De toekomst begint als herinnering

Ik herinner me niet meer hoe ik het werk van de Amerikaanse prozaschrijver, essayist en academicus Siri Hustvedt ontdekte, maar wat me helder bijstaat is het gevoel van intellectuele bevrijding dat me overviel toen ik haar voor het eerst las. Eindelijk had ik een auteur gevonden die even complexloos als erudiet tussen de alfa-, bèta- en gammawetenschappen beweegt. Iemand die zich bewust weet van de kennistheoretische problemen van de interdisciplinariteit en er toch over durft na te denken. Iemand die moeiteloos schakelt tussen de talige registers van verschillende wetenschapsculturen. Een literator zo belezen in de geschiedenis van de filosofie dat ze op academische conferenties over het werk van Kierkegaard en William James en anderen als keynote speaker wordt uitgenodigd. Een feminist, die de doodgezwegen filosofische botsing tussen Descartes en Margaret Cavendish in het voordeel van de vrouw herschreef in The Blazing World (2014) (De vlammende wereld). Een denker die de intellectuele bravoure van een Susan Sontag weet te combineren met het geduld en de mildheid van iemand die de ander in de eerste plaats wil begrijpen.

Ik zwijmelde en stortte me op haar oeuvre met de honger van een jonge bekeerling. Ik was mezelf nog aan het volproppen toen Hustvedt vorig jaar een nieuw boek toevoegde aan dat oeuvre: Memories of the Future, door Caroline Meijer en Jeske van der Velden vertaald als Herinneringen aan de toekomst. Het boek is in ons taalgebied ontvangen als een autobiografische roman, en afhankelijk van de mening van de recensent ten aanzien van vermeende literaire navelstaarderij resulteerde dat in twee tot vijf sterren. Ik wil in deze bespreking graag laten zien dat de filosofische en literatuurtheoretische ambities van Herinneringen veel verder reiken dan een autobiografische lezing toelaat. Het boek is een metaroman die met neurowetenschappelijke kennis over het geheugen het genre van de memoir nieuw leven inblaast.

Geen autobiografie

Dat het boek vooral autobiografisch wordt gelezen is niet zo verwonderlijk. Die leeshouding zal deels zijn ingegeven door de myopie van de personencultus in de literatuur, voor Nederland treffend beschreven door Sander Bax in De literatuur draait door (2019). Toch zijn in het boek wel degelijk heel wat biografische elementen te vinden. Herinneringen bevat drie door elkaar heen gevlochten narratieven: er is een raamvertelling waarin de eenenzestigjarige SH, een gerespecteerd auteur, naar aanleiding van het herontdekken van oude dagboeknotities terugblikt op haar leven in New York. Er is het dagboek van de drieëntwintigjarige SH, die graag schrijver wil worden, waarop de oudere SH in het boek reflecteert. Het derde narratief is de onafgewerkte roman van de jonge SH, waarin het personage Ian Feathers zich een jonge Sherlock Holmes waant. Zoals vaker thematiseert Hustvedt hier de beweging, die ze zelf ook maakte, van het plattelandse Minnesota naar het New York van de jaren tachtig, en besteedt ze aandacht aan sociale, culturele en economische (im)mobiliteit en de dynamieken van haar intellectuele en artistieke vriendschappen. De meest voorkomende zinsnede in het boek is wellicht het 'ik herinner me' van de oudere SH, die de lezer niet alleen terugvoert naar New York maar ook naar het Minnesota van haar jeugd, die sterke overeenkomsten vertoont met de jeugd die Hustvedt in autobiografische essays beschrijft.

Herinneringen vormt in Hustvedts oeuvre dus geen uitzondering; de grens tussen leven en werk is nergens in haar boeken aan te wijzen. In The Delusions of Certainty (2017), voor mij het hoogtepunt van haar essayistische werk, ontmaskert ze die grens dan ook als modernistische fictie. Ze traceert de bestaansvoorwaarden ervan tot het cartesiaanse dualisme tussen lichaam en geest, want de tekst als autonome entiteit kan alleen bestaan als het product van een lichaamloze geest die boven de tastbare werkelijkheid zweeft.

Om maar te zeggen: een genuanceerde autobiografische lezing is voor Hustvedt een open deur, een given, een elementair deel van haar literaire denken. Ze richt zich in Herinneringen dan ook regelmatig tot de lezer aan wie deze nuance niet is besteed, eerst waarschuwend ('Ben jij een van die lezers die genoegen scheppen in memoires vol onmogelijk gedetailleerde herinneringen, dan heb ik een nieuwtje voor je: vertrouw nooit een auteur die beweert dat de opgebakken piepers van meer dan een kwarteeuw geleden hem of haar nog levendig voor ogen staan.'), daarna minder vergevend ('[Ian Feathers] behoorde niet tot de naïevelingen die bij hoog en laag beweerden dat S.H. ooit daadwerkelijk had bestaan.') De ambities van Herinneringen reiken dan ook veel verder dan het bedrijven van autofictie of confessieliteratuur. Hustvedt zet SH, de jonge SH, Ian Feathers en enkele personages die in het boek 'Standard Hero' worden genoemd (in het Nederlands een beetje ongelukkig als 'Doorsnee Held' vertaald) in als instrumenten om na te denken over de complexe manier waarop het herinneren, het verbeelden, het lezen en het schrijven met elkaar zijn verknoopt.

De Bezige Bij
© De Bezige Bij

De neurowetenschap van het geheugen

Waarom hebben we een geheugen? Het voor de hand liggende antwoord, dat het geheugen er is om het verleden te onthouden, schiet duidelijk tekort. We vergeten veel meer dan we ons herinneren en iedereen die met een vriend of geliefde wel eens een gedeelde ervaring heeft proberen te reconstrueren, weet dat je vroeg of laat op tegenstrijdigheden botst. Een in de literatuur over het geheugen dominante verklaring is die van de Estisch-Canadese psycholoog en cognitiewetenschapper Endel Tulving, die stelt dat ons geheugen de evolutionair verworven functie heeft om op basis van het verleden projecties te maken in de toekomst die ons moeten helpen te overleven, met ervaringen van intense angst en plezier als katalysatoren van het onthouden. Het geheugen laat zich volgens deze hypothese begrijpen als een instrument van onze verbeelding. Bedenk daarbij dat een van de basiswetten uit de neurowetenschap luidt dat 'neurons that fire together wire together' (beter bekend als 'Hebb's rule') en je komt tot de conclusie dat herinneren, verbeelden en schrijven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hustvedt noemt Tulving en Hebb nergens in Herinneringen bij naam, maar de roman zinspeelt op hun ideeën en omarmt de consequenties ervan in die mate dat ze niet te negeren zijn:

We mogen niet vergeten dat een herinnering zich altijd in het heden afspeelt. We mogen niet vergeten dat telkens wanneer we een herinnering oproepen, die aan verandering onderhevig is, maar we mogen ook niet vergeten dat er in het kielzog van die veranderingen waarheden kunnen komen bovendrijven.

En:

Iedereen zeult zijn verleden met zich mee naar een stoel en gaat naast iemand zitten die haar verleden ook bij zich heeft - moeders en vaders en tantes en ooms en vrienden en vijanden en geboorteplaatsen en wegen en brievenbussen en straten en etentjes en wolkenkrabbers en bushaltes zijn allemaal aanwezig in de gebeurtenissen die hem of haar zijn bijgebleven omdat ze pijn of plezier of angst of schaamte veroorzaken.

Ook de titel van het boek laat zich in dit licht beter begrijpen: in neurobiologische zin is het inderdaad zo dat (als de hypothese klopt) we ons de toekomst herinneren wanneer we die verbeelden. De toekomst begint als herinnering.

Al schrijvend werd ik geschreven

De implicatie van dit alles voor de literatuur is dat de categorie van het autobiografische schrijven vervalt als genre dat aanspraak maakt op het representeren van een werkelijkheid. Elke amateurpsycholoog zal natuurlijk kunnen uitleggen dat wat mensen over zichzelf schrijven vervormd wordt in de spiegeltent van het ego, en een beetje literatuurwetenschapper heeft inmiddels de woorden intentional fallacy op de lippen klaarliggen, maar volgens mij is hier meer aan de hand. Als we bovenstaande inzichten uit de neurowetenschap volgen, dan kan de memoir geen representatie zijn van een subjectief beleefde innerlijkheid. De relatie tussen auteur en tekst valt niet te schematiseren als scribent - recipiënt. De auteur is zelf ook recipiënt, van de taal, uiteraard, maar op een zichzelf voortdurend herhalende manierook van het eigen schrijfproces. 'Al schrijvend werd ik geschreven,' aldus SH op de eerste pagina van het boek. De schrijver schrijft zichzelf. Uit haar tokkelende vingers schiet aan deze zijde een tekst terwijl aan gene zijde een neuraal vuurwerk de hersenpan in knalt en daar blijvende sporen achterlaat.

Wat mij betreft blaast dit inzicht nieuw leven in het eerder belegen genre van de memoir. Het is niet langer een vorm waarin een reeks herinneringen wordt gerepresenteerd en met elkaar in causaal verband wordt gebracht, maar een genre dat toelaat de neurobiologische functies van het herinneren op een doel te richten en met genreconventies enigszins naar de hand te zetten. Dit is precies wat Hustvedt in Herinneringen doet: ze herschrijft haar eigen geheugen en daarmee ook haar verbeeldingskracht. Nu is dit natuurlijk het superlatief van navelstaarderigheid (een auteur die over zichzelf schrijft om zichzelf te schrijven!?), maar Hustvedt is nog niet klaar. Ze gaat nog één stap verder: de wereld in.

We weten intussen dat de neurobiologie het alvast aannemelijk maakt dat het geheugen een centrale rol speelt bij het verbeelden. Tijdens het leven zet de ervaring in het brein een neuraal sediment af, dat steeds door nieuwe golven van ervaring kan worden gewijzigd. De verbeeldingsconstructies die ons voor de ogen dansen wanneer we lezen en schrijven, worden hier mede door bepaald. Het verbeelden-herinneren (ik neem ze vanaf nu samen omdat ze volgens deze redenering niet uit elkaar te halen zijn) bevat met andere woorden het potentieel om de ficties waar wij allen naar leven te herschrijven.

Herinneringen is één groot experiment met dit hercontextualiserende potentieel van de roman. Een voorbeeld: in het boek maakt de jonge SH seksueel geweld mee, in de vorm van een bijna-verkrachting (ze wordt op het nippertje door haar buurvrouw gered). Vervolgens gaat de jonge SH de aanranding verwerken in de roman die ze aan het schrijven is, onder meer door een personage in het kruis van de handtastelijke lokale quarterback te laten trappen. De oudere SH in de raamvertelling worstelt nog steeds met het trauma van haar jongere zelf en onderzoekt de manieren waarop ze zich dit verleden kan herinneren. Hier ergens bevindt zich ook de auteur Hustvedt, niet als een almachtige poppenspeler, maar als een schrijver die zich gewillig door haar eigen verhalen laat herschrijven. Ik, als lezer, beleef dit alles in de onaanwijsbare ruimte die mijn verbeelding is. Ik herbeleef herinneringen aan die keren dat ik zelf ben aangerand. Ik stop met lezen en leg het boek weg, neem het boek opnieuw vast en lees verder. De Siri die ik me verbeeld, leidt me door mijn eigen trauma. Een vuurwerk in mijn hoofd. Verbeelding schrijft herinnering schrijft verbeelding schrijft toekomst.

Het verhaal van Ian Feathers, het verhaal van de jonge SH, het verhaal van de oude SH, het verhaal van de auteur Hustvedt, het verhaal van de lezer Mathijs Tratsaert: ze hercontextualiseren elkaar. Dat het ene verhaal meer op het leven van de auteur Hustvedt parasiteert dan het andere is uiteindelijk weinig relevant. De ficties van het verhaal en de ficties van de herinnering hebben in onze verbeelding hetzelfde toekomstpotentieel en lopen in elkaar over. Bovarisme, hoor ik denken, quichotterie. Ja, zegt SH volmondig, ik ben Donna Quichot.

In de ander ingebed

De stap naar de ander en de wereld is intussen gezet. De Amerikaanse schrijver John Cheever zei het zo mooi: 'I can't write without a reader. It's precisely like a kiss - you can't do it alone.' Verhalen zijn per definitie intersubjectief. We delen de taal, we delen in een collectieve verbeelding, we delen het herinneren en het vergeten dat onze verhalen vormt. Hustvedt herhaalt het in het boek haast ad nauseam: het ene verhaal wordt een ander verhaal, wordt een ander verhaal, wordt een ander verhaal. Het herinneren informeert het verbeelden, de verbeelding verbeeldt de toekomst, de toekomst wordt het heden van de ander dat op zijn beurt herinnerd wordt. Al dat verbeelden-herinneren samen vormt het collectieve verbeelden-herinneren, dat zich laat begrijpen als het mogelijke. Wat geldt voor het herinneren-verbeelden geldt evenzeer voor het vergeten-verbeelden, dat tot het onmogelijke veroordeelt. Hustvedt: 'We vergeten zoveel. Een studie in westers geheugenverlies gaat over de vergetenen, de uit-het-verhaal-verdrongenen, de verstomden, de verstikten, de verkrachten, de geslagenen, de vermoorden.'

Er is nog veel meer dat Herinneringen lezenswaardig maakt. Zo wordt de vloer geveegd met zowel kunstenaar Marcel Duchamp als literatuurtheoreticus Paul de Man, is er wederkerige intertekstuele dialoog met Chris Kraus' I Love Dick (1997), raakt de jonge SH bevriend met een groepje heksen, zijn in het boek illustraties van Hustvedt te vinden en lanceert ze de dichter-dadaïst Elsa von Freytag-Loringhofen als nieuwste IT-girl van de Europese intellectuele geschiedenis.

Het was misschien wel de blinde vlek van de moderniteit, met haar obsessie met verandering en toekomst, om in het denken over eigentijdse verhalen zo weinig aandacht te besteden aan het geheugen en het herinneren. Ironisch, want wat Siri Hustvedt met Herinneringen aan de toekomst laat zien, is dat de toekomst en het verleden een valse tegenstelling vormen voor de in ficties ingebedde neurobiologische wezens die we zijn. Als we ons een toekomst willen kunnen verbeelden, dan moeten we het verleden omarmen en het steeds opnieuw schrijven, steeds opnieuw herinneren, steeds zorgen dat het ene verhaal het andere kan worden. Ja, deze jongen zwijmelt nog wel even verder.

Mathijs Tratsaert

Siri Hustvedt, Herinneringen aan de toekomst (vert. Caroline Meijer en Jeske van der Velden), 2019, De Bezige Bij. 414 p. / ISBN 978 94 031 4990 5

De toekomst begint als herinneringIk herinner me niet meer hoe ik het werk van de Amerikaanse prozaschrijver, essayist en academicus Siri Hustvedt ontdekte, maar wat me helder bijstaat is het gevoel van intellectuele bevrijding dat me overviel toen ik haar voor het eerst las. Eindelijk had ik een auteur gevonden die even complexloos als erudiet tussen de alfa-, bèta- en gammawetenschappen beweegt. Iemand die zich bewust weet van de kennistheoretische problemen van de interdisciplinariteit en er toch over durft na te denken. Iemand die moeiteloos schakelt tussen de talige registers van verschillende wetenschapsculturen. Een literator zo belezen in de geschiedenis van de filosofie dat ze op academische conferenties over het werk van Kierkegaard en William James en anderen als keynote speaker wordt uitgenodigd. Een feminist, die de doodgezwegen filosofische botsing tussen Descartes en Margaret Cavendish in het voordeel van de vrouw herschreef in The Blazing World (2014) (De vlammende wereld). Een denker die de intellectuele bravoure van een Susan Sontag weet te combineren met het geduld en de mildheid van iemand die de ander in de eerste plaats wil begrijpen. Ik zwijmelde en stortte me op haar oeuvre met de honger van een jonge bekeerling. Ik was mezelf nog aan het volproppen toen Hustvedt vorig jaar een nieuw boek toevoegde aan dat oeuvre: Memories of the Future, door Caroline Meijer en Jeske van der Velden vertaald als Herinneringen aan de toekomst. Het boek is in ons taalgebied ontvangen als een autobiografische roman, en afhankelijk van de mening van de recensent ten aanzien van vermeende literaire navelstaarderij resulteerde dat in twee tot vijf sterren. Ik wil in deze bespreking graag laten zien dat de filosofische en literatuurtheoretische ambities van Herinneringen veel verder reiken dan een autobiografische lezing toelaat. Het boek is een metaroman die met neurowetenschappelijke kennis over het geheugen het genre van de memoir nieuw leven inblaast.Geen autobiografieDat het boek vooral autobiografisch wordt gelezen is niet zo verwonderlijk. Die leeshouding zal deels zijn ingegeven door de myopie van de personencultus in de literatuur, voor Nederland treffend beschreven door Sander Bax in De literatuur draait door (2019). Toch zijn in het boek wel degelijk heel wat biografische elementen te vinden. Herinneringen bevat drie door elkaar heen gevlochten narratieven: er is een raamvertelling waarin de eenenzestigjarige SH, een gerespecteerd auteur, naar aanleiding van het herontdekken van oude dagboeknotities terugblikt op haar leven in New York. Er is het dagboek van de drieëntwintigjarige SH, die graag schrijver wil worden, waarop de oudere SH in het boek reflecteert. Het derde narratief is de onafgewerkte roman van de jonge SH, waarin het personage Ian Feathers zich een jonge Sherlock Holmes waant. Zoals vaker thematiseert Hustvedt hier de beweging, die ze zelf ook maakte, van het plattelandse Minnesota naar het New York van de jaren tachtig, en besteedt ze aandacht aan sociale, culturele en economische (im)mobiliteit en de dynamieken van haar intellectuele en artistieke vriendschappen. De meest voorkomende zinsnede in het boek is wellicht het 'ik herinner me' van de oudere SH, die de lezer niet alleen terugvoert naar New York maar ook naar het Minnesota van haar jeugd, die sterke overeenkomsten vertoont met de jeugd die Hustvedt in autobiografische essays beschrijft.Herinneringen vormt in Hustvedts oeuvre dus geen uitzondering; de grens tussen leven en werk is nergens in haar boeken aan te wijzen. In The Delusions of Certainty (2017), voor mij het hoogtepunt van haar essayistische werk, ontmaskert ze die grens dan ook als modernistische fictie. Ze traceert de bestaansvoorwaarden ervan tot het cartesiaanse dualisme tussen lichaam en geest, want de tekst als autonome entiteit kan alleen bestaan als het product van een lichaamloze geest die boven de tastbare werkelijkheid zweeft. Om maar te zeggen: een genuanceerde autobiografische lezing is voor Hustvedt een open deur, een given, een elementair deel van haar literaire denken. Ze richt zich in Herinneringen dan ook regelmatig tot de lezer aan wie deze nuance niet is besteed, eerst waarschuwend ('Ben jij een van die lezers die genoegen scheppen in memoires vol onmogelijk gedetailleerde herinneringen, dan heb ik een nieuwtje voor je: vertrouw nooit een auteur die beweert dat de opgebakken piepers van meer dan een kwarteeuw geleden hem of haar nog levendig voor ogen staan.'), daarna minder vergevend ('[Ian Feathers] behoorde niet tot de naïevelingen die bij hoog en laag beweerden dat S.H. ooit daadwerkelijk had bestaan.') De ambities van Herinneringen reiken dan ook veel verder dan het bedrijven van autofictie of confessieliteratuur. Hustvedt zet SH, de jonge SH, Ian Feathers en enkele personages die in het boek 'Standard Hero' worden genoemd (in het Nederlands een beetje ongelukkig als 'Doorsnee Held' vertaald) in als instrumenten om na te denken over de complexe manier waarop het herinneren, het verbeelden, het lezen en het schrijven met elkaar zijn verknoopt. De neurowetenschap van het geheugenWaarom hebben we een geheugen? Het voor de hand liggende antwoord, dat het geheugen er is om het verleden te onthouden, schiet duidelijk tekort. We vergeten veel meer dan we ons herinneren en iedereen die met een vriend of geliefde wel eens een gedeelde ervaring heeft proberen te reconstrueren, weet dat je vroeg of laat op tegenstrijdigheden botst. Een in de literatuur over het geheugen dominante verklaring is die van de Estisch-Canadese psycholoog en cognitiewetenschapper Endel Tulving, die stelt dat ons geheugen de evolutionair verworven functie heeft om op basis van het verleden projecties te maken in de toekomst die ons moeten helpen te overleven, met ervaringen van intense angst en plezier als katalysatoren van het onthouden. Het geheugen laat zich volgens deze hypothese begrijpen als een instrument van onze verbeelding. Bedenk daarbij dat een van de basiswetten uit de neurowetenschap luidt dat 'neurons that fire together wire together' (beter bekend als 'Hebb's rule') en je komt tot de conclusie dat herinneren, verbeelden en schrijven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Hustvedt noemt Tulving en Hebb nergens in Herinneringen bij naam, maar de roman zinspeelt op hun ideeën en omarmt de consequenties ervan in die mate dat ze niet te negeren zijn:We mogen niet vergeten dat een herinnering zich altijd in het heden afspeelt. We mogen niet vergeten dat telkens wanneer we een herinnering oproepen, die aan verandering onderhevig is, maar we mogen ook niet vergeten dat er in het kielzog van die veranderingen waarheden kunnen komen bovendrijven.En:Iedereen zeult zijn verleden met zich mee naar een stoel en gaat naast iemand zitten die haar verleden ook bij zich heeft - moeders en vaders en tantes en ooms en vrienden en vijanden en geboorteplaatsen en wegen en brievenbussen en straten en etentjes en wolkenkrabbers en bushaltes zijn allemaal aanwezig in de gebeurtenissen die hem of haar zijn bijgebleven omdat ze pijn of plezier of angst of schaamte veroorzaken.Ook de titel van het boek laat zich in dit licht beter begrijpen: in neurobiologische zin is het inderdaad zo dat (als de hypothese klopt) we ons de toekomst herinneren wanneer we die verbeelden. De toekomst begint als herinnering.Al schrijvend werd ik geschrevenDe implicatie van dit alles voor de literatuur is dat de categorie van het autobiografische schrijven vervalt als genre dat aanspraak maakt op het representeren van een werkelijkheid. Elke amateurpsycholoog zal natuurlijk kunnen uitleggen dat wat mensen over zichzelf schrijven vervormd wordt in de spiegeltent van het ego, en een beetje literatuurwetenschapper heeft inmiddels de woorden intentional fallacy op de lippen klaarliggen, maar volgens mij is hier meer aan de hand. Als we bovenstaande inzichten uit de neurowetenschap volgen, dan kan de memoir geen representatie zijn van een subjectief beleefde innerlijkheid. De relatie tussen auteur en tekst valt niet te schematiseren als scribent - recipiënt. De auteur is zelf ook recipiënt, van de taal, uiteraard, maar op een zichzelf voortdurend herhalende manierook van het eigen schrijfproces. 'Al schrijvend werd ik geschreven,' aldus SH op de eerste pagina van het boek. De schrijver schrijft zichzelf. Uit haar tokkelende vingers schiet aan deze zijde een tekst terwijl aan gene zijde een neuraal vuurwerk de hersenpan in knalt en daar blijvende sporen achterlaat. Wat mij betreft blaast dit inzicht nieuw leven in het eerder belegen genre van de memoir. Het is niet langer een vorm waarin een reeks herinneringen wordt gerepresenteerd en met elkaar in causaal verband wordt gebracht, maar een genre dat toelaat de neurobiologische functies van het herinneren op een doel te richten en met genreconventies enigszins naar de hand te zetten. Dit is precies wat Hustvedt in Herinneringen doet: ze herschrijft haar eigen geheugen en daarmee ook haar verbeeldingskracht. Nu is dit natuurlijk het superlatief van navelstaarderigheid (een auteur die over zichzelf schrijft om zichzelf te schrijven!?), maar Hustvedt is nog niet klaar. Ze gaat nog één stap verder: de wereld in. We weten intussen dat de neurobiologie het alvast aannemelijk maakt dat het geheugen een centrale rol speelt bij het verbeelden. Tijdens het leven zet de ervaring in het brein een neuraal sediment af, dat steeds door nieuwe golven van ervaring kan worden gewijzigd. De verbeeldingsconstructies die ons voor de ogen dansen wanneer we lezen en schrijven, worden hier mede door bepaald. Het verbeelden-herinneren (ik neem ze vanaf nu samen omdat ze volgens deze redenering niet uit elkaar te halen zijn) bevat met andere woorden het potentieel om de ficties waar wij allen naar leven te herschrijven. Herinneringen is één groot experiment met dit hercontextualiserende potentieel van de roman. Een voorbeeld: in het boek maakt de jonge SH seksueel geweld mee, in de vorm van een bijna-verkrachting (ze wordt op het nippertje door haar buurvrouw gered). Vervolgens gaat de jonge SH de aanranding verwerken in de roman die ze aan het schrijven is, onder meer door een personage in het kruis van de handtastelijke lokale quarterback te laten trappen. De oudere SH in de raamvertelling worstelt nog steeds met het trauma van haar jongere zelf en onderzoekt de manieren waarop ze zich dit verleden kan herinneren. Hier ergens bevindt zich ook de auteur Hustvedt, niet als een almachtige poppenspeler, maar als een schrijver die zich gewillig door haar eigen verhalen laat herschrijven. Ik, als lezer, beleef dit alles in de onaanwijsbare ruimte die mijn verbeelding is. Ik herbeleef herinneringen aan die keren dat ik zelf ben aangerand. Ik stop met lezen en leg het boek weg, neem het boek opnieuw vast en lees verder. De Siri die ik me verbeeld, leidt me door mijn eigen trauma. Een vuurwerk in mijn hoofd. Verbeelding schrijft herinnering schrijft verbeelding schrijft toekomst.Het verhaal van Ian Feathers, het verhaal van de jonge SH, het verhaal van de oude SH, het verhaal van de auteur Hustvedt, het verhaal van de lezer Mathijs Tratsaert: ze hercontextualiseren elkaar. Dat het ene verhaal meer op het leven van de auteur Hustvedt parasiteert dan het andere is uiteindelijk weinig relevant. De ficties van het verhaal en de ficties van de herinnering hebben in onze verbeelding hetzelfde toekomstpotentieel en lopen in elkaar over. Bovarisme, hoor ik denken, quichotterie. Ja, zegt SH volmondig, ik ben Donna Quichot. In de ander ingebedDe stap naar de ander en de wereld is intussen gezet. De Amerikaanse schrijver John Cheever zei het zo mooi: 'I can't write without a reader. It's precisely like a kiss - you can't do it alone.' Verhalen zijn per definitie intersubjectief. We delen de taal, we delen in een collectieve verbeelding, we delen het herinneren en het vergeten dat onze verhalen vormt. Hustvedt herhaalt het in het boek haast ad nauseam: het ene verhaal wordt een ander verhaal, wordt een ander verhaal, wordt een ander verhaal. Het herinneren informeert het verbeelden, de verbeelding verbeeldt de toekomst, de toekomst wordt het heden van de ander dat op zijn beurt herinnerd wordt. Al dat verbeelden-herinneren samen vormt het collectieve verbeelden-herinneren, dat zich laat begrijpen als het mogelijke. Wat geldt voor het herinneren-verbeelden geldt evenzeer voor het vergeten-verbeelden, dat tot het onmogelijke veroordeelt. Hustvedt: 'We vergeten zoveel. Een studie in westers geheugenverlies gaat over de vergetenen, de uit-het-verhaal-verdrongenen, de verstomden, de verstikten, de verkrachten, de geslagenen, de vermoorden.'Er is nog veel meer dat Herinneringen lezenswaardig maakt. Zo wordt de vloer geveegd met zowel kunstenaar Marcel Duchamp als literatuurtheoreticus Paul de Man, is er wederkerige intertekstuele dialoog met Chris Kraus' I Love Dick (1997), raakt de jonge SH bevriend met een groepje heksen, zijn in het boek illustraties van Hustvedt te vinden en lanceert ze de dichter-dadaïst Elsa von Freytag-Loringhofen als nieuwste IT-girl van de Europese intellectuele geschiedenis.Het was misschien wel de blinde vlek van de moderniteit, met haar obsessie met verandering en toekomst, om in het denken over eigentijdse verhalen zo weinig aandacht te besteden aan het geheugen en het herinneren. Ironisch, want wat Siri Hustvedt met Herinneringen aan de toekomst laat zien, is dat de toekomst en het verleden een valse tegenstelling vormen voor de in ficties ingebedde neurobiologische wezens die we zijn. Als we ons een toekomst willen kunnen verbeelden, dan moeten we het verleden omarmen en het steeds opnieuw schrijven, steeds opnieuw herinneren, steeds zorgen dat het ene verhaal het andere kan worden. Ja, deze jongen zwijmelt nog wel even verder.Mathijs Tratsaert