Algemeen secretaris Geert Joris (56) verlaat eind dit jaar de Taalunie, de Vlaams-Nederlandse organisatie die onder meer het Groene Boekje uitgeeft. Het nieuws komt er kort nadat een nieuw, zonder meer vernietigend rapport over de werking van de Taalunie werd overgemaakt aan de Nederlandse en Vlaamse ministers van Onderwijs en Cultuur, kortweg het Comité van Ministers.

Volgens Geert Joris, die algemeen secretaris werd in 2013, is er geen verband tussen zijn voortijdig vertrek en het rapport. 'Ik had mijn beslissing al eerder genomen', zegt hij. Over de soms bijzonder kritische inhoud van het rapport wil hij geen commentaar kwijt.
...

Volgens Geert Joris, die algemeen secretaris werd in 2013, is er geen verband tussen zijn voortijdig vertrek en het rapport. 'Ik had mijn beslissing al eerder genomen', zegt hij. Over de soms bijzonder kritische inhoud van het rapport wil hij geen commentaar kwijt.Het rapport over het functioneren van de Taalunie en haar leiding is het werk van een visitatiecommissie. Het werkstuk kwam er op vraag van de Nederlandse en Vlaamse ministers van Onderwijs en Cultuur, en na aanhoudende externe én interne kritiek op de Taalunie en haar leiding.Veel van die kritiek is niet zonder grond, zo oordeelt het rapport. De teneur van het werkstuk wordt al gezet op pagina één, de titelbladzijde. 'Meer samenwerken en minder toeteren', staat daar. Verderop in het rapport stelt de commissie dat de Taalunie en haar algemeen secretariaat heel erg hun best hebben gedaan om, ondanks de daling van het subsidiegeld, de instelling te hervormen. Helaas, die inspanningen resulteerden volgens de commissie niet in concreet resultaat.De Taalunie is een Vlaams-Nederlandse organisatie die de Nederlandse taal in binnen- en buitenland moet 'bewaken' en promoten. De instelling zou zich onvoldoende van die taak kwijten.Om zich een oordeel te vormen, voerden de commissieleden onder meer gesprekken met Geert Joris. Uit de gesprekken trekt de commissie de conclusie dat die 'meer begaan is met organisatiestructuren dan met de inhoudelijke doelstellingen van de Taalunie. Die indruk wordt bevestigd door de vaststelling dat ook in de documenten die ons ter inzage werden gegeven, de klemtoon meer valt op structuren en interne werking dan op inhoud: taal en letteren.' De commissie maakt ook gewag van gebrekkige communicatie. Die wordt, zowel intern als extern, ' 'bij herhaling gehaast, te laat, ongevoelig of op zijn minst onhandig' genoemd. Gebrekkige communicatie zou een van de redenen zijn waarom het tot een vertrouwensbreuk kwam tussen de algemeen secretaris en sommige medewerkers. In een aantal gevallen zou het vertrouwen dermate geschonden zijn dat de commissie adviseert om de hulp in de roepen van een externe coach of bemiddelaar. Niet veel beter verloopt volgens de commissie de communicatie met de buitenwereld. Ondanks verdienstelijke pogingen zouden de Taalunie en haar algemeen secretaris er niet in geslaagd zijn om zich duidelijk te profileren. De organisatie heet in het rapport 'te veel naar binnen gericht', en zou 'urgentie, daadkracht en prioritering' missen. De toon van rapport wordt zelfs een tikkeltje cynisch als wordt aangestipt dat de Taalunie haar rol als 'aanjager van het debat' nauwelijks speelt. Als er al een debat was, dan ging het 'over de Taalunie en haar functioneren.' Opvallende vaststelling nog: het rapport van de visitatiecommissie is niet het eerste dat bijzonder streng oordeelt over de Taalunie. In haar rapport zet de commissie vraagtekens bij het feit dat er, parallel aan het eigen onderzoek, nog een ander onderzoek naar de werking van de Taalunie liep. De bevindingen van dat andere, maar zeer gelijkaardige rapport, uitgevoerd door de Adviescommissie Financiële Openheid, lekten vorige maand uit in de Nederlandse pers, en waren nog net iets kritischer dan die van de visitatiecommissie.In haar rapport stipt de visitatiecommissie aan dat het andere, oudere rapport tot min of meer vergelijkbare conclusies is gekomen. Al had het andere rapport volgens de visitatiecommissie 'objectiever en terughoudender van toon mogen zijn'. Waarom er naar een al bij al bescheiden organisatie als de Taalunie - het jaarlijks budget bedraagt 10 miljoen euro - twee verschillende onderzoeken worden gevoerd? Geert Joris kan er met zijn verstand niet bij, en zegt dat hij daar 'met verbazing' akte van heeft genomen. Een verklaring zou kunnen liggen in de politieke (on)wil om met de Taalunie verder te gaan. Vooral in Nederland zouden steeds meer stemmen opgaan om de instelling te begraven. Die stemmen vinden in de twee rapporten alvast voldoende munitie.Wilfried Vandaele (N-VA), de vicevoorzitter van de interparlementaire commissie die het beleid van de Taalunie moet controleren, gelooft niet dat het zo'n vaart zal lopen. 'Het klopt dat de liefde voor de Taalunie in Nederland wat minder groot is. Het was ook onder impuls van de Nederlanders dat er zo zwaar in de subsidies is gesnoeid.' Maar of de instelling om dezelfde reden door twee commissies is doorgelicht? Vandaele ziet het anders. 'Ik zou dat een toevallige samenloop van omstandigheden noemen. De Adviescommissie Financiële Openheid had als opdracht om te onderzoeken of de Taalunie, na de zware besparingsoperatie, haar budgetten op een juiste manier heeft herschikt. Omdat deze commissie haar opdracht nogal ruim heeft geïnterpreteerd, was er nogal wat overlap met het onderzoek van de visitatiecommissie.'Vandaele, een overtuigd voorstander van de Taalunie, zegt nog dat hij een duidelijke bondgenoot ziet in cultuurminister Sven Gatz (Open VLD). Van een mogelijk uitdoofscenario is alvast geen sprake in nog te verspreiden mededeling van het Comité van Ministers. In die mededeling laat het Comité weten dat het veel waardering heeft voor het 'heldere' rapport van de visitatiecommissie. 'Het Comité van Ministers constateert dat de uitkomsten van de evaluatie, samen met het rapport van de Adviescommissie Financiële Openheid (AFO), de contouren van een nieuwe fase schetsen.'Over het vertrek van Geert Joris meldt het Comité nog dat deze beslissing 'in goed overleg met de huidige algemeen secretaris' werd genomen.