De Reactor, platform voor kwaliteitsvolle literaire kritiek, levert elke week een gedegen recensie aan Knack.be. Nog literaire honger? Neem dan ook een kijkje op hun site.
...

Is Robert Anker (1946) gebeten door de hype die mindfulness heet? Zijn nieuwste roman wekt soms die indruk. Maar hoe persoonlijk hij in De vergever ook wordt, Anker speelt zoals gebruikelijk een geslepen spel met feit en fictie. Jazeker, de roman bevat heel wat allusies op figuren uit de literatuur, de journalistiek en Ankers eigen leven, maar wie daaruit besluit dat dit een echte sleutelroman is, wordt door de auteur fluitend door de benen gedribbeld.Verschrikkelijk on-cool is ze, de boodschap die het personage Sander Schwartz op het einde uitdraagt: durf te erkennen dat je grote delen van je leven 'in afwezigheid' hebt geleefd en pak voortaan alles anders aan. 'Alles de tijd geven, zonder haast, vooral in het kleine: traag een kopje afwassen, nauwkeurig een schroef aandraaien, kalm de groente snijden', en ga zo maar door. Het klinkt als een passage uit een zelfhulpboek voor mensen met een burn-out. Wie De vergever op die manier wil lezen, vindt in het relaas van Schwartz wellicht oprechte inspiratie. Maar gelukkig ook nog meer dan dat.Schwartz blikt in De vergever terug op een leven vol pieken en dalen. Tussen zijn twaalf ambachten en dertien ongelukken is er één constante: het schrijven. In het lange hoofdstuk daarover maakt Schwartz bedenkingen die Anker in interviews en essays zelf ook al heeft geformuleerd. Hij haalt er literaire helden als Vladimir Nabokov, W.F. Hermans en Simon Vestdijk bij om zijn ideeën over literatuur uit te leggen, en veegt en passant de vloer aan met James Joyce, toch ook weer geen kleintje.Schwartz werkt eerst als onderzoeksjournalist bij het weekblad Nieuwe Post, maar hij waagt zich uiteindelijk aan het schrijven van literatuur: hij wil zich 'verliezen in een parallelle wereld die alleen bestond in de zinnen die haar zouden oproepen'. Aanvankelijk schrijft hij omdat hij zinnen wil maken zoals die van Nabokov, 'kleine stompjes in de maag, "aah!" als bij een vuurwerk, soorten van vervoering - een esthetisch effect dus'. Later gaat hij op zoek naar een verhaal om te vertellen, naar inhoud, maar uiteindelijk beseft hij dat de 'noodzakelijkheid' die hij in literatuur zoekt zich niet zozeer in het verhaal hoeft op te houden als wel in het eigenlijke schrijven ervan.Hij concentreert zich daarom steeds meer op wat zijn redacteur (die verdacht veel op de betreurde Anthony Mertens lijkt) 'gestiek' noemt: 'de stijl, de toon, het register, de compositie, versnellingen en vertragingen, de filmische versnijding van verhaallijnen'. Door zijn liefde voor die technische en vormelijke aspecten komt hij vanzelf uit bij auteurs als Nabokov en Hermans, en begint hij zich te ergeren aan schrijvers van 'open, toegankelijke en vooral sympathieke' boeken, romans die je 'in een vlotte stijl' aanspreken, 'maar dan niet als jouw superieure gids maar als een gezellige reisleider' die gewoon zijn eigen ervaringen met je wil delen. 'De roman als Facebook,' fulmineert Schwartz.In dergelijke observaties over wat literatuur (niet) kan of mag zijn, vallen Anker en Schwartz nauw samen. Er zijn dan ook heel wat gelijkenissen tussen de auteur en het personage, die allebei boeken vol 'nare mannen' schrijven. Ze hebben allebei een broertje dood aan al wat hip en flitsend maar ook leeg en dom is, en ergeren zich (graag) aan de plompe onachtzaamheid waarmee klassieke waarden als schoonheid, kennis en vakmanschap tegenwoordig van tafel worden geveegd.Maar Anker kruidt het verhaal van Schwartz ook met details en kronkels die aan zijn personage een onweerstaanbare eigen identiteit en karakter geven. Schwartz krijgt een auto-ongeluk, raakt verlamd, en komt met zijn rolstoel op voor Anker onbekende plekken. Dat scheppende, die drang om uit het niets toch iets te doen ontstaan, blijkt voor Schwartz een middel om zijn eigen identiteit te ontdekken en te aanvaarden, en voor Anker is het een manier om van dit boek geen persoonlijke belijdenis maar een prikkelende roman te maken. Om zichzelf te vinden, schrijft Schwartz zijn memoires. Terwijl hij dat doet, ontmoet hij Jan Wennekes, die hem een fout wil vergeven die Schwartz vele jaren geleden zou hebben gemaakt, en die Wennekes zijn carrière heeft gekost. Maar wat is de waarde van vergiffenis als je zelf niet ten volle begrijpt welke fout je precies hebt gemaakt? En kan een fout ook worden rechtgezet als de 'dader' halsstarrig weigert om schuld te bekennen?Schwartz is aanvankelijk erg kwaad op zijn 'vergever', voelt zich belachelijk gemaakt en getreiterd. Maar doordat die vreemde man, die 'nep-Jezus' uit het verleden tot zeven maal zeventig maal zijn schuld blijft vergeven, gaat er voor Schwartz toch een belletje rinkelen. Hij duikt in zijn herinneringen, beseft dat hij inderdaad geen fraai parcours achter de rug heeft en realiseert zich ten slotte dat hij behalve een hele stoet vrouwen vooral ook zichzelf tekort heeft gedaan. In de slotnoot, waarin een zeemzoete waas van new age en zen niet veraf zijn, klinkt grote berusting: 'Maar ik verloochen de reis niet. Ik accepteer wie ik was en wat ik heb gedaan maar ik voel me nergens schuldig over.'Zoals Schwartz een louteringsproces doormaakt, zo lijkt Anker zichzelf in dit boek ook opnieuw uit te vinden. De ondraaglijke lichtheid waarmee hij je op het eind het bos in stuurt, laat je met een vertwijfeld gevoel achter. Is De vergever een luchtig tussendoortje in zijn oeuvre of juist een ultieme literaire handtekening? Anker is in elk geval vaardig en leep genoeg om die twijfel minzaam te laten bestaan.De vergever is een ode aan het leven, maar tegelijkertijd een pleidooi voor introspectie en bezinning. Anker laat in deze roman nu en dan het achterste van zijn tong zien. Soms om even van dit bijzondere relaas uit te blazen, soms om vilein de spot te drijven met zijn vertwijfelde lezers.Bert Van Raemdonck