Fijn u terug te zien. We hebben elkaar al eens ontmoet, een aantal jaren geleden.'
...

Fijn u terug te zien. We hebben elkaar al eens ontmoet, een aantal jaren geleden.' 'Ja? Was ik dronken?' 'Niet dat ik weet. Ik mocht uw man, Irvine Welsh, live interviewen in de Bozar. We zijn vooraf iets gaan eten in een restaurant. Er was wijn, zeker, maar het was niet baldadig.' 'Dat was ik niet. Dat was zijn ex-vrouw.' 'O fuck.' Over pijnlijke stiltes gesproken. Terwijl ik de scherven van mijn zelfvertrouwen bijeenveeg en wacht tot het schaamrood van mijn wangen is verdwenen, moet ik aan Louise denken. Zij is het hoofdpersonage in Wat jij niet ziet, de thriller die zonder al te groot promotiebudget uitgegroeid is tot dé bestseller van de zomer. Het boek voert al weken de top tien aan, en Pinborough laat met gemak andere thrillersterren als Paula Hawkins en Karin Slaughter achter zich. Faut le faire, zeker met een thriller die niet beantwoordt aan het verwachtingspatroon van de strandlezer. Wat jij niet ziet begint zelfs redelijk banaal. Louise ontmoet op een vrijdagavond een knappe kerel in de pub en na een paar drankjes slaan ze aan het zoenen. Best bevrijdend voor Louise, die een moeilijke scheiding achter de rug heeft - haar ex-man heeft zich tot de herenliefde bekeerd - en alleen een zoontje moet opvoeden. Aan daten is ze nog niet toe, maar lekker kussen met een mooie man is al een kleine overwinning. Na de kleine weekendkater volgt de grote maandagkater, want wanneer haar nieuwe baas David de kantoorvloer betreedt, blijkt de herkenning net iets te groot. Haar baas annex pubverovering komt niet alleen binnen: in zijn kielzog dartelt zijn trofeevrouw mee, de wondermooie Adele, die ook nog eens de hartelijkheid zelve blijkt te zijn. Na een paar pagina's pijnlijke stiltes, gestamel en excuses - die zoen was een slip of the tongue, mag nooit meer gebeuren - strijken Louise en David de professionele plooien glad, en Louise sluit zelfs vriendschap met Adele. Oké, die kus knaagt, maar Adele kan blijkbaar wel een vriendin gebruiken, want haar huwelijk met David vertoont enkele griezelige barstjes: Adele mag het huis niet uit zonder Davids toestemming en hij houdt net iets te veel van de fles. Louise observeert het koppel. Er zit duidelijk iets scheef, maar wat precies? Waarom beweert David dat hij diegene is die gevangen wordt gehouden? En hoe komt het dat Adele zo akelig precies weet wat Louise allemaal uitspookt? Wat volgt, is een wurgend spannend boek dat ontsnapt aan alle thrillerclichés. Wat jij niet ziet raakt aan hedendaagse thema's als psychisch partnergeweld en genderfluïditeit, en heeft een einde dat zelfs zijn eigen twitterhashtag heeft meegekregen: #WTFthathending, waarmee lezers verwoede onlinedebatten voeren over hoe de plot in elkaar zit. Sarah Pinborough zit me met een sceptisch lachje aan te kijken, wachtend tot ik mijn moed weer heb bijeengeschraapt. Een slokje water, en dan nog een, en dan moet het maar. SARAH PINBOROUGH: Wat ik zeker níét wilde doen, was de zoveelste politiethriller schrijven. Je weet wel: een klein stadje, een tweetal lijken, een misantrope rechercheur met een drankprobleem, een knappe vrouwelijke brigadier die haar mannetje moet staan in een machowereld, een handvol verdachten en een rancuneuze butler. Daar zijn er in Engeland al genoeg van geschreven, en er zit vaak knap werk tussen, maar ik was gecharmeerd geraakt door schrijfsters als Paula Hawkins en Gillian Flynn van Gone Girl. Claustrofobische boeken die zich in gewone gezinnen afspelen, het geheime drama achter nette gevels - dat boeide me. Mijn uitgever had me al aangemaand om nieuw werk te pitchen, maar ik kon simpelweg geen goede invalshoek bedenken. Ja, iets over een huwelijk, maar verder? Dus ben ik naar de kroeg gegaan en heb mezelf een paar glazen witte wijn getrakteerd. Zoals je weet, krijg je als vrouw alleen in een bar snel het gezelschap van attente mannen die met plezier je drankje betalen in ruil voor, wel, aandacht. (glimlacht ironisch) Die halfslachtige versierpogingen, hoe banaal ook, leverden me meteen het einde van het boek op. Daarna hoefde ik alleen nog terug te werken naar het begin. PINBOROUGH: Dat ga ik niet aan je neus hangen. Het is een heel exclusieve bar in West-Londen, met een gastenlijst, bijna de club van een geheim genootschap waarin allerlei kinky dingen gebeuren die het daglicht niet kunnen verdragen. Je begrijpt dat ik discreet moet zijn. (knipoogt) Nu, ik snap je punt: het einde lijkt inderdaad ingegeven door de betere verdovende middelen. Wel, ik ben gefascineerd door dromen, ook een vorm van hallucineren. Het is een prachtig gegeven voor een schrijver: terwijl je willoos in bed ligt, leef je een volledig ander leven, zonder dat je rekening hoeft te houden met beperkingen als zwaartekracht of geloofwaardigheid. Je brein gaat volledig los. Ik ben er dol op - zelfs de nachtmerries vind ik fantastisch. Ik ben zo iemand die kan wakker worden uit een droom, weer kan inslapen en de draad van de droom gewoon weer kan oppikken. Ik ben veel heroïscher in mijn dromen dan in de werkelijkheid, en ik loop veel meer, helaas zonder resultaat. (grijpt naar onbestaande lovehandles)PINBOROUGH: Nee, ben je gek? Iedereen bij de uitgeverij was er wild van. Op kantoor zat de hele redactie tips uit te wisselen om die lucide droomtoestand te bereiken. Maar die technieken heb ik gewoon verzonnen. Ik ben een schrijver, ik zuig dat toch allemaal uit mijn duim? Misschien dat je met de juiste meditatie invloed kunt uitoefenen op je dromen, maar daar mankeer ik de discipline voor. Ooit zat ik in een hippiekolonie op Marbella - je weet wel, je bent jong, je zoekt jezelf, rookt te veel wiet -, en daar beweerde een man dat hij zijn lichaam kon verlaten via astrale projectie. Dat leek me ronduit griezelig. Want als je je lichaam verlaat, wat blijft er dan achter? Een lege huls. Ik mag er niet aan denken. PINBOROUGH: Willen we dat tegenwoordig niet allemaal? Helaas is dat het gevolg van sociale media. De opgefokte gelukscultuur is nefast voor ons zelfbeeld. Elke feed staat vol foto's die het opperste geluk tonen: fantastische reiskiekjes, foto's van perfecte maaltijden, grappige huisdieren, stralende koppels - niemand etaleert zijn ellende online. Tuurlijk gaat je eigenwaarde zo naar de knoppen, want jouw leven bestaat uit vuile vaat, rondslingerende onderbroeken, een vriendje dat snurkt of nooit belt, dode ouders en honden die liever binnenshuis hun gevoeg doen. Daarnaast zijn we het slachtoffer van de consumptiemaatschappij geworden. Een wegwerpmaatschappij eigenlijk: een boek kost twee pond, Primarkkledij gaat een maand mee, smartphones worden elk jaar vervangen. We kopen en gooien weg, alles kan meteen vervangen worden. We leven op krediet, hoeven niet meer te sparen om degelijke spullen te kopen. We zijn ook een x-factorgeneratie: iedereen wil zijn vijftien minuten roem, alsof we er recht op hebben. Ik wil ook een ster zijn, maakt niet uit of ik talent heb, want kijk, die slome buurjongen staat ook in de krant. Gewoon je simpele zelf zijn is een taboe geworden. PINBOROUGH: Dat zou ik niet durven te zeggen. Ik heb veel vrienden die heel hard werken, om hun gezin te onderhouden, om de hypotheek af te lossen, om simpelweg hun hoofd boven water te houden. Maar ik vrees dat we te veel van het leven verwachten. We geloven in het reclamesprookje dat iedereen rijk en beroemd kan worden mits je het juiste parfum koopt. PINBOROUGH: Ik vrees van wel. Omdat we zo snel ongelukkig zijn, omdat we ons leven ten onrechte vergelijken met gestileerde beelden van filmsterrelaties, gaan we sneller op zoek naar een nog betere partner, in plaats van te werken aan onze relaties. Ook dat is makkelijker geworden. Vroeger was er natuurlijk ook verleiding: je ging naar een congres, kwam een mooie man tegen, maar het was moeilijker om dat contact uit te diepen. Na een onschuldige flirt ging je gewoon terug naar huis, naar je echtgenoot. Nu word je vrienden met hem op Facebook, en wat blijkt: hij heeft een groter huis, een duurdere auto, wittere tanden - toch als je de foto's gelooft. Een muisklik verder en je zit te chatten. Je hoeft niet meer bang te zijn dat de huistelefoon overgaat en je man opneemt. Eigenlijk moeten we opnieuw leren om te flirten met onze partners, in het echte leven, in plaats van dat valse schermleventje - O, kijk wie we hier hebben, speak of the devil! Irvine Welsh himself, de Schotse schrijver die wereldberoemd werd met zijn in heroïne gedrenkte cultboek Trainspotting, wandelt de hotellobby binnen. Joy Division-T-shirt om het torso én een zonnebril op de neus, hoewel het niet meteen een stralende dag is - we zullen het maar op de jetlag afschuiven. Hij zoent zijn nieuwe liefde op het voorhoofd, brabbelt iets in het Schots en drukt me de hand. 'Ja, ik herinner me jou. Andere tijden. Alles goed?' We keuvelen wat, waarbij we ons best doen om het onderwerp 'andere tijden' te omzeilen. Daarna richt hij zich tot zijn vriendin: 'We moeten vanavond gaan eten met de uitgever. A fancy place. Hoe heet het weer? The Jane?' Pinborough: Ken ik niet. Jij? PINBOROUGH: Lekker? WELSH: Ik hoop het voor hem. Moet ik een smoking dragen? WELSH: Rock-'n-roll, dus? Klinkt goed. Welsh geeft Pinborough nog een pakketje gewikkeld in aluminiumfolie - 'Je moet eten, schat' - en trekt zich dan terug, naar eigen zeggen om snel een dutje te doen voor het feestmaal. Terwijl Pinborough op een broodje kauwt, wil ik weten waarom ze een vrouwelijke protagonist koos. PINBOROUGH: Daarin volg ik wel de trend in thrillerland. Ik had ook David als hoofdverteller kunnen nemen, maar Louise beviel me beter, gewoon omdat vrouwen nieuwsgieriger zijn en je zo makkelijker een verhaal kunt laten ontspinnen. Cliché? Ik kan maar uit mijn eigen ervaring spreken. Vrouwen beloeren elkaar constant, al van jongs af aan spiegelen ze zich aan elkaar: wat heeft zij aan, welke lippenstift is dat, wie is die man aan haar arm? Voorbeeldje: als een vrouw bedrogen wordt, wil zij alles weten over die minnares, hoe ze eruitziet, wat ze draagt. Een man wiens echtgenote een slippertje maakt, is nauwelijks geïnteresseerd in die andere kerel. Vrouwen gaan alvast niet samen zitten huilen met vriendinnen terwijl ze uitgebreid foto's bekijken van haar ongetwijfeld hoerige concurrente. Vrouwen zijn elkaars rivalen - of we worden zo opgevoed, dat kan ook. Onze maatschappelijke rechten zijn amper honderd jaar oud. Als we vroeger iets wilden bereiken, dan moest dat via de man gebeuren, wat gepaard ging met manipulatie en een bittere concurrentiestrijd om de ideale echtgenoot te vinden. Vrouwen zijn altijd elkaars vijanden geweest, in plaats van elkaar bij te staan. Dat zie je ook in het feministische debat: vrouwen zitten onder elkaar ruzie te maken over een of andere term, terwijl ze zouden moeten samenspannen om het patriarchaat omver te werpen. Maar nee, ze vitten over een woordje. PINBOROUGH: Er zijn wel een aantal zaken waar ik de voordelen van inzie: geen pijnlijke regels, geen angst op ongewenste zwangerschap, beter loon, niet hoeven aan te schuiven bij het toilet. Maar mannen hebben het ook niet makkelijk: de prestatiedruk is belachelijk hoog en je wordt niet geacht je gevoelens te uiten - daar zou ik het moeilijk mee hebben, eens goed uithuilen kan zoveel deugd doen. Dat is een beetje de blind spot van het feminisme, iets wat moeilijk verholpen kan worden, het ligt nu eenmaal aan het vrouwelijke perspectief, net zoals mannen omgekeerd vaak blind zijn voor het onrecht dat vrouwen wordt aangedaan. Wederzijdse empathie is een mooi ideaal, maar je moet echt in een ander lijf zitten om dat te kunnen ervaren. Misschien kan dat in de toekomst. Dat zou een mooie uitvinding zijn.