'Charlie Chaplin heeft iets van Forrest Gump, het personage uit de gelijknamige film', vertelt Matthijs de Ridder. 'Hij bevond zich vaak midden in de politieke actie.' De Ridder heeft De eeuw van Charlie Chaplin geschreven over de komiek die vergroeide met de bolhoed, het versleten pak en snorretje waarmee hij zijn wereldberoemde personage The Tramp opvoerde. Zonder die uitdossing verscheen Chaplin graag aan de zijde van wereldleiders. In de jaren dertig bedacht hij z'n eigen plan om de economische crisis op te lossen, en met The Great Dictator, verschenen in 1940,maakte hij natuurlijk een van de beste oorlogsfilms. Chaplin blijkt een uitermate geschikte figuur om de grote verhalen van de twintigste eeuw mee te vertellen. De Ridder, die eerder over schrijvers als Louis Paul Boon en Paul van Ostaijen publiceerde, is de uitgelezen auteur om die verhalen neer te schrijven. Op lichtvoetige toon leidt hij, met Chaplin aldoor in de buurt, zijn lezers langs de dieptepunten van de vorige eeuw, maar hij slaagt er ook in om de beste scènes uit Chaplins films geestig op papier te zetten.
...

'Charlie Chaplin heeft iets van Forrest Gump, het personage uit de gelijknamige film', vertelt Matthijs de Ridder. 'Hij bevond zich vaak midden in de politieke actie.' De Ridder heeft De eeuw van Charlie Chaplin geschreven over de komiek die vergroeide met de bolhoed, het versleten pak en snorretje waarmee hij zijn wereldberoemde personage The Tramp opvoerde. Zonder die uitdossing verscheen Chaplin graag aan de zijde van wereldleiders. In de jaren dertig bedacht hij z'n eigen plan om de economische crisis op te lossen, en met The Great Dictator, verschenen in 1940,maakte hij natuurlijk een van de beste oorlogsfilms. Chaplin blijkt een uitermate geschikte figuur om de grote verhalen van de twintigste eeuw mee te vertellen. De Ridder, die eerder over schrijvers als Louis Paul Boon en Paul van Ostaijen publiceerde, is de uitgelezen auteur om die verhalen neer te schrijven. Op lichtvoetige toon leidt hij, met Chaplin aldoor in de buurt, zijn lezers langs de dieptepunten van de vorige eeuw, maar hij slaagt er ook in om de beste scènes uit Chaplins films geestig op papier te zetten. Matthijs de Ridder: In mijn jonge jaren werden die films op zondagmiddag uitgezonden voor kinderen, en zo heb ik hem leren kennen - als komiek. Pas toen ik later onderzoek deed, ontdekte ik een andere Chaplin. Ik stootte op avant-gardistische kunstenaars van na de Eerste Wereldoorlog die het over hem hadden. Ze namen zichzelf allemaal erg serieus, maar in hun ogen was niemand anders dan Chaplin de allergrootste. Dat vond ik opmerkelijk: hadden zij het werkelijk over de Chaplin uit mijn jeugd? Maar zodra je zijn oeuvre serieus neemt, ga je er de enorme rijkdom van inzien. De Ridder: Deels gingen ze natuurlijk met zijn creatie aan de haal. Zeker in Frankrijk, waar The Tramp bekend was als Charlot, groeide in verhalen, gedichten en schilderijen een heel eigen versie van dat personage. 'Leur Charlie et notre Charlot', schreef een criticus onbeschaamd. Hij vond de Amerikaanse versie best aardig, maar alleen de Fransen begrepen Charlie Chaplin écht. Voor hen was Charlot veel intellectueler, en politiek. Hij legde niet alleen, in alle onschuld, de hypocrisie van de moderne maatschappij bloot, hij stortte de wereld ook bewust in chaos. Door Franse ogen bekeken, luidde Chaplin het einde van de oude, negentiende-eeuwse wereld in. De Ridder: Daarmee wilden ze vooral verwijzen naar de dramatische ondertoon in zijn werk. Veel voorgangers uit de filmwereld waren er ook niet, hè. Omdat Chaplin op het snijvlak van de literatuur en de beeldende kunsten opereerde, werd hij dan maar vergeleken met schrijvers én schilders. Dan grepen de Fransen terug naar iemand als Diego Vélazquez - en dus ook naar William Shakespeare. (lacht)De Ridder: Ik vind hem erg goed, maar ik ga hem niet met Shakespeare vergelijken. Zijn betekenis is daarom niet minder groot, hoor. Net zoals de jazz de mensen na de Eerste Wereldoorlog helemaal anders naar muziek deed luisteren, en daardoor het leven anders deed beleven, was Chaplin in filmzalen iets totaal nieuws. Met zijn recalcitrante personage introduceerde hij een andere manier om de wereld te zien. De Ridder: Chaplin heeft zich altijd gehoed voor grote interpretaties van zijn werk. Maar in de vroege jaren 1910, nadat hij de Atlantische Oceaan was overgestoken, Engeland achter zich latend, heeft hij zichzelf natuurlijk wel opnieuw uitgevonden. In de Winnipeg Tribune, een Canadese krant, publiceerden hij en zijn manager een reeks zelfverzonnen verhalen. Ik heb die ontdekt terwijl ik mijn boek schreef. Ze waren in de eerste plaats bedoeld om kaartjes te verkopen - ongegeneerd gaat het over 'De man die elk jaar twee miljoen mensen aan het lachen brengt!' - en aanvankelijk werd Chaplin erin opgevoerd als een excentrieke moderne beroemdheid, die dan bijvoorbeeld een rijke weduwe achter zich aan krijgt, met allerlei fratsen van dien. Maar gaandeweg schetsten ze ook Chaplins zoektocht naar een rol voor zichzelf in een land dat nog grotendeels onbekend terrein voor hem was. De Ridder: Enkele honderdduizenden zal wellicht dichter bij de waarheid zijn: in die tijd speelde hij nog in theaterzalen. Zodra hij films begon te maken, vanaf 1914, kwam daar verandering in. Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleven Duitsland en bezette gebieden als België, door handelsbeperkingen, nog van Chaplin verstoken, maar daarna had hij een wereldwijd publiek. Chaplin was de eerste filmmaker die in 'beweging' dacht. Hij kwam uit het vaudevilletheater, waar hij vrijwel tekstloos speelde. In tegenstelling tot andere acteurs in de vroege zwijgende films hoefde hij het spreken niet eerst af te leren. Dat sloeg aan. Het maakte een wereldster van hem. De Ridder: Dat was pure noodzaak, ja. Anders werd er toch maar geroddeld door journalisten. Alles bij elkaar heeft Chaplin wel honderden scharrels gehad. Hij liet zich soms door zijn chauffeur afzetten in een groezelige buurt, en dan zagen ze hem voor enkele dagen niet. Dan was hij weer verliefd geworden op een of ander meisje. De Ridder: Opnieuw: hij was misschien geen Shakespeare. Maar hij was wel een belangrijke stem in het artistieke en politieke debat. Vanaf de jaren 1920 maakte hij ongeveer elke vijf jaar een grote film, en daarvoor deed hij heus onderzoek. Voor Modern Times in de zalen kwam, in 1936, had hij delen van Europa en Azië afgereisd, op zoek naar de oorzaken van de Grote Depressie. Telkens weer volgde hij hetzelfde parcours: eerst probeerde hij mensen met een zo hoog mogelijke status te spreken. Liefst een eerste minister - de Engelse premier Ramsay MacDonald begreep niet waarom zo'n clown als Chaplin met hem over economie wilde praten - of in ieder geval een parlementaire delegatie. Het doet denken aan moderne sterren als Bono van U2. Ondertussen belde zijn entourage rond om ervoor te zorgen dat hun baas ergens in de buurt een onderscheiding of lintje kon krijgen - ijdelheid was Chaplin niet vreemd. En ten slotte bezocht hij telkens weer een gevangenis. Hij wilde zien hoe een land omging met mensen die de regels hadden gebroken, of die domweg het slachtoffer geworden waren van de economische crisis en haast gedwongen waren om te stelen. In Londen bezocht hij bijvoorbeeld het cachot waar Oscar Wilde nog had gezeten. Tot zijn verbazing stelde hij vast dat het gedetineerden in de 20e eeuw nog altijd verboden was om te praten. De Ridder: Chaplin had de Britse economen C. H. Douglas en John Maynard Keynes goed gelezen. Soms nam hij gewoon de mening over van de laatste ingewijde met wie hij gesproken had, dat klopt, maar over politiek en economie dacht hij ernstig na. Hij zag dat er voor meer geld geproduceerd werd dan dat er werd uitbetaald aan lonen. En hij wist: dat moest wel misgaan. Zeker in een land als Duitsland, dat na de oorlog zuchtte onder de herstelbetalingen. Om die betalingen te kunnen wegstrepen, wilde hij bijvoorbeeld een fictieve munt in het leven roepen. Zulke voorstellen duiken vandaag nog weleens op, maar destijds lagen ze politiek gevoelig. Chaplin was te radicaal voor zijn tijd. De Ridder: Op restaurant heeft hij de componist Irving Berlin nog proberen te overtuigen: 'Verkoop je aandelen!' Berlin luisterde niet, tijdens de crisis is hij miljoenen dollars kwijtgespeeld. Chaplin is er zonder kleerscheuren uitgekomen. Het duurde wel even om zijn economische inzichten in een grappige film te vertalen. Eerst zat er in Modern Times een scène waarin The Tramp de voor- en nadelen van de goudstandaard uitlegt aan een andere zwerver. Dat was niet bepaald comic gold, en die scène heeft het niet gehaald. Maar zijn analyse - dat mensen hun brood willen verdienen en dat ze, als ze dat niet kunnen, revoluties stichten of achter de verkeerde leiders aanlopen - zit er wel nog altijd in. Ook al onthouden de meeste mensen alleen de scène waarin The Tramp onderdeel wordt van de machine waaraan hij werkt en allerlei stoten moet uithalen om weer te ontsnappen. De Ridder: Chaplin vond dat hij zijn mond móést opentrekken. De Verenigde Staten waren toen nog niet betrokken bij de Tweede Wereldoorlog, en wilden dat graag zo houden. Met zijn pleidooi voor vrede gaf hij de Britse pers in dat land argumenten om de Amerikanen alsnog te overtuigen. De Ridder: Toen Chaplin in de States films ging maken, werd hij immens populair in zijn thuisland, maar de Britten voelden zich ook wel wat verraden door hem. Toen ze er niet in slaagden om de VS bij WO I te betrekken, richtten ze hun frustraties op Chaplin en andere Britse staatsburgers die in Amerika woonden: 'De dienstplicht moet voor iedereen gelden!' Ik heb een brief gevonden die Chaplin destijds ontving van het regiment waar hij normaliter terechtgekomen zou zijn. 'We genieten van uw films,' schreven de soldaten, 'maar we stellen voor dat u met die geweldige voet van u de Duitsers aan het front een schop onder hun kont komt geven - zodat ze meteen weer naar Berlijn vliegen.' In zijn antwoord schreef Chaplin dat niet iedereen aan het front kon meevechten, maar dat hij met zijn films zijn steentje wilde bijdragen. Journalisten namen daar geen genoegen mee, maar de soldaten zelf begrepen wat hij bedoelde. Foto's en tekeningen van hem hingen in hun kampement, ze keken naar zijn films en genoten van de talloze Chaplin-imitatoren. De Ridder: Dat was de Franse schrijver Blaise Cendrars, weer zo'n avant-gardist. Volgens hem had Frankrijk de oorlog gewonnen 'dankzij Chaplin en Père Pinard' - slechte rode wijn die per hectoliter naar het front werd gepompt. (lacht)De Ridder: Chaplins redenering was eenvoudig: 'Het zijn de Russen die in Europa tegen de nazi's vechten, dus zij verdienen onze volledige steun.' Hij wilde ook dat de VS zo snel mogelijk een tweede front opende in Frankrijk: voor diezelfde eis voerde een onderafdeling van de communistische partij campagne in de VS. Chaplin had er geen probleem mee om de communisten gelijk te geven, en erg diplomatisch heeft hij zich nooit opgesteld. Hij had ook communistische vrienden, die hij soms iets te nadrukkelijk napraatte. Zo zag hij er geen graten in dat de Russen politieke tegenstanders vermoordden. 'Dat waren hún collaborateurs', klonk het - een argument dat rechtstreeks uit een communistenbriefing leek te komen. Maar was hij echt een communist? Zelf maakte hij zich er het liefste met een boutade van af: 'Ik heb een zakelijk belang van 30 miljoen dollar, en ben niet van plan om dat af te geven. Waarom zou ik dan in hemelsnaam een communist willen zijn?' Na WO II kwam hij wel in de problemen met zijn vermeende communistische sympathieën. In de periode dat de Republikeinse senator Joseph McCarthy op communisten joeg, stelde de FBI een dossier tegen hem samen. Het telde meer dan tweeduizend bladzijden. Delen ervan werden gelekt naar journalisten en columnisten, die allemaal zouden schrijven dat Chaplin moest worden uitgezet. Dat dossier kun je tegenwoordig inkijken: het is een schoolvoorbeeld van nepnieuws. Er staan alleen maar geruchten in: 'Hij is gezien op een receptie voor een vakbondsbaas' of 'Iemand die heeft gehoord dat hij 2000 dollar in de communistische partijkas heeft gestort'. In die periode keerde Chaplin zich gaandeweg af van de Verenigde Staten. Hij zou nog een aantal films maken waarin hij het ideaalbeeld probeerde terug te vinden waarmee hij naar dat land was gekomen, maar het zou hem eigenlijk nooit lukken. De Ridder: Zijn laatste films zijn ondergewaardeerd. A King in New York uit 1957 is, bijvoorbeeld, een heerlijke wraakprent waarin hij afrekent met het mccarthyisme en andere Amerikaanse uitwassen - sinds 1953 woonde hij in Zwitserland. Maar zijn wereldberoemde personage The Tramp was toen al lang van de scène verdwenen, al sinds Modern Times. Het is de paradox van Chaplin: hoe minder woorden hij gebruikte, hoe beter het publiek hem begreep. Liet hij zijn personages spreken, zoals de speechende Joodse kapper in The Great Dictator, dan ontstonden er misverstanden. De Ridder: Ik denk van wel. Je hebt natuurlijk een ander personage nodig. Een zwerver die zich als burgermannetje probeert te verkleden, met een oude bolhoed, een te grote broek en een jasje dat niet past: dat werkt niet meer. In TheWolf of Wall Street van Martin Scorsese zag ik een paar jaar geleden wel iets van Chaplin. De scene waarin Leonardo DiCaprio als bankier helemaal gedrogeerd in zijn Lamborghini probeert te kruipen: wat een staaltje van fysieke humor! En in die film zit ook een economische analyse. Ook dat is erg chaplinesk: het is de context die iets grappig maakt. Scènes waarin iemand gewoon op straat uitglijdt of gekke bewegingen maakt, die slaan niet meer aan. De Ridder: De Amerikaan Louis C. K. Net zoals Chaplin schrijft, regisseert én acteert hij. Hij houdt alles zelf in de hand. Dat is vandaag een zeldzaamheid. De Ridder: Zij spreken absoluut niet het grote publiek aan dat Chaplin met zijn films bereikte. Hij zou hen, denk ik, veel te politiek vinden. Maar ik vind ze heel goed. Colbert zei in het begin weleens, net zoals Chaplin soms deed, dat hij maar een eenvoudige komiek was en de mensen alleen maar aan het lachen wilde brengen. Maar sinds Donald Trump president is, heeft hij zich daar helemaal in vastgebeten. Die oprechte woede is een nieuwe laag die hij aan zijn 'personage' heeft toegevoegd. De Ridder: Het typetje dat Wim Helsen in zijn eerste shows speelde, deed me soms aan hem denken. Helsen sprak ook met zijn hele lichaam. In het misplaatste zelfvertrouwen waarmee hij zijn publiek bespeelde, herkende ik The Tramp. En wist je dat Louis Paul Boon een enorme Chaplin-fan was? Dat merk je ook aan zijn werk. In De Kapellekensbaan, gepubliceerd in 1953, zitten ongelooflijk geestige scenes waarin mensen even tragikomische dingen meemaken als Chaplins personages. Weet je, eigenlijk hebben alle kunstenaars de plicht om hun publiek te vermaken. En het zou niet slecht zijn als ze, ter inspiratie, wat vaker naar Chaplin zouden kijken.