Bijna twee decennia terug, voordat John Maxwell Coetzee de Nobelprijs voor Literatuur won, schreef de Belgische componist Nicholas Lens een brief aan diens toenmalige uitgever. Het was vooral een persoonlijk schrijven, maar met aan het eind een klein zinnetje: als Coetzee ooit iets zou willen doen wat hij nog nooit had gedaan: een libretto schrijven voor een nog te componeren opera, dan zou hij dat zeker mogen laten weten.
...

Bijna twee decennia terug, voordat John Maxwell Coetzee de Nobelprijs voor Literatuur won, schreef de Belgische componist Nicholas Lens een brief aan diens toenmalige uitgever. Het was vooral een persoonlijk schrijven, maar met aan het eind een klein zinnetje: als Coetzee ooit iets zou willen doen wat hij nog nooit had gedaan: een libretto schrijven voor een nog te componeren opera, dan zou hij dat zeker mogen laten weten. Omdat de schrijver net van uitgever was veranderd, liet het antwoord ongeveer een jaar op zich wachten. Coetzee, die als volstrekt onbenaderbaar bekendstaat, liet aan de componist weten dat hij zijn werk kende en graag over het aanbod wilde praten. Het was het begin van een aanvankelijk nog tastende samenwerking. 'Zijn extreme gereserveerdheid is bekend', zo licht Lens toe in een schriftelijk interview met Knack. Pas na lange tijd maakten de reserves plaats voor wat Lens 'een aangename, haast familiaire band' noemt. 'Met Coetzee is zoiets enkel mogelijk, denk ik, nadat er een absoluut wederzijds vertrouwen is ontstaan.' De samenwerking resulteerde in Slow Man ('Langzame man'), een opera die gebaseerd is op Coetzees gelijknamige roman en die in juli 2012 voor het eerst werd opgevoerd op het Malta Festival in Polen. Het was de eerste keer dat de Nobelprijswinnaar zijn medewerking verleende aan een podiumadaptatie van zijn eigen werk. 'We waren nogal blij met onze samenwerking,' schrijft Lens, 'in die mate zelfs dat John en ik besloten om samen drie opera's te schrijven.' De tweede opera, Elizabeth Costello at the Gate, hebben ze bijna af. Een eerste voorproef wordt in een beperkte concertante live gebracht in november van dit jaar in Adelaide, Australië, de nieuwe thuishaven van Coetzee.Het hoofdpersonage, Elizabeth Costello, is geen onbekende voor wie met Coetzees oeuvre vertrouwd is. Costello, een eigengereide, oudere schrijfster, duikt in verschillende van zijn romans op. 'Zij is eigenlijk Johns alter ego', stelt Lens. 'In onze nieuwe opera is ze dood en komt ze in de nawereld. Ze blijkt nog steeds even rebels, zelfs daar, terwijl ze tegenover een driekoppige jury haar leven als schrijfster dient te verantwoorden. De opera is dus een soort intellectueel testament van John zelf. Hij neemt zijn eigen, levenslange schrijverschap op de korrel en stelt het op een wel erg kritische manier ter discussie.' In de roman Elizabeth Costello doet Coetzee wat hij in nog wel meer boeken doet: (laten) nadenken en filosoferen over morele kwesties als dierenrechten, ontrouw, geweld, goed en kwaad, zonder daarbij te moraliseren. Het is al vaker gezegd: Coetzee schrijft boeken over moraal, niet met een moraal. De schrijver is daar vaak voor geprezen. Maar het leverde hem ook harde kritiek op. Dat was ook zo na de publicatie van In ongenade ( Disgrace) in 1999, behalve zijn bekendste misschien ook wel zijn meest controversiële roman. In ongenade vertelt het verhaal van David Lurie, hoogleraar letterkunde aan de Kaapse Hogeschool, wiens positie onhoudbaar wordt als een studente met wie hij een affaire had hem openlijk beschuldigt van seksuele intimidatie. Lurie verhuist naar het platteland, waar hij intrekt bij zijn dochter Lucy. De misdaad die zich daar voltrekt - Lucy wordt verkracht door drie zwarte mannen en raakt zwanger - gaf aanleiding tot de meest uiteenlopende interpretaties. Moeten we deze verkrachting en het resultaat daarvan begrijpen als een metafoor voor de recente Zuid-Afrikaanse geschiedenis? Volgens Coetzees collega Salman Rushdie is dat een legitieme interpretatie. Rushdie las in de verkrachting een soort onvermijdelijke historische schuldvereffening. 'Omdat blanken door heel de geschiedenis heen zwarten hebben onderdrukt, zo wordt gesuggereerd, moeten we nu accepteren dat zwarten blanken zullen onderdrukken.' Rushdie toonde zich in zijn bespreking niet onder de indruk van Coetzees roman. Hij merkte op dat de personages in het boek uitblinken in wederzijds onbegrip. Ze tasten in het duister, net als de lezer trouwens. Rushdie ziet dat als een belangrijk manco. 'Wanneer de creaturen van een schrijver onbegrijpelijk zijn,' schreef hij, 'wordt het de taak van de schrijver om de lezer te voorzien van het inzicht dat de personages missen. Als hij dat niet doet, zal zijn werk geen licht schijnen op de duisternis, maar slechts een deel worden van de duisternis die het beschrijft. Dat is helaas de zwakte van In ongenade.' Wat Rushdie aanduidt als een zwakte, noemt Tom Lanoye, een groot bewonderaar van het werk, net een sterkte. 'Precies dat ongrijpbare maakt Coetzee zo groot', zegt Lanoye. 'Om bij In ongenade te blijven: dat is een boek waar je eindeloos over kunt discussiëren. Telkens als ik het herlees, ontdek ik er lagen in die ik er voordien niet in had gezien. Het is een boek als een ontleedmes, dat misschien wel meer blootlegt over zijn lezers dan over zijn schrijver. Zie bijvoorbeeld de reactie van Rushdie. Eigenlijk zegt Salman Rushdie in zijn bespreking dat goede boeken licht doen schijnen in de duisternis. Daarmee vat hij goed samen waarom ik Rushdie geen grote schrijver vind.' In ongenade wordt vaak gelezen als een commentaar op het tijdperk na de apartheid en de nieuwe verhoudingen tussen de zwarte en de blanke bevolking. Lanoye noemt dat een mogelijke, maar uiteindelijk oppervlakkige lezing. 'Als je het enkel zo leest, mis je misschien wel de essentie', zegt hij. 'Voor mij is In ongenade in de eerste plaats een genadeloze analyse van de mannelijke seksualiteit, en de territoriumdrift die daarbij hoort.' Natuurlijk is Zuid-Afrika in het boek nadrukkelijk aanwezig. 'Zuid-Afrika is een dankbare arena voor Coetzees onderwerpen, maar het is zelf geen onderwerp', vertelt Lanoye. 'Veel criticasters, zoals Rushdie, maken die fout. Ze zien de arena als het onderwerp, en lezen volgens mij zodoende een beperkte, zelfs foute versie van zijn boeken.' Een politiek correct boek kun je In ongenade bezwaarlijk noemen. Zoals Lanoye aanstipt: we kijken door de blik van David Lurie, een 'oude patriarch met een koloniale blik', die zich bovendien weigert te excuseren voor zijn wandaden. Dat doet ook de verteller niet, waardoor het, zoals Kristien Hemmerechts heeft geopperd, kan lijken of Coetzee met zijn personage sympathiseert. 'Ook in Zuid-Afrika vinden sommige critici zijn engagement niet afgetekend genoeg', weet Nicholas Lens. 'Vooral Disgrace wordt er uitgelicht. Men speculeert soms waarom het hoofdpersonage niet voldoende als ploert te kijk wordt gezet. Zou de auteur soms zelf persoonlijke genegenheid voelen voor de hufter David Lurie, wordt geopperd. Het is zeer bevreemdend dat intelligente critici en auteurs het de moeite vinden om daarover te speculeren. Voor alle duidelijkheid, in Johns libretto van onze Costello-opera zingt Elizabeth Costello, Johns alter ego, op een gegeven moment: "I am a writer, and what I write is what I hear, I am a secretary of the invisible, it is not for me to judge, it's not for me to question, I listen for the words, I test for their soundness, I write them down, I am hearing the words, that's my calling, what I am called to do." En ook: "I am a writer, a trader in fictions. I change my beliefs as I change my clothes, according to my needs.'"Voor wie er nog aan mocht twijfelen: J.M. Coetzee schrijft geen gemakkelijke boeken. 'Zijn werk wordt vaak intellectualistisch genoemd', vertelt docent Engelse letterkunde Ludo Teeuwen, 'en dat is helemaal terecht'. Teeuwen doctoreerde in 1992 op het werk van Coetzee. Het was geen liefde op het eerste gezicht. 'Aanvankelijk wilde ik een doctoraat schrijven over zijn landgenote Nadine Gordimer. Omdat iemand me voor was, raadde mijn promotor, de befaamde professor Herman Servotte, me aan om het werk van ene Coetzee te bestuderen. 'Het is nog geen bekende naam,' zei Servotte, 'maar ik verwacht er veel van'. Ik heb zijn advies gevolgd, en eerlijk gezegd: ik voelde me bij die lectuur heel ongemakkelijk. Hoewel ik een opleiding literatuur achter de rug had, wist ik niet hoe ik hem moest lezen.' Pas nadat Teeuwen zich had verdiept in het postmodernisme en de secundaire literatuur over Coetzee begon hij te begrijpen waar het deze schrijver om te doen was. 'Je kunt die boeken niet lezen als realistische of psychologische romans. Hij zet de conventies van de traditionele roman op zijn kop. Zijn boeken zijn ook haast altijd commentaren op andere werken. In de regel is er ook een andere tekst die een rol speelt. Waiting for the Barbarians (1980) is bijvoorbeeld duidelijk een commentaar op de boeken van Nadine Gordimer.' Coetzee en Gordimer, die andere Zuid-Afrikaanse Nobelprijswinnaar, zijn twee totaal verschillende schrijvers, vertelt Teeuwen. 'Zij is een betrokken, geëngageerd auteur, die past in de liberale, humanistische traditie. Coetzee is iemand die vragen stelt bij die traditie, bijvoorbeeld door werk uit die traditie te deconstrueren. Daarvoor heeft hij ook binnen de zwarte gemeenschap kritiek gekregen. Toen in 1986 Foe verscheen, zijn bewerking van Defoes Robinson Crusoe, werd dat afgedaan als: ' postmodern games while Soweto is burning'. Coetzee heeft nooit echt op die kritiek geantwoord. Als het over zijn politieke positie gaat, spreekt hij enkel in algemeenheden. Dan zegt hij dingen als: 'Men verwacht van schrijvers dat ze een standpunt innemen, maar waarom doet men dat niet van een tennisspeler?' Begin deze eeuw verhuisde Coetzee van Zuid-Afrika naar Australië. Was het, zoals weleens gesuggereerd is, een vlucht voor de harde kritiek op In ongenade? Zou het kunnen dat Coetzee in Europa veel meer wordt gewaardeerd dan in zijn geboorteland? 'Zuid-Afrika is een bijzonder complex land', legt Lanoye uit. 'Het is onmogelijk om er in algemene termen over te spreken. Ik durf wel te zeggen dat in artistieke kringen het respect voor hem groot is. Ook bij de zwarte gemeenschap. Maar we spreken hier natuurlijk wel over Zuid-Afrika, een hectisch land met een bijzonder felle meningenstrijd. Ik kan me wel voorstellen dat een persoonlijkheid als Coetzee zich daaraan wilde onttrekken om in alle rust verder te werken. Maar zeker weet ik dat niet. Hij is daar, zoals over alles, notoir gesloten over.' Coetzees zwijgzaamheid is nooit treffender geïllustreerd dan door de Nederlandse programmamaker Wim Kayzer. Voor diens interviewserie Van de schoonheid en de troost (VPRO) had de schrijver bij hoge uitzondering een interview toegestaan. Het resultaat is even gênante als beklijvende televisie. Minuten van zwijgen werden slechts doorbroken door, heel af en toe, een knikje of een korte zin. 'Coetzee houdt niet van directe interviews', schrijft Lens over dat gesprek. '"Omdat er dan geen tijd is voor reflectie", zo zegt hij. Zelf vind ik dat zeer respectabel. Want schoonheid, kun je daarnaar vragen? Sommige politici menen opnieuw schoonheid te willen in de kunsten. Schoonheid op bestelling dus. Ik meen dat je schoonheid enkel kunt krijgen van een kunstenaar, je kunt er niet om verzoeken. Je kunt het krijgen als je over de gave beschikt het dan ook te zien. In Coetzees werk is de schoonheid, zijn schoonheid, uitermate zichtbaar, onverholen tastbaar zelfs. En je hoeft niet eens een collega professor literatuur te zijn om van die gelaagde schoonheid te kunnen genieten. Maar je kunt nu eenmaal het ongekende, raadselachtige en ongedefinieerde, drie volgens mij absolute basiskenmerken van kunst, niet verordenen.' 'Een marteling', zo noemde Coetzee het gesprek met Wim Kayzer. Is het toeval dat ook het werk van de schrijver van dergelijke communicatieve martelingen vergeven is? 'Communicatie met de ander is bij Coetzee altijd problematisch', zegt Ludo Teeuwen. 'Net als de liefde. Als je de Coetzee-biografie van J.C. Kannemeyer hebt gelezen is het moeilijk om dat allemaal los te zien van zijn persoonlijk leven. De relatie met zijn vader, een alcoholist, was bijzonder moeilijk. Zijn eerste huwelijk was een mislukking. En dan is er nog het drama van de vroeggestorven zoon. Die afstandelijkheid die Coetzee en veel van zijn personages zo kenmerkt, komt niet uit de lucht gevallen.' Volgens Kannemeyer is het werk op nog een andere manier bepaald door zijn biografie. Coetzee groeide op het Zuid-Afrikaanse platteland op, omringd door 'naakte, dorre aarde, zonder versiering of opsmuk'. Die omgeving zou zich volgens Kannemeyer later weerspiegelen in de typische, bijzonder afgemeten stijl van Coetzees proza. Op stilistisch vlak lijkt Lanoye zowat Coetzees tegenpool. 'En toch vind ik zijn stijl fenomenaal', zegt hij. 'Een uitgebeende stijl komt vaak voort uit een gebrek aan talent om volzinnen te schrijven. Bij hem is het het talent om zinnen te condenseren tot tijdbommetjes. Zijn stijl wordt soms karig genoemd, maar gecondenseerd vind ik een juistere typering.' In het proza van Coetzee is, zo stelt Nicholas Lens, niet één zin, woord of leesteken overtollig. 'Dat uitgepuurde is echter onopvallend en heeft ook niets gekunstelds. Alsof er niet maandenlang aan is geschaafd.' Tot slot, bij wijze van toegift, wil Lens nog iets delen, 'iets wat niet zoveel mensen weten'. Coetzee, schrijft hij, 'heeft ook een prachtige leesstem. Hij had me eens uitgenodigd in Polen, waar hij een van zijn vele awards in ontvangst mocht nemen. "Je hoeft niet te komen mocht je geen zin hebben," zei hij, "waarschijnlijk wordt het behoorlijk vervelend." Maar ik ging toch. En inderdaad, grotendeels was het bijzonder duf. Maar op een gegeven moment ging John iets voorlezen. Hij stond daar met een soort kardinaalsrood gewaad van de award rond zijn schouders en begon te lezen. Nu durf ik te zeggen dat ik, uit hoofde van mijn beroep, wel iets van stemmen afweet. En kijk, John heeft een prachtige voorleesstem. Hij bracht me zowaar in een soort trance. Gevaarlijk, want ik luisterde niet meer naar de inhoud, maar enkel nog - mijn beroepsmisvorming - naar het timbre van de stem.'