Wie voor het eerst zwanger is, zit om voorbereidende lectuur niet verlegen. Er zijn bibliotheken gevuld met boeken die jonge ouders door de wondere wereld van de roze wolk gidsen. Voor ouders die na een eerste kind doorzetten en een tweede keer het gezin uitbreiden, verandert het weerbericht abrupt. Dat merkte ook Lynn Berger, journaliste bij het Nederlandse platform De Correspondent, toen ze zelf zwanger was van een tweede kindje. 'Het viel me op hoe negatief een tweede kind krijgen vaak werd gepresenteerd. Boeken hadden enge titels als The Second Baby Survival Guide. En artikels hadden steevast een kop als "Tien dingen die niemand je vertelt over een tweede kindje (alleen het zesde zal je opluchten)".'
...

Wie voor het eerst zwanger is, zit om voorbereidende lectuur niet verlegen. Er zijn bibliotheken gevuld met boeken die jonge ouders door de wondere wereld van de roze wolk gidsen. Voor ouders die na een eerste kind doorzetten en een tweede keer het gezin uitbreiden, verandert het weerbericht abrupt. Dat merkte ook Lynn Berger, journaliste bij het Nederlandse platform De Correspondent, toen ze zelf zwanger was van een tweede kindje. 'Het viel me op hoe negatief een tweede kind krijgen vaak werd gepresenteerd. Boeken hadden enge titels als The Second Baby Survival Guide. En artikels hadden steevast een kop als "Tien dingen die niemand je vertelt over een tweede kindje (alleen het zesde zal je opluchten)".' Want bij een tweede kind is het uit met de pret, zo weet de goegemeente. Vraag moeders-in-verwachting-van-een-tweede naar hun bekommernissen en onvermijdelijk valt de term jaloezie. Verhalen van eerstgeborenen die ei zo na hun jongere broer of zusje kielhalen zijn legio. 'Veel ouders voelen zich schuldig tegenover de eerstgeborene', beaamt Berger. 'Maar eigenlijk is daar geen reden toe. Jaloezie tussen jonge kinderen komt geregeld voor, en is zelden langdurig of ontwrichtend.' Dat die angst toch zo wijdverspreid is, ligt onder meer aan Sigmund Freud, de grondlegger van de psychoanalyse. 'Freud was ervan overtuigd dat de geboorte van een tweede kind een levenslang trauma was voor de eerstgeborene. Daar blijkt niets van te kloppen. Wetenschappers die gezinnen bestudeerden rond de tijd dat er een tweede kind bij kwam, zien dat het eerste daar over het algemeen prima mee omging.' Om de zondvloed aan clichés te counteren, besloot Berger zelf aan de slag te gaan. Voor De tweede doorploegde ze de wetenschappelijke literatuur en sprak ze met tal van ontwikkelingspsychologen. De conclusie: vrijwel alle aannames over de geboortevolgorde zijn op niets gebaseerd. Eerstgeborenen heten bijvoorbeeld ernstig en perfectionistisch te zijn, hardwerkende strebers die hun stinkende best doen in een eindeloze zoektocht naar erkenning. Tweede kinderen hebben dan weer de reputatie losbollen te zijn, sociaal aangelegd maar net iets terughoudender in het leveren van intellectuele arbeid. En enige kinderen kunnen het wel helemaal schudden, met hun egocentrisme en aperte gebrek aan sociale vaardigheden. Alleen klopt daar dus niets van. 'Er is geen enkele wetenschappelijke onderbouwing voor het idee dat je plek in het gezin enige invloed heeft op hoe je persoonlijkheid zich ontwikkelt', benadrukt Berger. 'Ook onze ideeën over enige kinderen zijn nergens op gebaseerd. We hebben die ideeën omdat het nooit een maatschappelijke norm is geweest om maar één kind te hebben. Onbewust heeft dat de veronderstelling gecreëerd dat er met zulke kinderen iets mis is.' Dat we toch overtuigd zijn van die volgorde-effecten, wijt Berger aan het feit dat we onze kinderen niet op dezelfde leeftijd vergelijken. 'Als je het gedrag van je kinderen vergelijkt, hebben we de neiging het eerste kind ernstiger in te schatten omdat het nu eenmaal ouder is, en daardoor minder kinds. Het heeft er ook mee te maken dat ouders hun kinderen vaak onbewust een rol opleggen. De oudste wordt sneller aangesproken op zijn of haar verantwoordelijkheid, terwijl ze de jongste vaak laten wentelen in het uitbundige.' Desondanks, merkt Berger, zijn die ideeën bijzonder hardnekkig. 'Het is een beetje als horoscopen. Als je gelooft dat stieren koppig zijn, wijt je elke nukkige bui van iemand die eind april geboren is aan zijn sterrenbeeld. Terwijl je bij iemand anders waarschijnlijk denkt dat hij zijn dag niet heeft.' Nu, er zijn wel degelijk verschillen. Zo scoren eerstgeborenen gemiddeld twee à drie punten hoger op een IQ-test. Dat - minieme - verschil komt vermoedelijk doordat ouders met een tweede kind erbij minder tijd hebben voor verhaaltjes en andere cognitieve oefeningen. Tweede kinderen hebben dan weer een sterker immuunsysteem, omdat ze op jongere leeftijd sneller worden blootgesteld aan de bacteriebom die een oudere broer of zus is. Daardoor hebben ze minder kans op aandoeningen als astma of eczeem. Eerstgeborenen hebben om onduidelijke redenen dan weer meer kans op diabetes en een verhoogde bloeddruk. Ook de samenstelling van het gezin doet er daadwerkelijk toe. In een gezin met twee zusjes is de onderlinge band doorgaans het innigst. In een gezin met twee broertjes wordt gemiddeld dan weer het vaakst gevochten. De zogenoemde 'koningswens' - een broertje en een zusje - lijkt nog altijd de te verkiezen middenweg. Al zijn die verschillen de voorbije decennia al behoorlijk uitgevlakt. 'Vroeger was die onderlinge concurrentie een stuk groter. Broers waren regelrechte concurrenten voor de erfenis, terwijl er bij zussen vaak maar één bruidsschat beschikbaar was. Die rivaliteit merk je grappig genoeg ook in sprookjes. Als kinderen daarin ruziemaken, gaat het bijna altijd over twee broers of twee zussen. Tussen een broer en een zus - ik denk spontaan aan Hans en Grietje - is de band eigenlijk altijd prima.' Het is de grote ironie van het moderne opvoedingsideaal, vindt Berger. 'Vroeger zagen ouders er geen graten in om hun kinderen totaal anders te behandelen. Het was doodnormaal dat bijvoorbeeld alleen de oudste mocht studeren, en dat jongens totaal andere kansen kregen dan meisjes. Het idee dat we onze kinderen gelijk willen behandelen, is eigenlijk heel recent. En net nu stellen we vast dat er toch altijd verschillen optreden.' Overigens maakt een tweede kind niet noodzakelijk gelukkig, integendeel. 'De gemiddelde tevredenheid van ouders met hun relatie gaat met elk kind omlaag', zegt Berger. 'Ouders met één kind scoren het hoogst op geluksonderzoeken, omdat ze de lusten van het ouderschap hebben zonder al het extra gedoe. Ze hoeven geen ruziënde kinderen uit elkaar te halen, het is logistiek eenvoudiger om je kroost op tijd op de juiste plek te krijgen, je kan ze gemakkelijker eens bij de grootouders laten.' 'Je merkt het ook bij de geboorte. Bij die van het eerste kind zie je dat het geluksgevoel bij een koppel piekt. Bij het tweede stijgt het ook nog, maar dan is de piek al minder groot. En bij het derde kind is dat piekmoment totaal afwezig.'