Een groot feest zal er deze keer niet van komen. En hij zit er ook niet echt op te wachten. Tachtig, wat stelt dat nou helemaal voor? Toen hij dertig werd, tóén voelde hij zich pas oud. 'Om de haverklap ging ik dood. Meestal aan een hartaanval, maar ik kreeg ook de meest vreemdsoortige kankers: oorlelkanker, neusvleugelkanker, achterhoofdsknobbelkanker, enfin, als het maar iets was waar de huisdokter nog nooit van had gehoord.'
...

Een groot feest zal er deze keer niet van komen. En hij zit er ook niet echt op te wachten. Tachtig, wat stelt dat nou helemaal voor? Toen hij dertig werd, tóén voelde hij zich pas oud. 'Om de haverklap ging ik dood. Meestal aan een hartaanval, maar ik kreeg ook de meest vreemdsoortige kankers: oorlelkanker, neusvleugelkanker, achterhoofdsknobbelkanker, enfin, als het maar iets was waar de huisdokter nog nooit van had gehoord.' Het citaat komt uit een essay dat hij op verzoek van Knack schreef bij zijn zestigste verjaardag. Vandaag, zegt hij, houdt de dood hem niet meer zo bezig - hij heeft nu andere dingen aan zijn hoofd. 'Maar het is natuurlijk een beetje dubbel. Als je tachtig wordt, begin je toch een soort haast te krijgen. Ik merk dat ik tegenwoordig de neiging heb om sneller te willen werken dan vroeger. Ik zou nu ook niet meer durven te beginnen aan een project als Het beleg van Laken, dat tien jaar in beslag nam, omdat ik weet dat ik zoiets logischerwijze niet meer rond krijg. Maar ik kan me het leven nog altijd niet voorstellen zonder schrijven. Mijn nieuwste roman ligt nog niet eens in de winkel en ik ben al bezig met een volgende, waar ik achterstevoren aan begonnen ben door er alvast een slot aan te breien. Dat slot heb ik voor alle zekerheid zó opgeschreven dat het desnoods ook afzonderlijk gepubliceerd kan worden als ik het boek onverhoopt niet meer af zou kunnen maken. De uitgever hoeft er dan alleen nog een zwarte wikkel rond te doen.' Zijn 'oeuvre' - hij spreekt het woord niet zonder zelfspot uit, de aanhalingstekens zijn duidelijk te horen - moet nog worden afgezoomd. 'Ik wil nog een vervolg schrijven op Aantekeningen van een stambewaarder, een familiekroniek die begint in zeventienhonderd-en-zoveel en die eindigt in mijn geboortejaar, 1941. In mijn volgende boek wil ik aan de hand van het familiearchief - vier dikke mappen met correspondentie - beschrijven hoe mijn familie vanaf 1947 over de hele wereld uitzwermt. "In mijn rijk gaat de zon nooit onder", om met keizer Karel te spreken.' Familieziek wil hij zichzelf niet noemen. 'Maar als ik vandaag de brieven lees van familieleden die allang geleden overleden zijn, dan staan ze weer levend en wel voor mijn neus. Wie schrijft, die blijft - het is een cliché als een huis, maar daarom niet minder waar. Het is ook de reden waarom ik familieleden, vrienden, kennissen en al wie me dierbaar is als personages opvoer in mijn boeken, al dan niet onder pseudoniem. Ik hijs ze allemaal op mijn imaginaire papieren vlot, om dan, zoals de veerman in het inferno van Dante, met hen naar de overkant te varen.' Een hoofdrol in de familiesaga van de Van den Broecks is weggelegd voor de 'betweterige, zelfingenomen, egoïstische, tirannieke' verwekker van de schrijver. Ook in de nieuwe roman Crossroads, waarin Walter andermaal terugkeert naar zijn geboorteplaats Olen, is vader Robert Van den Broeck weer present. Deze keer als de vrolijke kwant die de stamgasten in het dorpscafé entertaint door muntjes uit zijn oren te toveren of zijn duim eraf te trekken, maar nauwelijks naar zijn zoon omkijkt. 'Ik heb vaak over mijn vader geschreven, en niet altijd even mild. In Crossroads schrijf ik dat ik mijn puberteit heb moeten overslaan omdat ik voortdurend als scheidsrechter moest optreden in de homerische ruzies die mijn ouders uitvochten. Altijd over geld. Dan kwam vader uit het café en zat hij hoofdschuddend in zijn lege portefeuille te staren, alsof hij het zelf niet kon geloven, terwijl moeder over zijn schouder meekeek. En dan brak de hel los. Ik was elke keer weer bang dat ze elkaar zouden vermoorden. Maar er was natuurlijk ook die andere kant van mijn vader, die ik koester. Hij was constant aan het lezen. Ik zal het even demonstreren: ( staat op, leunt met beide voorarmen op de tafel met een denkbeeldig boek in de handen) hij las dan van A tot Z de tweedehands Amerikaanse pockets die mijn naar Florida geëmigreerde grootvader hem toestuurde. Hij kon uren in die houding over de tafel gebogen staan, hij heeft er op den duur zelfs een paar frozen shoulders aan overgehouden.' Zijn eigen leeshonger stilde hij als kind vooral met stripverhalen. Als hij dan toch per se namen zou moeten noemen van de giganten op wier schouders hij staat, dan nog eerder Marc Sleen en Willy Vandersteen dan Charles Dickens en Fjodor Dostojevski. 'We hadden in Sint-Jozef-Olen een snoepwinkeltje - 't Bazarke - met twee piepkleine uitstalraampjes, op het ene stond "confiserie" geschilderd, op het andere "boekerij", waar je de nieuwste albums kon kopen: Nero, de eerste druk van Rikkie en Wiske - had ik die nu maar goed bijgehouden, dan was ik rijk! - Lucky Luke, Buck Danny... Zelf heb ik ook nog een tijdje strips proberen te tekenen. Met de literatuur kwam ik pas in contact toen een leraar Nederlands op de middelbare school in Herentals verhalen van Gerard Walschap voorlas tijdens de lessen cursorische lectuur. Waar dat "cursorisch" op sloeg, heb ik nooit goed begrepen, maar de hele klas zat er in ieder geval met rooie oortjes naar te luisteren. In het onderwijs werd in die tijd nog het beruchte lectuur-repertorium van kanunnik Baers gebruikt, waarin zelfs Boerenpsalm van Felix Timmermans zowat als pornografie werd beschouwd. En dan kregen wij voorgelezen uit Vonk van Gerard Walschap. Dat zoiets mocht! Dat zoiets zomaar kon!' Crossroads is zijn tweeëntwintigste roman. En ook deze roman past weer in het breed uitgesponnen web van verhalen dat zijn oeuvre vormt en waar welhaast een uitgekiend plan ten grondslag aan moet liggen - zou je toch denken. Maar nee dus: 'Een oeuvrebouwer ben ik nooit geweest, of toch in ieder geval niet bewust. Je weet nooit van tevoren waar je als schrijver tegenaan loopt. Neem nu Lang weekend, mijn officiële debuut in 1968. Omdat ik eerder al in eigen beheer een roman had gepubliceerd die nogal zwaar op de hand was, wilde ik iets luchtigs schrijven. Ik tikte een eerste zin op: 'Joepiehajeejoepiehaho, dacht Hector de Waegenmaeckere, drie dagen vakantie voor de boeg!' En ik dacht: nu ben ik toch eens benieuwd wat er nog gaat komen. Ik had geen flauw idee. Geen plan, geen structuur, geen verhaallijn, niks. Nee, ook nog niet het idee om mezelf als personage op te voeren. Gewoon maar schrijven, blijven schrijven en verder geen flauwekul. Waar ik een halve eeuw later uit zou komen, was wel de laatste van mijn bekommernissen.' Of neem Groenten uit Balen, het toneelstuk waarmee hij in 1972 in één klap zijn reputatie als maatschappelijk geëngageerd auteur vestigde. 'Dat is ook puur toevallig tot stand gekomen. Het waren de nadagen van mei '68, ik had met veel sympathie het studentenprotest gevolgd, maar ik was al een beetje te gesetteld - leraar, getrouwd, twee kinderen - om zelf nog op de barricaden te klimmen. Ik hield me in die tijd vooral bezig met literaire experimenten. Ik had bijvoorbeeld een boek geschreven - 362.880 x Jef Geys - waarvan je de hoofdstukken onderling kon verwisselen. Zoals wel meer schrijvers in die jaren - Daniël Robberechts bij ons, Jacq Firmin Vogelaar in Nederland - was ik gefascineerd door taaltheorie. Omdat de taal die we gebruikten ook de taal van het establishment was, waren we genoodzaakt een nieuwe taal uit te vinden, daar kwam het zo ongeveer op neer. Maar het probleem was natuurlijk wel dat die nieuwe taal verstaanbaar moest blijven. Voor het BKT, het Brussels Kamertoneel, had ik een opzetje gemaakt voor een experimenteel toneelstuk, multimediaal avant la lettre - iets met een super-8-millimeter projector of zo. Toen de directeur van het gezelschap daar niets in zag, was ik flink op mijn pik getrapt. Ik vertel dat tegen Jef Sleeckx, een collega op de school waar ik toen lesgaf, en Jef zegt: "Waarom schrijft ge niet eens een toneelstuk over de staking?" Er was op dat moment - 1971 - in de zinkfabriek Vieille Montagne in Balen-Wezel een historische staking aan de gang, uitgeroepen door een onafhankelijk arbeiderscomité, dat los van de vakbonden opereerde en waarin Jef een van de drijvende krachten was. Enfin, zo ben ik dus, een beetje per toeval, aan Groenten uit Balen beginnen te schrijven, een ouderwets gezinsdrama, a well-made play, in een voor iedereen verstaanbare taal. De bedoeling was dat het vijftien keer gespeeld zou worden, ten voordele van de stakers. Had je mij toen verteld dat er meer dan duizend voorstellingen zouden volgen en dat er veertig jaar later zelfs nog een film van zou worden gemaakt, had ik je voor gek verklaard.' Hij werd een van de meest productieve en succesvolle Vlaamse toneelauteurs. Toch worden zijn stukken - zo'n vijftien in het totaal - vaker door amateurgezelschappen opgevoerd dan door de grote gesubsidieerde theaters. Dat steekt, en hij heeft er ook zijn eigen verklaring voor: 'Op een gegeven moment begon men aan de universiteiten theaterwetenschappen te doceren, en de jongens of meisjes die daar afstudeerden, moesten natuurlijk ook werk hebben. Omdat ze tijdens de repetities toch maar in de weg van de regisseur liepen, kregen ze in een achterkamertje van de schouwburg een eigen bureautje, waar ze een knipselmap met recensies mochten bijhouden voor de directeur. Maar het waren natuurlijk geen dommeriken. Op den duur - ik sla nu een paar eeuwen over - gingen ze zelf producties opzetten, waarin ze zowel de plaats van de regisseur als die van de auteur inpikten. En als het even kon ook nog die van de acteurs.' De trigger voor zijn nieuwe roman Crossroads was een miniscuul krantenbericht over de dood van twee hoogbejaarde zussen in zijn geboortedorp Olen. Gazet van Antwerpen, 12 januari 2018: 'In het woongedeelte boven het voormalige café In de Kroon trof de politie het stoffelijk overschot aan van de 81-jarige Maria Boeckx. Zij lag plat op haar buik op de overloop, haar zus Emilienne lag zieltogend in bed. Beide vrouwen droegen nog hun nachtkledij. Vermoedelijk is de vrouw al enkele dagen geleden een natuurlijke dood gestorven, zegt een woordvoerder van de lokale politie Neteland. Haar drie jaar oudere zus Emilienne bleek fysiek niet in staat om alarm te slaan. Zij is met ondervoedingsverschijnelen naar het ziekenhuis van Herentals gebracht, waar ze een dag later overleed.'Voor de schrijver was het alsof hij met de teletijdmachine van professor Barabas teruggekatapulteerd werd naar zijn jonge jaren in Olen. 'De altijd ongetrouwd gebleven Emilienne - 'Jen' - was de imposante bazin van het stationscafé waar ik al eens binnensprong voor een pint als ik op de trein moest wachten. En haar dood heeft mij echt gepakt. Het was voor mij tegelijkertijd de dood van het verleden. Dus ben ik teruggekeerd naar Olen om dat te reconstrueren.' Gevonden vreten voor een nostalgicus. Met veel gevoel voor couleur locale beschrijft Van den Broeck de teloorgang van een dorpscafé dat zich manhaftig maar vergeefs verzet tegen Nieuwe Tijden, die rampen met zich meebrengen als daar zijn de invoering van de btw en de afschaffing van de Belgische frank. Om tot de slotsom te komen: ''t Is allemaal naar de kloten. De hele wereld is naar de kloten.' Het brengt hem vanzelf ook weer bij het thema dat al sinds zijn Brief aan Boudewijn als een rode draad door zijn hele oeuvre loopt: het verdwijnen van de samenhorigheid in de samenleving, zoals die nog bestond in de Olense fabriekswijk waar hij opgroeide - voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij. 'Als je nu door de cité van Olen rijdt, lijkt die wel uitgestorven. Mensen leven er zoals overal niet meer mét, maar naast elkaar. Je ziet geen levende ziel meer op straat - daar is zelfs geen lockdown voor nodig. Vroeger kende iedereen er iedereen, mensen praatten nog met elkaar, hielpen elkaar nog. Alle vaders werkten in de Métallurgie, de een was elektricien, de ander timmerman - als er een strijkijzer kapot was of er moest een duivenhok getimmerd worden, belde de een de ander.' Die solidariteit, vermoedt hij, werd mede in de hand gewerkt door een gedeeld gevoel van achterstelling. 'De Kempen zijn altijd stiefmoederlijk behandeld, en wij waren ons daar maar al te goed van bewust. Het symbool van die achterstelling was voor mij het lamentabele openbaar vervoer. In de Kempen kregen we van de NMBS altijd de afleggertjes van de grote steden, een soort beestenwagons die 's winters niet te verwarmen waren zodat je tenen eraf vroren, en met de vering van een postkoets. Als ik vanuit Olen de trein naar de normaalschool in Lier nam en onderweg een boek probeerde te lezen, was ik altijd bang dat mijn netvliezen zouden loskomen. Wist je dat Leopold II op een gegeven moment van de Kempen een kolonie heeft willen maken? Wij waren nu eenmaal, op de Ardennen na misschien, de dunst bevolkte streek van België en daarom ook de nationale vuilnisbelt. Ook op menselijk vlak: nergens vind je zo veel gevangenissen, landloperskolonies, verbeteringsgestichten en psychiatrische instellingen als hier bij ons. Moet er een atoomcentrale worden gebouwd, dan zetten ze die in de Kempen neer. En waar wordt vervolgens het radioactief afval opgeborgen? Onder de Kempen. Het is toch niet te geloven?' Het liefst wil hij blijven schrijven 'tot de pennenstok hem uit de hand valt'. Maar of hij zijn schrijvende streekgenoot Aster Berkhof, die vorig jaar op zijn honderdste overleed, zou willen evenaren? 'God bewaar me! En dan het woonzorgcentrum ingerold worden? Sterven is niet echt iets waar ik naar uitkijk - ik zou er liever zelf niet bij zijn als het gebeurt, zoals Woody Allen ooit zei - maar ik hang ook niet zo aan het leven. Het leven is nu eenmaal een vergissing. Alle leven. Een vergissing van de kosmos, die begonnen is bij de Big Bang. Wat Heidegger het zijnde noemde, is gedwongen zich op de een of andere manier voort te planten om te blijven. In het geval van de mens betekent dat: kinderen krijgen en die grootbrengen tot ze je niet meer nodig hebben. Eigenlijk ben je rond je veertigste al overbodig geworden. Het grote probleem is toch dat we met zijn allen te oud worden. We zijn domweg met te veel: ik leerde op de lagere school nog dat er tweeëneenhalf miljard mensen op deze aardbol leefden, nu zijn het er drie keer zoveel en toch blijven er altijd maar bijkomen. Tot de natuur vindt dat het welletjes is geweest en weer eens een pandemie langs stuurt.' Op de laatste pagina's van Crossroads is het zover: een dodelijk virus heeft Achter-Olen bereikt. De minister van Volksgezondheid waarschuwt de Belgen om in hun kot te blijven en wie toch naar buiten gaat, moet een mondmasker dragen. 'Gelukkig dat de zusjes dat allemaal niet meer hoeven mee te maken', verzuchten de Olenaren. Het is meteen het slotakkoord van het boek. Hoe de schrijver zelf de coronatijd intussen is doorgekomen? 'Al schrijvend natuurlijk. Terwijl andere mensen er de muren van oplopen, maakt een lockdown voor een schrijver in principe weinig verschil. Ik ben het al vijftig jaar gewend binnen te blijven. Hoe rot ik me ook voel, zodra ik begin te schrijven, laat ik alle ellende achter mij en stap ik een andere wereld binnen. Een wereld waarin ik het zelf voor het zeggen heb. Dat heeft zo zijn voordelen.'