...

In de twintigste eeuw ging de wereld drie keer gebukt onder het juk van een totalitaire utopie. Communisten droomden van een stralende toekomst voor de mensheid. Een Nieuwe Mens zou, na een zegevierende wereldrevolutie, geboren worden uit het proletariaat. Fascisten, en de felsten onder hen: de nazi's, droomden van een nieuwe mensheid, gezuiverd van onreine en halfwaardige Untermenschen; op die stevige en gezuiverde bodem zou het duizendjarige rijk van het Herrenvolk verrijzen.Communisme en nationaalsocialisme waren aartsvijanden, maar ze leken op elkaar. Niet toevallig werd het nazisme al in de jaren dertig 'Het Bruine Bolsjewisme' genoemd. Beide ideologieën gingen ervan uit dat het mogelijk was om in één geweldige revolutionaire ommekeer, hier en nu, een nieuwe aarde en een nieuwe mensheid in het leven te roepen. Maar hoe stralender de toekomst werd voorgesteld, hoe gewelddadiger die ommekeer verliep en hoe onvrijer het dagelijks leven was na de omwenteling. Denken mocht nog, zolang je de Nieuwe (fascistische of communistische) Orde maar bezong, dus zolang je niet echt dacht. En je moest, als je oude christelijke of humanistische geweten opspeelde, bedenken dat je geen omelet maakt zonder eieren te breken. Was het niet naïef te denken dat je zonder een offer - al ging het dan om miljoenen mensenlevens - een Nieuwe Mensheid kon realiseren?De grote les van de twintigste eeuw was dan ook: hoed je voor utopisch denken. Een gerealiseerde utopische droom blijkt, na het ontwaken, een reëel beleefde nachtmerrie te zijn. Utopieën zijn dystopieën met een vriendelijk gezicht. Velen hadden die conclusie al getrokken voor de Sovjet-Unie en het hele communistische Oostblok in een geweldige kladderadatsch ineenstuikten. Maar na de Val van de Muur vielen zelfs bij de goedgelovigsten de schellen van de ogen. De archieven van de Stasi gingen open en iedereen kon met eigen ogen zien wat voor een akelig regime Oost-Duitsland was geweest: een openluchtgevangenis waarin bewakers en bewaakten tussen elkaar leefden terwijl niemand wist wie wie in de gaten hield.Dé anti-utopische denker van NederlandHans Achterhuis (1942) was al eerder tot dat inzicht gekomen, namelijk toen uit China berichten binnenliepen over wat er zoal was gebeurd onder Mao Zedong, tijdens de Culturele Revolutie. Als jonge filosoof had Achterhuis Mao's Rode Boekje (1964) met rode oortjes gelezen. Zoals zoveel intellectuelen van zijn generatie was ook hij vatbaar geweest voor de daarin beschreven instructies. 'Het is streng verboden om bekentenissen af te dwingen' schreef de Grote Roerganger bijvoorbeeld. Als je zoiets kon schrijven terwijl je middenin een revolutie zat, dan getuigde dat van menselijkheid. Maar toen kwam aan het licht wat die woorden waard waren: niets. Of liever: ze fungeerden als Newspeak, ze betekenden het tegenovergestelde van wat ze leken te zeggen, zoals in George Orwells Nineteen Eighty-Four (1949) 'waarheid' leugen betekende en 'vrede' oorlog. Toen Achterhuis dit besefte, kieperde hij de maoïstische boeken in de prullenmand en werd hij allergisch voor utopisch denken. Hij ontpopte zich tot dé anti-utopische denker van Nederland. De afgelopen kwarteeuw schreef hij verschillende analyses van en aanklachten tegen het utopisch denken (De erfenis van de utopie uit 1998; Utopie uit 2006; Met alle geweld uit 2008). 'Ik dacht', schrijft hij terugblikkend, 'de utopie ontmaskerd en gedeconstrueerd te hebben: het was tijd om afstand te nemen van de gevaarlijke utopische bevlogenheid'. In zijn laatste anti-utopische boek (De utopie van de vrije markt, 2010) ontmaskert hij het neoliberalisme, vooral dan de spinsels van de in de Verenigde Staten zeer invloedrijke Ayn Rand, als een vermomde, gevaarlijke utopie. Ook Rand droomde van een nieuwe mens: een door en door berekenend, zelfzuchtig wezen dat het leven opvat als één grote markt waar de gelegenheden om winst te maken voor het grijpen liggen ('Greed is Good') en de staat tot een minimum wordt uitgekleed. Zulke denkbeelden bereikten in de jaren tachtig via Margaret Thatcher ook Europa en behoren inmiddels tot het standaarddiscours van economisten, technocraten en beleidsmakers. En ze houden, zoals gerealiseerde utopieën nu eenmaal doen, mensen gevangen in een totalitaire wurggreep van dwang en opgelegd denken. Want er is, zoals bekend, geen alternatief voor vermarkting, rentabiliteit en budgettaire gestrengheid: de overheid moet worden ontvet en burgers moeten niet langer op elkaar of de overheid rekenen maar op zichzelf. Ze moeten verantwoordelijkheid nemen voor zichzelf, 'accountable' worden, wat wil zeggen dat ze niet langer moeten denken maar rekenen. Ook het neoliberalisme kon je dus, in de ogen van Achterhuis, haarfijn aan de kaak stellen als een utopie: de derde grote utopie die de twintigste eeuw had geteisterd - hoewel zij vooral brokken maakte in de eenentwintigste eeuw.De kracht van het utopisch denkenGerealiseerde of vermomde utopieën aan de kaak stellen is één ding, daar iets tegenover stellen een ander. In debatten met Willem Schinkel en Rutger Bregman, die onomwonden pleiten voor meer utopisch lef, spelde de oude wijze 'Denker des Vaderlands' die jonge utopische dromers kortgeleden nog de les: zij zouden niet goed beseffen met welk vuur ze spelen. Maar bij Achterhuis begon iets te wringen. Hij zag dat Bregman en andere critici zich ongegeneerd bedienen van het label 'utopie', zonder dat ze heimwee hebben naar welke totalitaire utopie dan ook, zonder dat ze een kant-en-klaar beeld hebben van de komende wereldorde, zonder dat ze in één klap alles tegelijk willen veranderen, en zonder dat ze er prat op gaan alles te weten. Utopisch denken, zo begon het Achterhuis stilaan te dagen, kan dus blijkbaar ook in een niet-totalitaire variant. En zo herontdekte de grote profeet van het anti-utopisme de kracht en de mogelijkheden van het utopisch denken. Dat is de betekenis van de ondertitel - nieuw licht op het utopisch denken - van zijn recentste, maar niet langer anti-utopische boek Koning van Utopia. Op de kaft prijkt een beeld van Jan Fabre van een man die een schildpad berijdt. De man is een zelfportret van Fabre en het beeld heet 'Searching for Utopia'. Dat spreekt Achterhuis aan: we leggen ons niet neer bij de wereld zoals hij is, we zoeken naar iets beters, we spannen ons daar voor in, maar we koesteren niet de illusie dat we die betere wereld kant en klaar zullen aantreffen. In de traagheid, maar ook in de volharding van het zoeken naar een betere wereld - niet het vinden - ligt de kracht van de utopie. Voor een denker op een zekere leeftijd die meer dan een kwarteeuw een goed onderbouwde anti-utopische positie heeft bekleed, is zo'n wending niet vanzelfsprekend. Je moet toch maar toegeven dat je je vergiste, of dat je toch minstens bepaalde dingen niet zag. De frisheid en aanstekelijkheid waarmee Achterhuis die Wende maakt, pleit voor hem. Koning van Utopia is in alle opzichten een open boek. Het is helder en toegankelijk en het spoort aan om zelf te denken. Het vervalt ook niet in de denkfout dat je alleen door te denken de wereld kunt redden. Er is geen reden om minnetjes te doen over bescheiden mensen die binnen hun kleine actieradius iets doen, met vallen en opstaan, om hun leefwereld, en dat wil ook zeggen de wereld die ze met anderen delen, menselijker in te richten. Dat lijkt misschien onbeduidend, maar juist 'in kleine utopieën die concreet laten zien hoe het anders kan, hoe het beter kan' bespeur je de geest van revolte tegen een maatschappelijke orde die verontwaardiging wekt. In Koning van Utopia ontleedt Achterhuis helder en zonder betweterigheid zijn vroegere denkfouten. Het is, geloof ik, het meest charmante van al zijn boeken, en het is een plezier om hem op zijn grootvaderlijke denk- en levenswegen te volgen.Walter Weyns