De Reactor, platform voor kwaliteitsvolle literaire kritiek, levert elke week een gedegen recensie aan Knack.be. Nog literaire honger? Neem dan ook een kijkje op hun site.

Welke rol speelt muziek in ons bestaan? Al sinds de oudheid heeft die vraag filosofen geïntrigeerd en met haar essay Thuis in muziek probeert ook Alicja Gescinska (1981) op deze vraag antwoorden te formuleren. Net als in haar filosofische debuut De verovering van de vrijheid (2011) doet Gescinska dit door haar eigen ervaringen en levensverhaal als uitgangspunt te nemen. Vanuit die eigen ervaringen gaat ze in de filosofie op zoek naar manieren om haar intuïties te beargumenteren. Dat maakt Thuis in muziek tot een heel persoonlijk essay, waarin Gescinska enerzijds paden bewandelt die voor kunstfilosofen zeer vertrouwd zijn en anderzijds, tegen het einde van het boek, nieuwe wegen inslaat die prikkelen tot verder onderzoek.

De vraag naar het belang van muziek voor onze persoonlijke ontwikkeling wordt door filosofen regelmatig in morele termen beantwoord. Het is een eeuwenoude vraag of ons bezighouden met kunst of met het schone ons tot moreel betere mensen maakt en de meningen hierover zullen waarschijnlijk tot het einde der tijden verdeeld blijven. Gescinska is zich hier duidelijk van bewust en behandelt deze vraag dan ook met de nodige voorzichtigheid en nuance.

© GF

Ze sluit zich aan bij denkers als Martha Nussbaum die stellen dat muziek wel degelijk een bepaald moreel belang heeft, omdat we via muziek onze empathische vermogens kunnen ontwikkelen. De betekenis van muziek, zo stelt Gescinska, ligt immers in de interactie. Echt naar muziek luisteren is een dialoog, het is een middel om een ander beter te leren kennen, te begrijpen en met die ander mee te leven. Tegelijkertijd erkent Gescinska dat muziek geen wondermiddel is en dat de menselijke psyche en moraliteit te complex zijn om een een-op-eenrelatie tussen muzikaliteit en moraliteit te vooronderstellen. Als het kwaad in de mens is, 'is het er met geen notenbalken of strijkstokken uit te slaan'. De morele betekenis van muziek is dus geen wetmatigheid, maar een mogelijkheid en bestaat erin dat we via muziek een grotere gevoeligheid kunnen ontwikkelen voor het perspectief van de ander.

Een tweede aspect dat Gescinska onder de aandacht brengt, is dat het actief luisteren naar of spelen van muziek ons concentratievermogen aanscherpt. Dit vermogen ons te focussen is volgens haar van belang voor onze mogelijkheid tot zelfontplooiing, zelfrealisatie en zelfbepaling, want, 'wie slechts een speelbal is tussen steeds weer nieuwe prikkels, afleidingen en verleidingen van buitenaf, kan zijn gedachten en daden niet richten op zelf bepaalde doelen, en is dus minder in staat om zelf sturing te geven aan zijn leven'. Net daarom baart de 'ontluistering' in onze tijd Gescinska zorgen. We blijken minder en minder in staat lang onze aandacht ergens bij te houden en dit blijkt ook uit onze omgang met muziek. We lijken er genoegen mee te nemen 'dat ons gehoor even scherp is als een scheermesje van twee jaar oud', terwijl een geoefend oor zoveel meer van de werkelijkheid kan waarnemen.

Deze kritiek is uiteraard niet nieuw. Zoals Gescinska zelf aangeeft, waarschuwde bijvoorbeeld Theodor W. Adorno halverwege de vorige eeuw al voor wat hij de regressie van het luisteren noemde. Gescinska beperkt zich echter niet tot een klaagzang, maar doet vooral een oproep om muziek, zeker in het onderwijs, te herwaarderen. Wanneer we beter geoefend zijn om goed te luisteren, kunnen we de wereld immers beter leren kennen, omdat we ons van meer nuances en details bewust worden.

Het meest originele en prikkelende deel van Gescinska's essay richt zich echter op de vraag welke rol muziek speelt in de vorming van onze identiteit en ons gevoel ergens deel van uit te maken. Het is vooral hier dat duidelijk wordt hoe relevant Gescinska's persoonlijke achtergrond is voor de ideeën die ze in haar boek uitwerkt. Doordat Gescinska in haar kinderjaren als Poolse vluchtelinge in België terechtkwam, groeide ze op zonder vaderland, waardoor ze met het gevoel leeft voortdurend op zoek te zijn naar haar plaats in de wereld of naar een plek om thuis te komen. In haar zoektocht naar een thuis blijkt het in grote mate muziek te zijn die haar grond onder de voeten verschaft.

Die persoonlijke zoektocht brengt Gescinska vervolgens in verband met de Poolse geschiedenis. Die is er immers een van voortdurend verschuivende grenzen. Het land is tussen 1795 en 1918 zelfs volledig van de kaart van Europa verdwenen, omdat het Poolse grondgebied verdeeld was onder Rusland, Pruisen en Oostenrijk-Hongarije. De repressie als reactie op de verschillende opstanden tegen die buitenlandse mogendheden leidden daarbij niet enkel tot een grote emigratiegolf, maar ook tot een romantisch nationaal reveil.

Componisten als Frédéric Chopin zetten hun nostalgische verlangen naar hun vaderland om in muziek, waarin de Polen bij gebrek aan een geografisch vaderland konden thuiskomen. Door terug te grijpen naar de Poolse volksmuziek zorgde Chopins muziek ervoor dat de Polen in ballingschap zich verbonden konden voelen in hun gedeelde gevoel van alleen zijn, waardoor zijn muziek, volgens Gescinska, misschien wel net zoveel betekend heeft voor de Poolse eenmaking als de politieke en diplomatieke besluitvorming.

Dat muziek ons een gevoel van thuiskomen kan bezorgen, blijft in Gescinska's betoog echter niet beperkt tot verwijzingen naar persoonlijke geschiedenissen van componisten. Dit gevoel kan net zozeer gecreëerd worden door samen muziek te maken of van muziek te genieten. Zo vertelt Gescinska dat haar ouders haar en haar zussen na hun aankomst in België inschreven in een kinderkoor en hoe het samen zingen haar deed beseffen onderdeel te zijn van een groter geheel. Waarschijnlijk zijn er weinig dingen, zo stelt Gescinska zelfs, die zo integrerend werken als samen zingen. Hierdoor leren we immers omgaan met elkaar en oog hebben voor de ander. En zo blijkt ook op die manier muziek weer een morele relevantie te hebben.

Gescinska raakt in haar korte essay dus verschillende zaken aan, maar benadrukt ook sterk hoe die verschillende aspecten met elkaar samenhangen. Door de beperkte omvang van het boek gaat ze misschien hier en daar wel wat te vlug over de zaken heen. Zo stelt ze in het begin van het boek bijvoorbeeld dat, aangezien de mens bij uitstek een moreel wezen is, muziek ook verband moet houden met de menselijke moraliteit, wat een veel minder vanzelfsprekende stelling is dan Gescinska doet uitschijnen.

Hoewel Gescinska zich in het algemeen dus hoedt voor reductionistische of al te simplistische conclusies over muziek, ontsnapt ze hier niet geheel aan. Dit heeft er mede mee te maken dat muziek altijd iets ongrijpbaars of onuitspreekbaars in zich draagt. Wat muziek precies met ons doet, valt niet geheel rationeel te vatten en zullen we waarschijnlijk nooit helemaal begrijpen. Toch wil dat niet zeggen dat we elke poging tot begrip dan maar moeten laten varen. Net omdat we muziek een grote waarde toedichten, blijven we het de moeite vinden er woorden voor te zoeken. Uit Gescinska's essay spreekt dan ook bovenal een grote liefde en passie voor muziek. Die is aanstekelijk en geeft de lezer zin om de muzikale voorbeelden die ze aanhaalt te gaan ontdekken en op een nieuwe manier naar muziek te luisteren.

Gescinska wil echter meer dan louter de individuele lezer aanspreken, wat duidelijk blijkt uit haar pleidooi op het einde van het boek om muziek een grotere plaats te geven in ons onderwijs. Na het lezen van haar boek kan je ook alleen maar hopen dat haar pleidooi daar zijn weerklank vindt.

Leen Verheyen

Alicja Gescinska, Thuis in muziek. Een oefening in menselijkheid. De Bezige Bij, Amsterdam, 2018. ISBN 9789403138503 / 126 p.