Wie de autobiografische reeks 'Mijn Strijd' als een ware verslaafde heeft doorploegd, weet dat Karl Ove Knausgård als de dood is voor journalisten. 'Alle journalisten die ik tegenkom, zelfs degenen die twintig jaar jonger zijn, zijn me de baas en ik doe wat ik kan om hen niet te vervelen, zeg vaak dingen die ik niet meen alleen om hen tegemoet te komen.' Met het gevaar de man een uur lang te kwellen, schoven we bij hem aan tafel voor een gesprek over 'Mijn Strijd'. Dat hij ons misschien naar de mond zou praten, namen we er voor lief bij. Een gesprek met een getormenteerde ziel verpakt als de kruising tussen de Grote Vriendelijke Reus en een ruige rockster.
...

Knausgård: Nee, het is helaas nog exact hetzelfde als voor ik begon aan de reeks. Maar dat was ook het punt niet. De reden dat ik deze zes boeken in een razendsnel tempo neerpende, was omdat ik eindelijk een kans zag om boeken te schrijven. Iets wat me jarenlang niet lukte, ik zat vast. Het was geen therapie voor mij. Mijn werk wordt vaak als therapeutisch gezien, maar dat klopt eigenlijk niet. Knausgård: Ja, het enige helende in mijn leven is schrijven. Wanneer het goed gaat toch. Als het niet vlot gaat, is het een marteling. Dat blijft ook nu mijn ervaring. Het hangt allemaal af of ik echt volledig in het schrijven geraak. Wanneer ik buiten mijn tekst blijf, schrijf ik veel technischer. Dan moet ik mijn kritische manier van denken gebruiken en echt nadenken. Dat verdwijnt allemaal als sneeuw voor de zon wanneer ik in mijn tekst kan verdwijnen. Er bestaan dus twee manieren van schrijven voor mij: de technische manier wanneer het slecht gaat en de meer stream of consciousness manier wanneer ik echt in het moment zit. Denken tijdens het schrijven vind ik erg overschat.Knausgård: Voor mij valt dit perfect te rijmen. Een boek is de enige plaats waar je jezelf echt kunt uitdrukken. Ik kan geen enkel ander medium bedenken waar dit mogelijk is. Het schrijven van een boek is een daad die je helemaal alleen doet, er is niemand anders aanwezig of betrokken. Het is een manier om taal te schenken aan je eigen wezen. Je hebt die taal niet zomaar ter beschikking, maar je creëert de taal tijdens het schrijven. Als je wilt dat je boek goed wordt, moet je ervoor zorgen dat er niemand anders aanwezig is in je gedachten, dat je echt volledig vrij bent. Als ik schrijf ben ik dus compleet alleen. Ik denk niet aan de hypothetische lezer wanneer ik schrijf. Als ik daaraan zou denken, zou ik niet in staat zijn om te schrijven. Knausgård: Nee, zeker niet. Maar als ik alleen voor mezelf zou schrijven, zou mijn werk gecodeerd zijn en zou niemand het verstaan. Literatuur bezit een zekere richting, het is gericht aan iemand. Dat is inherent aan literatuur en inherent aan taal. Als je taal gebruikt, spreek je tegen iemand. Ook je zelf is gericht aan iemand, anders zou je je zelf verliezen. Dat is wat er gebeurt met mensen die schizofreen of psychotisch zijn: je richt je niet langer tot iemand. In dit geval ben je volledig alleen en is er niets meer dat zin geeft. Voor mij bestaat er dus een belangrijke relatie tussen literatuur, taal en het zelf. Knausgård: Ja, dat vind ik heel belangrijk. En toch kan ik daar niet aan denken wanneer ik schrijf. Ik ben trouwens ook erg verbaasd wanneer mensen niet vinden dat ik een goed persoon ben. En dat gebeurt nogal vaak. Ik word regelmatig uitgenodigd voor debatten en dan blijkt telkens dat mensen een totaal ander beeld hebben van mij dan ikzelf heb. Ik vind dit erg vreemd. Toen ik mijn boeken schreef, dacht ik niet na over de gevolgen. Ik was erg naïef op dat gebied. Mijn uitgevers dachten er overigens ook niet over na. We hebben nooit op voorhand besproken wat mensen van mijn werk zouden vinden. Ik dacht dat zolang ik schreef over mijn eigen leven er niets ergs of engs zou gebeuren. Naarmate mijn werk vorderde, werd ik wel steeds banger voor de reacties van mijn broer en oom. In het geval van mijn broer liep dat los, maar mijn oom was helaas woest en dreigde met een rechtszaak. Ik vond het echt verschrikkelijk en voelde me rot. Knausgård: Dat is een erg goede vraag (Knausgard neemt zijn tijd om een antwoord te formuleren, nvdr.) Ik denk dat ik me als beide identificeer. Wanneer ik aan het schrijven ben, probeer ik echt te schrijven wat er gebeurd is, zonder dingen te verzinnen. Het doel is om erg waarheidsgetrouw te schrijven, met de focus op feiten. Tegelijkertijd besef ik dat ik als verteller op een bepaalde manier kijk naar deze gebeurtenissen en dat er een andere agenda verscholen zit in de boeken, waar de verteller zich niet altijd bewust van is. Ik als auteur was er me op een bepaalde manier wel bewust van, zij het niet met opzet. Dit conflict tussen de twee soorten vertellers creëert een zekere spanning in de boeken. De noodzaak om oprecht te zijn en de onmogelijkheid om volledig eerlijk te blijven, snijdt continu in mijn werk. Mijn eindredacteur kwam amper tussen, maar wanneer hij het gevoel kreeg dat ik mezelf verdedigde, vroeg hij om die passage weg te laten. Hij was van mening dat we de ambiguïteit van het zelf in de boeken moesten bewaren. Hij had, zoals steeds, volledig gelijk, maar ik wilde niet overkomen als een vreselijk persoon. Knausgård: Ik voelde de angst wel, maar het was nooit de bedoeling om de feiten te checken. Ik deed niet aan research of interviews als voorbereiding. Ik schreef gewoon over mijn leven zoals ik het me herinnerde. Ik wist goed genoeg dat herinneringen veranderen en dat ze je beet nemen. Soms herinner je je iets volledig fout omdat je jezelf beter wilt voordoen dan je bent. Het kan zijn dat dat gebeurd is, maar ik heb opgeschreven hoe ik het ervaren heb. Twee jaar geleden gebeurde er iets traumatisch. Een vriend van mij, die erbij was, heeft over dit incident geschreven. Ik herinnerde me het compleet anders. Hij was zeker van zichzelf en ik was zeker van mezelf. Het ging over iets dat ik gedaan had, waar ik niet van wilde geloven dat ik het gedaan had. Om maar te zeggen: soms herinner je je iets zo levendig terwijl het gewoon verzonnen is. Herinneringen veranderen zodat je jezelf kan accepteren. Knausgård: Dat is een van de meest belachelijke dingen die ik ooit gehoord heb. Ik heb zelf een uitgeverij en ik ben altijd op zoek naar schrijvers. Als er een vrouw bij mij had aangeklopt met een zesdelige roman over haar leven, zou ik hebben staan springen om dit uit te geven. Ik ben er ook zeker van dat het goed onthaald zou zijn geworden. Ik vind echt niet dat we het over zulke zaken moeten hebben wanneer we spreken over gendergelijkheid. Het is gewoon niet waar dat mijn boeken succes hebben omdat ik een man ben. In Zweden willen ze koste wat kost politiek correct zijn. Gewoon omdat ik een man ben die succes heeft, word ik plots een problematisch persoon. Er waren ook enkele passages die mensen provocerend vonden. Zo beschrijf ik een gymles met mijn dochter, waar ik de enige aanwezige vader ben en me tegelijkertijd schaam en me aangetrokken voel tot de juf. Ik, als man, mag niet toegeven dat ik me vernederd voel tijdens een activiteit met mijn kind en me bovendien aangetrokken voel tot een andere vrouw. In Zweden zeg je zulke dingen niet, maar we kunnen er toch vanuit gaan dat heel wat mannen en vrouwen gelijkaardige dingen hebben gevoeld. Die manier van verzwijgen is net het omgekeerde wat ik wilde doen met mijn project. Ik wilde zo eerlijk mogelijk zijn. Het irriteert me dus dat ze in Zweden aanstoot nemen aan zulke bekentenissen. Knausgård: Ja, dit soort politieke correctheid is toch vreselijk. De politieagenten hebben toegegeven dat ze gezwegen hebben omdat ze extreemrechts geen voedingsbodem wilden geven. Dus praten we er maar gewoon niet over. Dat is gestoord. Het is zo belangrijk dat seksueel geweld niet in de doofpot wordt gestopt. Feiten zijn van levensbelang in dit soort zaken. Nu de feiten aan het licht zijn gekomen, nadat de politie ze verzwegen had, hebben de Zweedse rechtse democraten net een boost gekregen. Het wordt tijd dat ze in Zweden alle gevoeligheden beginnen te bespreken. Niet over dingen spreken, maakt ze alleen maar erger.Nu, er zijn ook veel goede dingen aan Zweden, begrijp me niet verkeerd. En ik denk ook dat deze overdreven politieke correctheid aan het minderen is. Knausgård: Ja, tot sommige delen van hun esthetica voel ik me zeker aangetrokken. Voor mij heeft de esthetica van het nazisme dezelfde invloed als schilderijen uit de Romantiek. Ik denk trouwens dat veel mensen dat zo aanvoelen. Het moest wel een aantrekkelijke esthetica zijn, anders zou de horror van de Tweede Wereldoorlog nooit realiteit zijn geworden. Hun esthetica werkte en werkt nog steeds. Ik schreef recent een essay over de betekenis van literatuur en kwam weer uit bij Hitler. Hij heeft erg interessante dingen geschreven over communicatie. Het draait allemaal om het oproepen van gevoelens. Esthetica wekt gevoelens op en in het geval van Hitler gebruikte hij deze gevoelens voor politieke doeleinden. Maar je kunt de gevoelens evengoed gebruiken voor andere redenen. Als je kijkt naar reclamebeelden of naar de cyberwereld waarin we leven, dan zie je overal esthetica die gevoelens opwekt. Literatuur doet eigenlijk hetzelfde: het manipuleert je gevoelens.De nazi's wilden de wereld veranderen met behulp van hun esthetica. Ze probeerden de wereld te ensceneren. Dat is het omgekeerde van wat het leven is, aangezien het leven gewoon organisch zijn gangetje gaat. Dat is wat hen zo gevaarlijk maakte: ze waren tegen het leven. De nazi's probeerden alle zwakheden, of toch wat volgens hen zwakheden waren, te verwijderen uit het leven zodat enkel hun heroïsche esthetica kon blijven bestaan. Dat mensen zich hiertoe aangetrokken voelen, is omdat we een beetje dom en onbelangrijk zijn. De rechtse partijen in Europa zijn aan een opmars bezig. Ze kunnen dezelfde esthetica als het nazisme niet meer gebruiken aangezien die bij iedereen een belletje doet rinkelen van gevaar, maar ze willen wel nog steeds diezelfde gevoelens opwekken. Knausgård: Ah, dat is interessant. Het is waar dat ik niet probeer om ironisch te schrijven. Ironie zorgt voor een afstand tussen de schrijver en de lezer, terwijl ik net zo dicht mogelijk wil blijven en zo eerlijk mogelijk wil schrijven. Ik wilde het leven zo goed mogelijk benaderen, en dat gaat niet met ironie. Het enige wat voor mij wel ironisch is in de boeken, is de beschrijving van mezelf als kind en tiener. Er is zo'n grote afstand tussen mezelf nu, hoe ik toen was en de lezer. Dat maakt het grappig voor mij, maar dat ervaren jullie als lezers waarschijnlijk niet op die manier. Knausgård: Daar kan ik me bij aansluiten. Hoewel ik door mijn leeftijd wel tot de ironische generatie behoor en dus ben opgegroeid met ironische humor, heb ik er zelf nooit aan deelgenomen. Ik vind het wel hele goede humor, maar in mijn boeken wil ik er niet mee werken. Mijn doel is om de afstand net te verkleinen. Knausgård: Toen ik van start ging met de reeks, schreef ik ze gewoon helemaal alleen, zonder tweede lezer. Ik had dus ook geen idee of andere mensen het goed zouden vinden of zich erin zouden herkennen. Ik dacht dat de boeken veel te extreem, te saai en te gedetailleerd zouden zijn. Het was pas toen een vriend ze las en mij zijn mening gaf, dat ik me realiseerde dat dit wel eens een succes zou kunnen zijn. Ook tijdens de eerste interviews begon me te dagen dat de boeken voor anderen ook boeiend waren. De reacties waren zo ver verwijderd van mijn verwachtingen. Ik beschouw de boeken als onbelangrijk en irrelevant. Nu nog steeds trouwens. Schrijven is zo'n solitaire en persoonlijke activiteit dat je je niet kunt voorstellen dat iemand anders je werk leest. Het is altijd heel gênant voor mij om mijn manuscript te overhandigen aan de uitgever. Als je niet in jezelf gelooft, is het moeilijk te verstaan dat anderen geïnteresseerd zijn in jouw werk.Knausgård: Inderdaad. Maar ik vertrouw erop dat het oké is en dat mensen het goed zullen vinden en zullen lezen. Hoewel ik zelf nog steeds vind dat het niet goed is. Knausgård: Nee, als ik ze heb neergeschreven in de boeken, zijn de ideeën dood en begraven. Ik heb alles opgebruikt in die boeken en niets van wat ik vermeld heb als toekomstideeën zal werkelijkheid worden. Ik was blij toen de reeks klaar was zodat ik van nul kon herbeginnen. Dat heb ik geprobeerd, maar ik ben er nog niet in geslaagd. Ook mijn nieuwe reeks gaat in zekere zin weer over mezelf. Ik heb ook wat niet-literaire projecten aangenomen, waaronder essays en interviews. Het was leuk om na vijftien jaar nog eens aan de andere zijde te zitten en mensen te vragen naar hun leven. Dan gaat het eens niet over mij. Ik werk ook aan een filmscript, gebaseerd op mijn eerste boek. Mijn kladversie is al af en nu ga ik samen met de regisseur werken aan een script waar hij mee aan de slag kan. Het einde van mijn boek zat al die voorgaande boeken al in mijn hoofd. Ik wilde literaire zelfmoord plegen, zoals David Bowie aan het einde van zijn Ziggy Stardust tour Rock and Roll zelfmoord pleegde. Het betekende het einde van dat project en dat was het enige einde dat ik passend vond.