Critici die over kunstenaars schrijven moeten opletten dat ze genoeg afstand nemen van de betrokken personen en een onderscheid maken tussen hun persoonlijke relatie en het werk. Dat is uiteraard niet altijd even gemakkelijk want het kritisch benaderen van de prestaties van een gewaardeerd persoon vergt afstand en een zekere onafhankelijkheid. Wanneer nu een bekend museumdirecteur zich waagt aan kunstkritiek wordt zijn dubbele positie hachelijk.
...

Critici die over kunstenaars schrijven moeten opletten dat ze genoeg afstand nemen van de betrokken personen en een onderscheid maken tussen hun persoonlijke relatie en het werk. Dat is uiteraard niet altijd even gemakkelijk want het kritisch benaderen van de prestaties van een gewaardeerd persoon vergt afstand en een zekere onafhankelijkheid. Wanneer nu een bekend museumdirecteur zich waagt aan kunstkritiek wordt zijn dubbele positie hachelijk. De directeur van het Gentse S.M.A.K. heeft er zich aan gewaagd en in een recent gepubliceerd boek "Brieven aan Kunstenaars" heeft hij het werk van een groot aantal beeldende kunstenaars geanalyseerd, door de mangel van zijn ervaring gehaald en ze in zijn persoonlijke benadering te kijk gezet. Het is evident dat een museumdirecteur een visie heeft op de hedendaagse kunst, het is zijn vak en het maakt deel uit van zijn opdracht om keuzes te maken binnen zijn tentoonstellingsbeleid. Philippe Van Cauteren (1966) is dus de directeur van het SMAK en de onrechtstreekse opvolger van de flamboyante Jan Hoet. Van Cauteren is even flamboyant maar op een andere manier. Impulsief is hij ook maar op een meer onderbouwde manier dan Hoet. Hij heeft ook andere ervaringen want hij leidt niet alleen zijn museum op een heel persoonlijke manier maar laat zich ook gelden als curator in vele buitenlandse regionen. Hij werkte o.a. in Chili, Brazilië, Mexico en Duitsland en was op de Biënnale van Venetië in 2015 curator van het Iraakse paviljoen. Twee jaar later werd hij curator van de Triënnale in Kathmandu, het eerste internationaal platform voor hedendaagse kunst in Nepal. Die zijsprongen hebben hem inzicht gegeven in verscheidene culturen en hun relatie tot de hedendaagse kunst binnen een mondiaal perspectief. Dat is ook te merken in de programmatie van zijn thuismuseum waar hij Europese naast allochtone kunstenaars toont.Van Cauteren heeft dus een wereldwijde blik die hem toelaat om analyses te maken die nationale tradities overstijgen en die hem ook verbanden laat leggen die niet schatplichtig zijn aan enge grenzen. Zijn kijk op de actuele kunst en de bedrijvers er van is derhalve wat breder dan we gewoon zijn van de modale criticus. Bovendien is hij een erudiet die behoudens de beeldende kunst ook andere artistieke disciplines kent. En hij is ook niet wars om zijn oordelen te kruiden met filosofische randbemerkingen. So far so good.Maar er zijn ook bedenkingen zoals de keuze van de kunstenaars en de subjectieve betekenis die ze voor de auteur hadden. Soms zijn ze een alibi om bepaalde persoonlijke inzichten te verklaren of te verhelderen, soms zijn het echte kritische teksten die nogal eens van een brede perifere aanzet tot een korte slotconclusie komen. De kunstenaars die werden uitgekozen waren vrijwel allemaal te gast in het S.M.A.K. en vele teksten maken deel uit van de toen gepubliceerde catalogus. Het zijn gelegenheidsteksten die gaan over het werk dat toen getoond werd en waarvan er in het boek telkens een wordt afgedrukt. Het zijn momentopnamen van een oeuvre dat tijdens de expositie werd getoond. Dat doen de critici ook. Ze schrijven over wat ze hebben gezien. Maar Van Cauteren had toen een geprivilegieerde positie want hij had uiteraard langer of korter met de kunstenaar contact gehad, had met hem/haar keuzes gemaakt en was zo geïntroduceerd in het oeuvre. Het was dus niet moeilijk om dieper te kunnen ingaan op zijn/haar betrachtingen. Daar heeft hij dankbaar gebruik van gemaakt om tot analyses te komen die hout snijden al zijn die soms wat te algemeen maar altijd intellectueel te verdedigen. Enkele brieven hebben een aparte bedoeling zoals die aan ene Lizzy Pauwels, kunstcritica, en die als een vervolg moeten worden beschouwd op uitspraken die de auteur deed in een radioprogramma en die door Pauwels in vraag gesteld werden. Het ging over tekeningen die hij in het noorden van Irak verzameld had en uitdrukkelijk geen kunst had genoemd maar ze evenwel integreerde in de tentoonstelling die hij cureerde voor het Iraakse paviljoen op de Biënnale van Venetië in 2015. Het is een geladen oratio pro domo geworden die de menselijke kant van de auteur en curator duidelijk stelt.Ontroerende brieven zijn gericht aan de te jong overleden collega-directeur van het Gentse Museum voor Schone Kunsten, Robert Hoozee en aan zijn voorganger Jan Hoet. In een eerste brief van drie, die ook als een inleiding tot het boek kan beschouwd worden, houdt Van Cauteren een sterk pleidooi voor de bouw van een nieuw museum. Het was ook de droomwens van Hoet. Met sterke argumenten toont hij aan dat de collectie in het huidige gebouw nooit in haar geheel kan getoond worden en dat die in feite de sleutel is van de deur die werken van een tijdelijke tentoonstelling moet openen. Het is een sterke reeks standpunten die het stadsbestuur zou moeten kunnen overtuigen. Vraag is of ze die beslissing durft nemen om, zoals de recente stadsbibliotheek aan de Krook, een ander architecturaal landmark te realiseren die Gent op een hoger cultureel te tillen.