'Mijn voorkeur gaat uit naar de gewone, wat morsige kroeg, waar de gemiddelde leeftijd der klanten boven de vijftig ligt. Er moet doelgericht, doch niet onstuimig worden ingenomen. Sneuvelzaken mijd ik als de pest, net als opgedirkte tenten met inschenkende dames die, met bekwaam verbeten verveling, tot aanhoren bereid zijn. Aan tapkastspelletjes doe ik niet mee, omdat ik juist door mijn ingeschapen afkeer daarvan altijd win, revanche moet geven en mijn eigen tempo dan niet meer in de mond kan nemen.' Rinus Ferdinandusse, toenmalig hoofdredacteur van Vrij Nederland, citeerde heel bewust dít fragment uit het Groot Amsterdams Kroegboek bij het overlijden van Simon Carmiggelt, precies dertig jaar geleden. Kort, geciseleerd, geestig. Het vatte de meest bewonderde schrijver van Nederland helemaal samen. Carmiggelt is de bedenker van het cursiefje, de voorloper van wat vandaag de column heet. Hij begon ermee onder de titel Kronkel, op de voorpagina van Het Parool - de in oorsprong linkse verzetskrant waarvan hij, volgens de op 1 december 1945 in volstrekte illegaliteit opgestelde stichtingsakte, een van de vijf oprichters was. Zo kort als Carmiggelts stukjes ('stukkies' noemde hij ze zelf) waren, kilometers lang zou de stoet zijn waarin ze allen zouden opstappen. Van oktober 1946 tot december 1980 schreef hij ze dagelijks, en daarna nog bijna drie jaar wekelijks. Bijna 40 jaar lang zo'n 200 Kronkels per jaar. Die enorme productiviteit heeft niet belet dat Kronkel behalve de meest gelezen ook de meest gewaardeerde column uit de Nederlandse dagbladhistorie zou worden, zoals Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh schrijven in S. Carmiggelt - Een levensverhaal.
...

'Mijn voorkeur gaat uit naar de gewone, wat morsige kroeg, waar de gemiddelde leeftijd der klanten boven de vijftig ligt. Er moet doelgericht, doch niet onstuimig worden ingenomen. Sneuvelzaken mijd ik als de pest, net als opgedirkte tenten met inschenkende dames die, met bekwaam verbeten verveling, tot aanhoren bereid zijn. Aan tapkastspelletjes doe ik niet mee, omdat ik juist door mijn ingeschapen afkeer daarvan altijd win, revanche moet geven en mijn eigen tempo dan niet meer in de mond kan nemen.' Rinus Ferdinandusse, toenmalig hoofdredacteur van Vrij Nederland, citeerde heel bewust dít fragment uit het Groot Amsterdams Kroegboek bij het overlijden van Simon Carmiggelt, precies dertig jaar geleden. Kort, geciseleerd, geestig. Het vatte de meest bewonderde schrijver van Nederland helemaal samen. Carmiggelt is de bedenker van het cursiefje, de voorloper van wat vandaag de column heet. Hij begon ermee onder de titel Kronkel, op de voorpagina van Het Parool - de in oorsprong linkse verzetskrant waarvan hij, volgens de op 1 december 1945 in volstrekte illegaliteit opgestelde stichtingsakte, een van de vijf oprichters was. Zo kort als Carmiggelts stukjes ('stukkies' noemde hij ze zelf) waren, kilometers lang zou de stoet zijn waarin ze allen zouden opstappen. Van oktober 1946 tot december 1980 schreef hij ze dagelijks, en daarna nog bijna drie jaar wekelijks. Bijna 40 jaar lang zo'n 200 Kronkels per jaar. Die enorme productiviteit heeft niet belet dat Kronkel behalve de meest gelezen ook de meest gewaardeerde column uit de Nederlandse dagbladhistorie zou worden, zoals Sylvia Witteman en Thomas van den Bergh schrijven in S. Carmiggelt - Een levensverhaal. De populariteit van Carmiggelt neemt begin jaren zestig een hoge vlucht. Wanneer hij in 1961 de prestigieuze Constantijn Huygens-prijs krijgt, vergaart hij landelijke bekendheid. Dat wordt alleen maar intenser wanneer zijn Kronkels vanaf 1962 verfilmd worden en hij ze in 1965 ook wekelijks gaat voorlezen op de VARA - altijd voorafgegaan door Duke Ellingtons In a Sentimental Mood. Een selectie van zijn stukkies wordt jaar na jaar gebundeld, telkens goed voor tienduizenden verkochte exemplaren. Volgens onderzoekers uit de jaren zeventig, waarvan de krant Trouw melding maakt, gold Carmiggelt in die tijd als de meest bewonderde schrijver van Nederland. Dus niet Jan Wolkers, niet Harry Mulisch of Annie M. G. Schmidt, niet Gerard Reve. En toch is de kans groot dat u hoogstens nog zijn naam kent, maar wellicht niet meer zijn werk. Zelfs de grootste carmiggeltianen die Knack polste, geven het toe. Midas Dekkers, de Nederlandse schrijver-bioloog die pas nog met Volledige Vergunning een boek publiceerde over zijn favoriete cafés, werd naar eigen zeggen 'onder de bar geboren' in net zo'n bruine kroeg zoals Carmiggelt ze magistraal beschreef - sommigen zeggen dat hij die bruine kroeg uitvond. Dekkers is een groot bewonderaar, zegt hij. 'Ik zal nooit nalaten de grote meester de lof te zingen. Daarom spijt het me u te moeten melden dat Simon Carmiggelt wég is. En dat is snel gegaan, hoor. Hij stierf om het zo te zeggen op maandag als meest bewonderde man van het land, en dinsdag was iedereen hem al vergeten.' Stijn De Paepe, een Carmiggelt-liefhebber die elke dag in De Morgen een aan de actualiteit opgehangen gedicht schrijft en Nederlands doceert aan de Arteveldehogeschool in Gent, is het daarmee eens. Op ons verzoek legde hij zijn oor te luister bij collega's in het middelbaar onderwijs. Het verdict: 'Carmiggelt, dat is prehistorie. Dat zegt jongeren vandaag niets meer.' Hetzelfde hoor je bij Sylvia Witteman, als columniste erg schatplichtig aan Carmiggelt: 'Ik ben door hem gaan schrijven. Mijn dochter van twintig leest hem nog graag, maar mijn jongere zoons vinden het stomvervelend.' En in de boekhandel? Is daar nog vraag naar Carmiggelt? We beginnen de vragenronde in zijn Amsterdam. Bij Boekhandel Athenaeum op het Spui ging er die dag net nog eentje over de toonbank. 'We verkopen Carmiggelt druppelsgewijs: met enige regelmaat, maar weinig.' Boekenmastodont Scheltema even verderop: 'Niet heel veel meer, en al zeker niet aan de jeugd. Er komt geen nieuw publiek meer bij, vrees ik.' Vier grachten verderop doet boekhandel Xantippe het licht uit: 'Niemand vraagt daar nog naar, meneer.' En in Vlaanderen? Bij de Oudenaardse boekhandel Beatrijs geeft een jonge medewerkster haar baas door, van meneer Carmiggelt heeft ze nog nooit gehoord. Die baas, minzaam: 'De mensen kennen zijn naam nog, maar niet het werk.' Bij Passa Porta in Brussel en Paard van Troje in Gent keert het tij: zij hebben altijd een rijtje Carmiggelt staan, zeggen zaakvoerders Steven Van Ammel en Bart Van Aken. Die laatste: 'Soms kopen mensen alles in één keer, oudere én jonge mensen.' Van Ammel ziet in Brussel vooral lezers met enige leeservaring een Carmiggelt aanschaffen. 'Dat er in twee boekhandels in Vlaanderen toch nog zoveel Carmiggelt op de planken staat, ligt aan de goodwill van de boekenverkoper.' Van Ammel ontdekte Carmiggelt pas laat, geeft hij toe. 'Hij heeft mijn leven gered. Of toch mijn lezersleven. Ik zat onlangs met een burn-out thuis. Geen letter kreeg ik nog gelezen, wat vreselijk frustrerend is.' Om zichzelf op te kikkeren, trakteerde hij zich bij het Antwerpse antiquariaat Demian op de drie eerste delen van Carmiggelts verzameld werk. Van Ammel: 'Dat heeft mij erdoor geholpen. Die stukjes zijn kort, maar ze zijn even gelaagd als een roman en net zo'n volledige literaire ervaring.' Het hoge woord is eruit: 'literair'. Carmiggelt nam het zichzelf een beetje kwalijk dat hij columns schreef, weet Midas Dekkers. 'Hij zag daarin een reden dat hij niet voor vol werd aangezien. De Dikke Roman is zogezegd het hoogste literaire goed, de stukjes bengelen helemaal onderaan.' En zijn grootste sterkte, humor, is mede zijn ondergang geworden. 'Laat je niet vangen aan dat droeve gelaat van hem, met die hangrimpels: achter die treurige hondenkop zat de grootste humorist van de wereld. Mensen wantrouwen humoristen, omdat wie iets om te lachen zegt, zichzelf ook ondergraaft.' Knack-journalist Piet Piryns weet als geen ander wat bedoeld wordt met de Amsterdamse Carmiggelthumor. Hij woonde tijdens de jaren zeventig en tachtig in de stad, en had daar een goede reden voor: Vrij Nederland had hem weggeplukt bij Humo. Hoofdredacteur Rinus Ferdinandusse, die vond dat Carmiggelt 'oneindig meer gedaan heeft voor de Nederlandse humor dan voor de Nederlandse literatuur', legde aan de Vlaamse twintiger die humor uit. Piryns, lachend: 'Ik zie hem nog Carmiggelt nadoen, hoe die met bevende hand een kelkje jenever naar zijn lippen bracht en net voor het naar binnen mikken daarvan zei: "Ga jij nou maar gauw naar binnen, jongen, want het wordt nog vol vandaag."' Volgens Piryns maakt Carmiggelts fijnzinnige humor hem tot een van de grootste stilisten van het Nederlandse taalgebied. 'Alleen de groten kunnen geestig zijn zonder lollig te worden. Carmiggelt kon dat, en daarom hoort hij bij Gerard Reve, Cees Nooteboom en Jeroen Brouwers - de schrijvers die je moet lezen om zelf te leren schrijven.' Carmiggelt-biograaf en NRC-recensent Henk van Gelder vindt het onnozel dat iemand Carmiggelt passé zou vinden omdat hij columns schreef. 'Het is de vloek van de pionier. Carmiggelt heeft de column uitgevonden. Hem verwijten voorbijgestreefd te zijn omdat hij columns schreef, is hetzelfde als Shakespeare van plagiaat beschuldigen wanneer je bij hem To be or not to be leest. Carmiggelt is vaak geïmiteerd door volgelingen. Jonge mensen vergeten misschien dat hij de bedenker is van de stijlfiguren die ze nu cliché vinden, zoals plechtige woorden gebruiken voor eenvoudige dingen, of een column schrijven als was het een proces-verbaal.' Piryns roemt Carmiggelts 'schrijven op de vierkante centimeter'. 'Dat kon hij als geen ander. Daarmee maakte hij zelfs literaire grootheden zoals Louis Paul Boon jaloers. Die schreef ook columns, Boontjes, in het socialistische blad Vooruit, maar hij kwam daarmee niet tot de enkels van Carmiggelt. Dat wist hij, en hij had er een schurfthekel aan wanneer hij daarop gewezen werd. (lacht) Boon! Nobelprijskandidaat, die grote literator die wél de lange adem had voor romans. En net hij koesterde pure jalousie de métier voor de miniaturist. Ach, zo elegant, zo sierlijk en beheerst. Nooit een woord te veel. De taalvirtuositeit spat ervanaf. Nog altijd.' Ook komiek Wouter Deprez vindt de Kronkels geen greintje achterhaald. Hij weet als columnist - om de dag publiceert hij in De Standaard - hoe uitzonderlijk dat is in het genre. En toch: voor veel lezers komt Carmiggelt uit een andere wereld. Uitgever Harold Polis is ervan overtuigd dat hij gedateerd is voor jongere generaties omdat hij, als chroniqueur bij uitstek, net te veel samenviel met zijn tijd. Zijn tijd was die van de heropbouw na de Tweede Wereldoorlog, van de bruine kroegen waarin oude mannetjes hun leed verzachtten met een neut jenever - of twee. Piryns: 'De laatste keer dat ik hem interviewde, in 1982, was hij net zo oud als ik nu ben. En terwijl ik denk dat alles nog moet beginnen, was hij al een oude man. En dat was hij op een bepaalde manier altijd geweest. De wereld die hij beschreef, was eigenlijk al aan het verdwijnen tijdens het schrijven. Hij had het nog over oude mannetjes op café, terwijl de Provo-jongens en -meisjes rookbommen gooiden naar de koninklijke gouden koets. Daarover las je weinig in zijn Kronkels.' Carmiggelt-biograaf Henk van Gelder knikt: 'Niemand heeft zo goed een uitgeblust huwelijk beschreven als Carmiggelt: "En uit hun enige kind groeide met moeite een beperkt behanger." Maar hoe goed ook, daarmee raak je niet meer binnen bij twintigers van nu. Die denken gewoon: "Waarom gaan ze niet uit elkaar, dan?"' Deprez hoort het hoofdschuddend aan. 'Natuurlijk beperkte hij zich tot zijn tijd en vooral zijn ruimte, Amsterdam. Maar dat staat toch de tijdloosheid niet in de weg? Neem die column waarin hij verslag doet van twee vriendinnen die gaan kijken naar de intocht van de Canadezen bij de Bevrijding. Een van hen komt nadien thuis bij haar man en zegt dat ze met een Canadese soldaat naar bed is geweest tijdens de oorlog. Hij zit op de bank, zegt met een combinatie van gelatenheid en ontzetting 'Zo', en leest verder de krant. Dat stukje gaat toch niet over de overwinning op de nazi's? Of over die Canadezen? Dat gaat over hoe gewone mensen rare dingen doen wanneer hun wereld op z'n kop staat. Vanuit het dagelijkse leven kon Carmiggelt de condition humaine vatten. Als je zo kunt observeren en formuleren, dan maakt het niet uit wanneer je waarover schrijft. Carmiggelt beschreef zijn tijd, maar hij oversteeg die ook, net zoals Isaac Babel, Anton Tsjechov en Guy de Maupassant dat deden.' Een goede uitgever kan altijd wel weer leven krijgen in Carmiggelt, denkt ook Arnon Grunberg, de Nederlandse succesauteur die dagelijks met een erg kort stukje op de één staat van De Volkskrant. Dat bewijzen alvast de verkoopcijfers van twee bundels die bij Carmiggelts honderdste verjaardag verschenen, in 2013. Bij Carmiggelts uitgever De Arbeiderspers verscheen het door Van Gelder samengestelde Dwalen door Amsterdam. Uitgeverij Van Oorschot selecteerde 100 verhalen in Gedundrukt. Alle door ons gebelde boekhandelaren, ook de Vlaamse, benadrukken hoe goed vooral die laatste verkocht. De bundel stond zelfs op één in de toptien van NRC Boeken, voor toenmalig Nobelprijswinnaar Alice Munro en bestsellerschrijfster Donna Tartt. Van Gelder ziet nog hoop voor Carmiggelt, zelfs bij de jeugd. 'Met een slim samengestelde bundel, waaruit je de meest actualiteitsgebonden stukjes weglaat, kun je hen Carmiggelt zeker toeschuiven.' Daar is ook literatuurwetenschapper en adjunct-directeur van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren Willem Bongers-Dek van overtuigd. Hij leerde Carmiggelt kennen dankzij de tweedehandse rode Citroën die zijn vader kocht toen hij klein was. 'Ik stak mijn hand in de zak achter de bestuurdersstoel en vond daarin een Kronkel-bundeltje. Een wereld ging open. Nu heb ik alles van hem, sommige boekjes zelfs dubbel. Ik kan het nog altijd niet laten om Carmiggeltjes te redden wanneer ik ze tegenkom op rommelmarkten. Die deel ik dan uit aan mensen die ze dringend moeten lezen. En het mooie is: iedereen die hem leest, wordt verliefd. Nog nooit vond iemand het maar niks.' Een bemoedigend verhaal. 'Maar bij de jeugd worden goede lezers met een rijke woordenschat en inzicht in dubbele bodems een rariteit', leerde De Paepe uit zijn ronde bij leraren Nederlands in het middelbaar onderwijs. Bongers-Dek wuift het weg. 'Mijn vrouw is lerares Nederlands in Roosendaal. Zij geeft wél nog Carmiggelt. Om te tonen dat je ook stilist kunt zijn zonder een roman te schrijven, en om hun woordenschat te verrijken. En ik heb vijf jaar lesgegeven in Indonesië, aan 18- tot 23-jarigen. Carmiggelt was vaste prik, dat werkte altijd prima. Ik kreeg vragen over zaken waar wij niet meer bij stilstaan: wat doen die mensen op café? Wat voor soort mensen gaat op café? Ook al is zijn tijd voorbij, Carmiggelt bleek nog altijd genoeg kapstokken te bevatten om Nederland uit te kunnen leggen.'Maar zelfs wie een leerkracht Nederlands met missioneringsdrang treft, komt in een andere tijd terecht. Weten jongeren in tijden van rookverbod bijvoorbeeld nog waarom Carmiggelt het had over een bruine kroeg? Witteman wijst erop hoe anders haar leefwereld was dan die van haar kinderen. 'Wij lazen vroeger weleens uit verveling, zo ontdekten we nog eens wat. Vandaag valt er altijd wat te beleven op al die schermpjes. Ik denk dat de subtiliteit van Carmiggelt verloren gaat in het enorme aanbod van vandaag.' En natuurlijk evolueert ook de humor. 'Oubolligheid is geestig, maar uit de mode', zegt Dekkers. Van Gelder: 'Kijk maar naar het verschil tussen de cabaretiers uit zijn tijd, zoals Kees van Kooten en Wim de Bie, en die van vandaag, zoals Hans Teeuwen en Theo Maassen. Vandaag gaat het veel harder.' Grunberg betrekt het al helemaal op de toegenomen hardheid: 'Carmiggelt is een beetje sentimenteel, daar hebben we vandaag nog weinig geduld mee.' Piryns: 'Ik wil er geen Moeder Teresa of Bond zonder Naam-figuur van maken, want hij kon venijnig uithalen en verbaasde heel Nederland toen na zijn dood uitkwam dat hij, de "meest getrouwde man van Nederland", een affaire had gehad met schrijfster Renate Rubinstein. Maar zijn stukjes waren opgetrokken uit mededogen en erbarmen. Dat ocharme, ochere was wat hem verbond met tekenaar Peter van Straaten. "Wie lacht niet, die den mensch beziet": dat is het humuslaagje onder hun werk.' Carmiggelt constateerde begin jaren tachtig al hoe ouden van dagen niet langer populair waren. Een fenomeen dat te vergelijken viel met hondenhaat, liet 'Amsterdams eigen hoogstfijne opa' in 1982 optekenen in zijn laatste interview met Piryns. 'Als er van iets te veel komt, neemt de tolerantie ervoor af. Er zijn veel te veel ouden van dagen. De hele soort begint de mensen de keel uit te hangen. De prompte vertedering voor oude mannetjes is ernstig aan het verdwijnen. Onlangs ging ik in een Amsterdamse bioscoop naar A Clockwork Orange kijken. Daarin wordt een vervelende ouwe man - ik geef toe: een klier van een vent - door drie gezonde, jonge kerels in elkaar geramd. De hele zaal jubelde van verrukking. Ze vonden het énig wat daar gebeurde. Een paar jaar geleden was dat nog ondenkbaar geweest.' Piryns begint te declameren. Een fragment uit Herman van Veens Adieu Café uit 1972: 'En mensen ook al biggelt/ Er een traan over Carmiggelt/ De wet heeft rechtgedaan/ Dus die cafeetjes gaan eraan.'Dekkers zucht. 'Deze tijd heeft zoveel nood aan troost, en die is er steeds minder. Omdat Carmiggelt er niet meer is, omdat er geen cafeetjes meer zijn waar oude mannetjes kunnen komen die weten dat voor hen het leven te ingewikkeld is, en waar ze niet komen voor de pret maar voor de troost. Dankzij dat cafeetje kunnen ze tenminste, met vier borreltjes op, ietsje minder gebogen weer naar huis.' Van Gelder: 'Carmiggelt schreef niet in de toon van vandaag. Hij was de man van de twijfel en de relativering en de melancholie. Hij was de man van "tja". Vandaag roepen veel mensen "yes!" Tja en yes: dat mengt niet.' Protest bij de jongere carmiggeltianen. Van Ammel: 'Carmiggelt, dat was Facebook avant la lettre, zijn stukjes zouden daar goed werken, met hun beknoptheid en situationele humor.' Willem Bongers-Dek knikt: 'Iemand zou zijn werk moeten digitaliseren en dagelijks op de wereld loslaten.' Iemand op Twitter geeft zich uit voor @SimonCarmiggelt en belooft 'regelmatig een citaat van de meester'. Het laatste hangt er al sinds 7 april 2016: 'Twee hoeraatjes voor de democratie. Geen drie, twee is wel genoeg.' Gedateerd, zei u?