Ik schrok nogal toen de uitnodiging kwam om, op twee verschillende Boekenbeursdagen, mij volstrekt onbekende Engelse schrijfsters te interviewen. Ik schrok nog erger toen ik diezelfde week, op 9 november, een weeklacht te lezen kreeg in de boekenbijlage van Zeno in De Morgen over, alweer, de achteruitstelling van vrouwen (en wellicht ook niet gecatalogeerde geslachten daartussen). De journalist heeft het warm water voor de zoveelste keer uitgevonden, en klaagt steen en been: 'Het is een vreemd gegeven dat er 'vrouwenboeken' zijn, maar geen 'mannenboeken'. Alsof mannen niet geïnteresseerd zouden zijn in boeken door of over vrouwen, terwijl van vrouwen verondersteld wordt dat ze wel boeken door en over mannen lezen'.

Ten eerste is het onwaar dat het betere Bouquet-boek geminacht wordt - en ik heb recht van spreken, ik was de eerste die aan de universiteit een cursus 'Triviaalliteratuur' doceerde, met inbegrip van strips, sciencefiction, porno, en fotoromans. Die laatste sluiten het nauwst aan bij wat de journalist onder 'vrouwenliteratuur' verstaat: eendimensionaal, overgevoelig, gericht op het liefdesthema, vermarkt voor vrouwen, en pietluttig geobsedeerd door 'kleine persoonlijke wissewasjes'. Niet mijn meug, eerlijk gezegd, maar zinvol vanuit sociologisch standpunt.

Ik heb me ook nooit afgevraagd of dat nou specifiek vrouwelijke communicatie is. Mijn cursus ging ruimer dan dat, hij behandelde de (klein)burgerlijke conventies, en de sluipende strategieën om vooral niet buiten de persoonlijke vapeurkens te treden, man of vrouw of x of welke geslachtelijke mix er ook mag bestaan - ik gebruik nog altijd het eenvoudige woord 'geslacht' in plaats van 'gender', zeker nu ik lees dat er het voorbije jaar 2.193 Belgen hun geslacht hebben laten wijzigen op hun identiteitskaart (niet noodzakelijk in rok of broek). Met de bevolkingscijfers van dit land in de hand, gaat het om zowat één op 5.212 inwoners. Niet verwaarloosbaar, maar zeker niet te overschatten. Voor de eenvoud hou ik het dus bij vrouwen (de meerderheid) en mannen. Correcties zijn na de komma.

In een andere krant lees ik dat Mia Doornaert (voorzitster van Het Vlaams Fonds voor de Letteren) zich doodergert aan dat soort franjediscussies die de 'minorisering van de meerderheid' uitlokken. Nu heb ik geen bijzondere relatie met Doornaert, maar de voor spitsvondig gehouden intellectuele bagger die ze in diezelfde krant over haar heen krijgt doet me twijfelen aan de verstandelijke vermogens van haar criticasters. Of anders wentelt de krant zich in zelfkastijding. Laat het u voor eens en altijd gezegd zijn: er bestaat géén afkeur of verwerping van die zogenaamde 'vrouwenliteratuur' (die er geen is, trouwens). Het is gewoon kitsch, gelijk van wie ze komt. In intellectuele middens heet dat 'camp'. Maar het komt altijd op hetzelfde neer: voorspelbaarheid, simplisme, hoog de harten, en happy end.

Is dat fout? Natuurlijk niet. Bestaat er mannenliteratuur? Natuurlijk wel. Hoeveel vrouwelijke auteurs kent de westernliteratuur? Wat is het aandeel (op Ursula LeGuin, Doris Lessing, en o ja natuurlijk, Mary Shelley na) van vrouwen in dat soort techneutenhumbug en kosmische grootheidswaan annex satire? En de thriller, dat mannenbastion, dat steunt en kreunt onder de opmars van Agatha Christie, Mary Higgins Clark, P.D. James, Karin Fossum, Karin Slaughter, Nicci French, Yrsa Sigurðardóttir, Uni Lindell en tutti quanti? En dan schrijft Suzette Haakma: 'Opvallend is de herwaardering van traditionele waarden. Vrouwen kijken positief aan tegen dingen als kruiden, magie, heksen, telepathie en telekinese'. Het Madame Blavatsky syndroom. Ik wil die wicca's onder de mannen, de Von Dänikens, de Aldous Huxleys, de Tolkiens, de Muriel Grays, de Linda Jaivins niet te eten geven. Hoe zit het met de vrouwelijke porno (er zijn zelfs filmmaaksters die een soort eigen seksuitspatting bedenken, het moet niet altijd Colette of Anais Nin zijn). Fifty Shades of Grey, de verveling is nog drukkender dan in Ilsa, de Wolvin van de SS.

Tegen dit klankbord van wrevel ben ik dus Jill Mansell beginnen te lezen, met de potsierlijke titel Ik wil met je mee! (uitroepteken, nog een typisch verschijnsel in de kitsch). De Engelse titel, Maybe This Time, suggereert ten minste nog een hoopgevende verwachting, in de Hollandse vertaling ('Jemig' is niet uit de lucht), is de nadruk al verlegd naar intenties, en dus een overbodige spanningsboog.

Ik wil wel wezen: Mansell kan schrijven, een rechtdoor rechttoe verhaal, zonder verrassingen (want iedereen weet dat het goed moet aflopen), met een scherp gevoel voor stemming en sfeerschepping. Het uitgangspunt is duidelijk: waar een (relatie)breuk ontstaat is de redding nabij, maar de weg ernaartoe is kronkelig en tragisch. Het overkomt de bedrogen PR-nerd Mimi die naar de Cotswolds afreist, waar in het dorpje Goosebridge niet eens taxi's staan te wachten op de luttele passanten die het perronnetje aandoen. Haar merkwaardige kennismaking met Cal (die, opwindend, tuinhuisjes ontwerpt, maar 'die betoverende glimlach' heeft, 'waardoor je je meteen op je gemak voelde, zelfs terwijl je nog bezig was een stuk tosti door te slikken') verzoent haar meteen met 'den buiten'.

Edoch, drama wenkt; haar vader - intussen gescheiden en samenlevend met zijn homovriend Marcus - verongelukt ('o papa, waar ben je?'), net als Cals 'prachtige' vrouw Stacey die hem achterlaat met hun dochtertje Cora.

Dan meandert het verhaal uit naar nieuwe kennissen en lieven, de tijd vliedt voort, uiteindelijk kruisen hun paden opnieuw, en is het koekenbak. Simpel, maar helder. Een verhaal om niet na te denken, laat het uit zichzelf vervloeien, met jaloersheid en zelfdiscipline, met verlangen en teleurstelling, met onvermijdelijke verbondenheid.

Als ik Mansell vraag naar haar bescheiden ambities, antwoordt ze be: 'I write funny feelgood fiction with added drama that will hopefully make my readers laugh and cry'. Een lach en een traan, wat is het verschil tussen een vrouwelijke romance en een mannelijke smartlap à la Hazes of Sommers? Niks natuurlijk, op het aantal verkochte romans (één per jaar sinds 1991) na: ruim elf miljoen verkochte exemplaren, Mansell staat in de top twintig van de bestverkopende auteurs in het VK. Capsones heeft ze niet, ze steekt haar arm door de mijne, 'anders loop ik hier verloren op de Boekenbeurs'.

Het prettigste van haar romans zijn de randfiguren: het kind (Cora) dat de poort opent voor de grote liefde; de weldenkende vriendin Lois (gehandicapt sinds het auto-ongeval, brutaal, wulps, luidruchtig en snedig); de sullige Felix die zich niet bewust is van haar onbreekbare liefde voor hem; de knorrige 'grote schrijver' CJ, de W.C. Fields van de letteren, altijd nors, cynisch, grof, excentriek en dronken, maar eigenlijk de man zoals vrouwen er graag op neerkijken: met een klein hartje, en bang voor zijn eigen schaduw. Alleen een strenge Mimi kan hem tot arbeid aanzetten. Zijn hart breekt als hij een dochtertje krijgt.

Het kon niet anders of er zit ook een autobiografisch gegeven in het verhaal. Henrietta - de boze schoonmoeder; als haar masker afvalt, blijkt pas hoe treurig haar verloren leven was - werkte, net als Jill Mansell, in het neurologisch instituut in Bristol ('ik hield me bezig met ver afgedwaalde besjes', laat Mansell me terloops weten). Je kunt ook nog wat weetjes opsteken: doe lelies weg uit huis als je katten hebt, hun stuifmeel is dodelijk.

Ik wil met je mee! is het minder vrolijke equivalent van Aster Berkhofs Goede Reis Professor!. Wel met evenveel verve en met diepgaander personages uitgeschreven. 'Ik heb de tijd', zegt Mansell. 'Ik schrijf nog alles met de hand'. Van een computer wil ze niet weten, twitteren met haar lezerspubliek doet ze des te meer. 'Ja, zij leven mee met mijn personages, ze zijn vaak hun beste vrienden. Ze bepalen daardoor ook mee hoe ik ze laat evolueren'.

Het prettigste is dat Jill Mansell zich niks gelegen laat aan heel dat gendergedoe. 'Chicklit? Het is toch maar een woord, ik zou het liever anders horen - ik ben al wat ouder met twee opgroeiende kinderen'. 'Queen of the feelgoods?' Ze lacht wat schroomvol. 'Als jij het zegt'.

Wonderlijk genoeg ben ik met een warm gevoel weggegaan. Wellicht omdat ik de Cotswolds herken, in de smalle dreven van Buckinghamshire, afgezoomd met iepen, die helaas kreperen aan 'Dutch elm disease'. Ik herken het landschap, en vooral, het Britse platteland. Mijn Engelse oom woonde er, in Bledlow. In het Old Station House. Waar alleen een trein voorbij kwam als er wat aan de sporen moest opgelapt worden. En geen taxi uren in het rond te bekennen viel. Maar er was wel een pub vlakbij. Ten minste dat toch wel. En waar niemand je stoort als je een hele middag chicklit leest.

Jill Mansell, Ik Wil met Je mee! Amsterdam, Luitigngh-Sijthoff 2010, 400 blz.