie, geen mecenas en geen kapitaalkrachtige collectioneurs. Geen kunstpaus als Paul-Gustave van Hecke, die de Vlaamse expressionisten steunde.

In 1925 en 1926 werden zijn dochter en zoon geboren. Peeters richtte zich op de opvoeding van zijn kinderen en de zorg voor zijn gezin, wat in de ogen van Paul Joostens ‘ridicuul’ was. Peeters ontwierp speelgoed voor zijn kinderen en zij kregen thuisonderricht. Dat was natuurlijk dramatisch, want die kinderen zagen geen andere kinderen. Maar ze kregen een opleiding tot ‘moderne mensen’.

Abstracte compositie, 1921
Abstracte compositie, 1921 © National

Peeters stopte zelfs met schilderen?

Pauwels: Hij trok zich terug in zijn appartement (op de De Gerlachekaai in Antwerpen, nvdr), dat hij inrichtte als zijn eigen universum. Je kunt het nog altijd bezoeken. Het is schitterend, maar je voelt er ook de beklemming. Zeventien jaar lang heeft Peeters daar zijn zieke vrouw verzorgd. Ze stierf in 1955. Daarna begon hij opnieuw abstract te schilderen. Hij had tussendoor wat figuratieve landschapjes gemaakt om geld te verdienen, een totale verloochening van zijn principes.

In de jaren 1950 is er weer interesse voor de abstracte kunst. Hoe komt dat?

Pauwels: De interesse voor abstracte kunst laait bij ons weer op na New York, met de Amerikaanse abstracte expressionisten, en Parijs, waar Michel Seuphor intussen woont en een actieve rol speelt.

Maar dat in de jaren 1920 een generatie abstracte kunstenaars aan het werk was geweest in Antwerpen en Brussel wisten de jonge kunstenaars niet. De oude generatie was totaal vergeten door de musea, de critici en de collectioneurs.

Brussel wordt dan in de jaren 1950 het nieuwe centrum en kunstenaar Jo Delahaut is de gangmaker. Hij herontdekt Jozef Peeters. Antwerpen krijgt pas eind jaren 1950 opnieuw een cultureel elan. De haven bloeit. Burgemeester Lode Craeybeckx lanceert het Middelheimmuseum en geeft het Hessenhuis aan G58, een groep jonge kunstenaars. Ook die herontdekken Peeters.

In 1959 opent een overzichtstentoonstelling met 130 werken van twintig kunstenaars uit het interbellum: De eerste abstrakten in België. Hulde aan de pioniers met werk van Peeters, Marthe Donas, Léonard, Servranckx, Van Dooren en Pierre-Louis Flouquet. Het is een eerherstel voor Peeters: hij is de ster met de grootste werken. Peeters en Seuphor ontmoeten elkaar en verzoenen zich. Maar ook dan houden de grote musea zich afzijdig. Peeters blijft wel schilderen. Hij wordt onwel aan zijn schildersezel op 1 september 1960. Negen dagen later is hij dood.

Peter J.H. Pauwels , Jozef Peeters en de strijd tegen de tingeltangel, Ludion, 496 blz., 60 euro

Expo Jozef Peeters en de Belgische avant-garde rond 1920 tot 31/03 in Fibac, Jozef Wautersstraat 21, Berchem. Rondleidingen: jozefpeeters.fibac@gmail.com

Jozef Peeters

1895: geboren in Antwerpen.

Studeert aan de Antwerpse Academie

1918: sticht de kring Moderne Kunst

1922: organiseert Tweede Kongres voor Moderne Kunst in Antwerpen

1922: neemt de leiding van tijdschrift Het Overzicht over van Michel Seuphor

1925: trekt zich terug en wordt huisman

1954: wordt herontdekt door Jo Delahaut. Expo Les premiers abstraits belges in Brussel

1959: groot overzicht De eerste abstrakten in België in Hessenhuis, Antwerpen

1960: overlijdt in Antwerpen

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content