Een miljoen en zevenenvijftig jaar. Zo oud is de kunst vandaag volgens Fluxus-kunstenaar Robert Filliou. Op 17 januari 1963 organiseerde hij voor het eerst het feest voor de miljoenste verjaardag van de kunst. Heerlijk toch, dat wij in de zon en het aura van de kunst kunnen staan, zodat wij even, in het diepst van onze gedachten, gespierd en eeuwig fit als marmeren atletenbeelden kunnen zijn, of perfect geconserveerd en gerestaureerd als schilderijen, eventueel dynamisch sukkelend als een Panamarenko, onszelf heruitvindend tot in het oneindige. Kunst is, naast kaas en nog een paar randfenomenen, het grootste bewijs van beschaving van die sterfelijke, kwetsbare wezentjes op twee poten genaamd mensen.
...

Een miljoen en zevenenvijftig jaar. Zo oud is de kunst vandaag volgens Fluxus-kunstenaar Robert Filliou. Op 17 januari 1963 organiseerde hij voor het eerst het feest voor de miljoenste verjaardag van de kunst. Heerlijk toch, dat wij in de zon en het aura van de kunst kunnen staan, zodat wij even, in het diepst van onze gedachten, gespierd en eeuwig fit als marmeren atletenbeelden kunnen zijn, of perfect geconserveerd en gerestaureerd als schilderijen, eventueel dynamisch sukkelend als een Panamarenko, onszelf heruitvindend tot in het oneindige. Kunst is, naast kaas en nog een paar randfenomenen, het grootste bewijs van beschaving van die sterfelijke, kwetsbare wezentjes op twee poten genaamd mensen. Kunst en hoogmoed zijn altijd heel close geweest. Kunst is een soort hybris voor de val van onze sterfelijkheid. Wij vergaan, kunst blijft bestaan en heeft het fabelachtige vermogen om op bepaalde momenten zwaar in de bocht te gaan hangen, eruit te vliegen, terug op te krabbelen en aan een zoveelste leven te beginnen, bijvoorbeeld gereïncarneerd als een urinoir van Duchamps. Ieder jaar mag in het M HKA op de verjaardag van de kunst iemand speechen en eventueel roet in het eten van de consensus gooien. Dit jaar ben ik vereerd die rol te mogen spelen. Ik wil wijzen op een paar paradoxen. Daarmee maak ik me niet per se populair. Hoeft ook niet, ik werk niet in de entertainmentsector. Preaching to the choir is makkelijk en draagt bij aan het groepsgevoel. Een gemeenschappelijke vijand, de overheid die centen achterhoudt aan de ene kant, en wij, kunstenaars, aan de andere kant van de pool. Maar misschien hebben we dat wel al gehad, de verhalen over de canon en populisme en Studio 100-kunst, de verontwaardigde verhalen over de stand van het land en over geld en kunst. Daar kan samenhorigheid niet ophouden. Geld en kunst hebben altijd een ingewikkelde relatie gehad. Vaak hebben ze op het randje van de vechtscheiding gestaan in hun perverse huwelijk. Kunst heeft geld als partner nodig maar moet niet proberen mee te stappen in het economische discours. Er wordt vaak gezegd dat subsidie geen hulp aan hulpbehoevenden is, maar een effectieve economische investering die ook echt rendeert. Dat discours heeft een aantal voordelen. Het grootste voordeel: geld is meetbaar, dus kunst is een economisch goed. Uit studies is gebleken wat overheidsgeld voor cultuur grosso modo oplevert. Voor iedere euro die de overheid in cultuur investeert, keert er 1,30 euro weer. Maar misschien klopt ook dat verhaal niet helemaal. Er is veel kunst, misschien niet zo toevallig kunst die mij vaak na aan het hart ligt, die net geen kapitaal genereert, omdat ze te grillig, te wispelturig, te onvolwassen is. Ik denk vaak aan het verhaal van kortverhalenschrijfster Lydia Davis, Break it Down, waarbij een vrouw die net de bons heeft gekregen, begint uit te rekenen hoeveel die relatie haar uiteindelijk gekost heeft, welke haar investering was en wat het opgeleverd heeft. Ze turft de hotelovernachtingen, de restaurantbezoeken, haar nieuwe jurk en deelt de som door de duur van de relatie. Zeven dollar per dag, dat is de prijs van de relatie. Is het genoeg? Te weinig? En is dat een vraag die de essentie vat? Het is nooit genoeg, denk ik, voor de afgewezen geliefde. In het DNA van verlangen zit geen maat. Wat mij betreft, is het vanzelfsprekend dat er niet genoeg geld geïnvesteerd is in de kunsten. Kunst verdient geld, veel geld, hopen geld, veel meer dan ooit beschikbaar is. Wat mij betreft. Als ideologische keuze. De Vlaamse regering wil besparingen doorvoeren. De schrijfster Jeanette Winterson schreef in Written on the Body (1992): 'what you risk reveals what you value'. Er kwam een duidelijke keuze van het kabinet van cultuurminister Jan Jambon: een keuze voor de Vlaamse identiteit, en vooral voor dode kunst. Hedendaagse kunsten, daar gaan ze niet te veel risico's voor nemen. Omdat ze er minder belang aan hechten. Vlaanderen heeft een democratisch verkozen regering. Een onrechtstreeks verkozen regering is het, maar wel een vertegenwoordiging van de ideologische keuzes waar de meerderheid van de burgers achterstaat. Kunst is in het leven van veel mensen totaal overbodig, net zoals voetbal dat in mijn leven is, en dat is vermoedelijk nooit anders geweest. Ook dat is een democratisch gegeven waar we mee om moeten kunnen. Een van de inconvenient truths van de democratie waarin wij leven. Protest is een al even democratisch gegeven. De meeste sectoren die protesteren, gaan in staking. Een kunststaking zou een redelijk belachelijke bedoening worden omdat de meeste burgers het amper zouden opmerken. De directe socio-economische impact is gewoonweg te laag. Sad but true. Er kwam wel een stortvloed aan reacties uit de artistieke wereld. Het protest van een kleine, mondige, verontwaardigde groep is ook de media niet ontgaan. Er werd veel plaats gemaakt in de pers voor het item van de cultuurbesparingen. Verspreid over alle sectoren is er een besparing van zes procent opgelegd. Het is dus niet zo dat enkel de kunstsector geviseerd wordt. De hele Vlaamse regering is akkoord gegaan met deze besparing over alle domeinen, zonder onderscheid. Begin december, een goeie twee weken na de kunstensector, kwam ook de zorgsector op straat. Om voor hun eigen lonen en middelen op te komen, maar ook als de spreekbuis voor kwetsbare mensen, mensen die zelf amper in staat zijn om hun stem te verheffen omdat ze hun handen al meer dan vol hebben met overleven met de hulp van anderen. Kansarmen. Mensen in de rats die de weg naar de media niet vinden en zeker niet de megafoon van kunstenaars krijgen. Dat is een hele grote groep in Vlaanderen, die niet zo goed voor zichzelf kan opkomen. Justitie, gezondheidszorg en niet te vergeten het onderwijs, zijn allemaal sectoren die mee de toekomst bepalen en die kampen met moeilijkheden. Net zoals die sectoren deelt de cultuursector al jaren in de klappen. Cultuur maakt amper 1,1 procent uit van de begroting. Is het nodig om die befaamde kaasschaaf daar nog eens boven te halen? Vanuit het standpunt van de kaas niet, uiteraard. Taaie tijden komen eraan. En met name acteurs en muzikanten hebben het al langer zwaar als ze moeten leven van subsidies. De cultuursector is een kleine sector met een grote uitstraling én een groot bakkes. Een kleine groep van hopelijk kritische en creatieve wezens. Maar de regering wil besparen. Zes procent minder, het geldt voor alle sectoren, algelijk. We kunnen solidair zijn in relatieve misère. Dus wat nu, nu het stof van de verontwaardiging wat gaan liggen is en het verzet iets heeft opgeleverd? De vorige minister van Cultuur, Sven Gatz, heeft sommige besparingen op projectsubsidies uiteindelijk wel teruggeschroefd en huidig minister Jambon heeft nu ook zijn rekensom opnieuw gemaakt. Maar er is iets fundamentelers dat zal blijven meespelen, en dat is het gebrek aan belangstelling, of soms zelfs het wantrouwen ten opzichte van kunst, vooral ten opzichte van levende en vooral prille hedendaagse kunst die nog wankel in de schoenen staat. Een miljoen en zevenenvijftig jaar bestaat de kunst, ongeveer toch, met een korrel zout genomen. Kunst mag zichzelf opheffen, op ieder moment, onder iedere omstandigheid. Hier. Nu. We zouden vanavond gezamenlijk de kunst kunnen doodverklaren, of even op prepensioen kunnen sturen, op haar verjaardag. Het ergste zou zijn dat we dat doen uit geldgebrek, dat daar de oorzaak ligt van de opheffing. Dan is niets van waarde nog weerloos, zoals de dichter Lucebert zei, maar dan is het enkel een kwestie van centen. Kunst kan zichzelf ook heruitvinden op momenten van algemene crisis. Pakweg op momenten dat de wereld in brand staat en te midden van al die onzekerheid en angst een groot deel van de bevolking, ook de jeugd, conservatiever kleurt en andere prioriteiten heeft. En in de golfbewegingen van de tijd is kunst zo vaak tegen haar wil ondergedoken, om gesterkt naar boven te komen, ontdaan van overbodigheid. In plaats van te kijken naar de overheid, de systemen en de verstopte buizen van de subsidiekanalen kunnen we de focus even verleggen. De schijnwerpers weg van het decor, weg van de waterleiding en riolering, en op ons en onze relatie, ieder van ons voor zich en de kunst. Want hoe zit het met die relatie? Allemaal even op de sofa, tijd voor zelfonderzoek. Hoe nodig hebben wij kunst en hoe nodig heeft kunst ons? We moeten van binnenuit sterk zijn en onze band moet hecht zijn, anders zijn we niet opgewassen tegen crisissen. Susan Sontag, schrijfster en critica, pende de gevleugelde woorden neer: 'We need an erotics of art.' Sontag pleit voor een hoogstpersoonlijke relatie met een werk, een intieme band, een verlangen, geen slimmigheid van interpretaties, geen manieren om jezelf en je eigen intellect naar voren te schuiven via een werk. Ze heeft het in de eerste plaats over hoe het publiek echt een verhouding met het werk zelf aangaat. Dat publiek bestaat uit kijkers en critici en recensenten en de makers zelf en fans en sceptici en alle mensen die van ver of dicht bij dat werk betrokken zijn. Voor mij is het heel simpel: zonder schrijven heb ik er niet echt veel zin in, in het leven. Zo pathetisch en naïef en helder is het voor mij en voor nog een hele community. Autonomie is daarin belangrijk. Liever iets maken waar ik zelf achtersta dan op basis van een populariteitspoll aan de slag gaan. What you risk, reveals what you value.Zelf denk ik vaak, zoals Candide aan het einde van Voltaires roman: 'Il faut cultiver son jardin.' Misschien is het een tijd voor underground, of iets minder ondergronds en minder dramatisch: voor tuinieren. Laten we allemaal maar ons ding doen, als kunstenaar en kijker en lezer, recht in de modder van de tuin, want achter de haag wacht de wereld en je kunt er niet van uitgaan dat die zit te wachten op wat je maakt. Een van de oermoeders van alle kunstenaressen, Louise Bourgeois, merkte op: 'What's the use of talking, if you already know that others don't feel what you feel?' Zij nam haar toevlucht tot de taal van de beeldende kunst omdat de taal van de dagelijkse realiteit of het relatieve comfort als huismoeder of als werknemer haar niet lag. Momenteel loopt trouwens een grote Louise Bourgeois-tentoonstelling in het Nederlandse particuliere museum Voorlinden, waar haar werk generaties later nog luid spreekt en gehoord wordt. Hedendaagse kunst heeft vaak op gespannen voet met de werkelijkheid gestaan, omdat ze net een groot verlangen naar autonomie in zich draagt en tegelijk ook naar verbinding. Vind in dat spanningsveld maar eens je weg, en te midden van deze dure woorden. En dan heb ik geld er nog niet eens bij betrokken. Geld staat nooit los van de kunsten. Want wie gaat die esoterische erotics of art en dat bucolische getuinier betalen? Er bestaat een gemeenschap die zichzelf inventief en solidair in stand houdt. Iedereen uit het publiek maakt mee een werk en draagt er aan bij. Een publiek kan en wil ook zijn verantwoordelijkheid opnemen. Kunst is niet gratis of bijna gratis. Ook het publiek moet mee in het bad. Een mentaliteitswijziging is dan nodig. In Vlaanderen bestaat er een mentaliteit van wantrouwen tegenover mecenaat en privé-initiatief. Sommige kunstenaars gaan vol voor commercantenkunst en komen daar ook rond voor uit: u vraagt, wij draaien en graaien. Maar bij de meeste kunstenaars bestaat een grote angst voor een knieval. Mecenaat klinkt in onze regionen als een heel vies woord, een morele paniek wolkt dan op, een zweem van collaboratie hangt in de lucht. Alsof Marc Coucke het ene deel van de kunstwereld zal overnemen en het andere deel van Louis Vuittonlabeltjes voorzien wordt, en jonge choreografen nu bij Zwangere Guy gaan moeten dansen, en dat die dan en passant ook nog de hele inhoud van die kunstenmakerij gaan bepalen. Dat wantrouwen is erg Vlaams, doordat de overheid vaak de kunsten wel subsidies heeft gegeven. We hebben geen traditie op het vlak van mecenaat, net zomin als wij een traditie van vrijwilligers of liefdadigheid hebben. Met een overheid als mecenas is het niet nodig anderen te zoeken om te ondersteunen. Maar als die angst zo groot is om te veel geassocieerd met en besmet door privégeldschieters te worden, volgens het ouderwetse gezegde: 'wiens brood men eet, diens woord men spreekt', zou dat dan niet gelden voor de subsidies van de overheid? Raden van bestuur en commissies raken bevolkt door een afspiegeling van de democratisch verkozen meerderheid. Is samenwerken met particulieren of instellingen die wel vol voor een kunstenaar of project gaan dan soms niet wenselijker? Mecenassen zijn een actief deel van het publiek. Zij geven geld aan kunst vanuit een complex geheel van belangen; niet per se als economisch verantwoorde investering die 130 procent rendeert, maar ook als risico, als gok, voor hun eigen status, als symbolisch kapitaal zoals de socioloog Bourdieu opmerkte, om belastingen te verleggen en taxshelters in rekening te kunnen brengen, of om bijvoorbeeld vanuit de wetenschap een alliantie aan te gaan met de meer experimentele kant, de kunsten. What you risk is what you value. Wat je op het spel zet, toont waar je belang aan hecht. En ik riskeer hier de sfeer te bederven dus tot besluit wil ik een gedichtje voorlezen dat ik geleerd heb van mijn vijfjarige zoon, omdat de kat genaamd Kunst vandaag jarig is: De kop van de kat was jarig/zijn pootjes vierden feest/zijn staartje kon niet meedoen/hij was pas ziek geweest/hij kwam pas uit het ziekenhuis en had pijn aan zijn keel/en al dat dansen en dat springen/was hem veel te veel