30 jaar, afgestudeerd bouwkundig ingenieur en toch benoemd als directeur van het Eindhovense Van Abbemuseum. Hadden de burgemeester en wethouders van de Philipsstad geen risico genomen? Ogenschijnlijk wel want de pas genomineerde was geen kunsthistoricus zoals zijn voorganger. Dat was Eddy De Wilde die behoorde tot een generatie die nog gevormd was door de legendarische Willem Sandberg, de naoorlogse directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam.
...

30 jaar, afgestudeerd bouwkundig ingenieur en toch benoemd als directeur van het Eindhovense Van Abbemuseum. Hadden de burgemeester en wethouders van de Philipsstad geen risico genomen? Ogenschijnlijk wel want de pas genomineerde was geen kunsthistoricus zoals zijn voorganger. Dat was Eddy De Wilde die behoorde tot een generatie die nog gevormd was door de legendarische Willem Sandberg, de naoorlogse directeur van het Stedelijk Museum in Amsterdam.Sandberg die er uitgesproken linkse ideeën op nahield en zich als doel had gesteld om van het museum als instituut een instelling te maken voor iedereen. Kort na zijn aanstelling had hij de muren van het Stedelijk wit laten schilderen en had de lijsten rond de schilderijen laten verwijderen zodat die het kunstwerk visueel niet meer zouden hinderen. Bovendien werd het museum ook een plaats waar muziek, discussies en happenings een thuis vonden. Sandbergs opvattingen werden, in zekere zin, overgenomen door zijn opvolger Eddy De Wilde, Wim Beeren in het Boymans van Rotterdam, Pontus Hultèn in het Moderna Museet in Stockholm en Johannes Cladders van het Städtisches Museum in Mönchen-Gladbach. Ook Jean Leering was onder de indruk van Sandbergs filosofie en sociaal engagement dat ook hem na aan het hart lag en dat zijn grote drijfveer zou blijken tijdens zijn directeurschap in Eindhoven.Al was Leering dan geen kunsthistoricus van vorming toch had hij al een zekere reputatie en ervaring opgedaan tijdens zijn studententijd in Zeist. Hij was er curator geweest van twee internationaal besproken tentoonstellingen. In 1958 Nieuwe Religieuze Kunst (een identieke expo was in hetzelfde jaar ook in Leuven te zien geweest ontworpen door Karel Elno en Geert Bekaert) en in 1962 Autonome Architectuur. Daarvoor had hij met nog twee medestudenten in Meudon bij Parijs bij de weduwe van de Nederlandse avant-gardist Theo Van Doesburg enkele schilderijen van haar echtgenoot los kunnen peuteren en die in hun autootje naar Delft getransporteerd. Van Doesburg zou voor Leering levenslang van grote betekenis blijven zoals ook alle uitingen van het modernisme. De link naar architectuur was voorgoed gelegd. De ondernemende student wou een breed spectrum van gedachten en theorieën beheersen. Hij las tientallen, misschien wel honderden boeken gaande van Teilhard de Chardin, over Viollet-le-Duc tot de brieven van Cézanne en, niet te vergeten, de geschiedenis van de avant-garde uit de jaren 1910 en 20. Al die kennis en ervaring zou hij gebruiken tijdens zijn museumperiode. Het Van Abbe was een gift aan de stad van de sigarenfabrikant en verzamelaar Henri Van Abbe en werd in 1936 geopend. Ontworpen door de Nederlandse architect en vooral kerkenbouwer A.J. Kropholler zag het er inderdaad uit als een kerk of station met een torengevel waarin een uurwerk prijkte. De collectie echter was van internationaal belang mede door de aankopen die Eddy De Wilde had gedaan. Leering vond dus een patrimonium dat op hoog niveau stond. Daar wilde hij ook zijn voorliefde voor de avant-gardistische voortrekkers aan toevoegen en bovendien aandacht besteden aan architectuur en stedenbouw. Maar uit zijn beleid bleek ook dat hij uitermate veel zorg zou besteden aan de relatie tussen kunst en beschouwer. 'Kunst kijken was geen recreatieve bezigheid maar een noodzakelijke activiteit', poneerde hij bij zijn aanstelling en dat doordesemende zijn hele Eindhovense carrière. Kunst en maatschappij, kunst als opvoedend element, kunst als participatiedoel, dat waren de premissen die hij bij elke aankoop en tentoonstelling voorop stelde. Hij slaagde er in om met onconventionele tentoonstellingen die een maatschappelijke dimensie hadden, niet alleen veel succes te hebben maar ook sluimerende ideeën bij de bezoekers van bepaalde tentoonstellingen wakker te maken. Zo werden zijn museum en de tentoonstellingen die hij presenteerde laboratoria van reflectie en participatie.Na tien jaar directeurschap was ook de kunst geëvolueerd in een richting die Leering moeilijk kon bijtreden en die, volgens hem, haaks stond op wat hij van de kunst verwachtte. Hij gaf er de brui aan om de leiding te nemen van het Amsterdamse Tropenmuseum. Niemand begreep zijn overstap maar de kersverse directeur wilde er geen belerende tentoonstellingen maken maar tentoonstellingen waar je van kon leren, onder het motto "hoe raken we thuis in de derde wereld". Dat idee nam hij over van Sandberg. Ondanks het feit dat het Tropenmuseum ministeriële sympathie had die zich vertaalde in verhoogde financiële middelen en Leering begon met zijn gekend enthousiasme, na een kleine twee jaar besloot hij er ook daar de brui aan te geven. Bovendien was zijn gezondheid enigszins wankel geworden en wou hij zijn filosofische kunstbeschouwingen die hij in de praktijk had willen realiseren nu verder theoretisch uitwerken. Hij aanvaardde nog enkele belangrijke adviserende taken en werd hoogleraar aan de Technische Universiteit in Eindhoven. Hij overleed in 2005.Er is nu een uitzonderlijk en diepgravend boek over Leering verschenen van Paul Kempers, kunstcriticus en museummedewerker. De studie leest als een gedegen roman mede door het bewogen leven van de protagonist. Het werd geen biografie in de traditionele zin maar een uitermate gedetailleerd overzicht van de hoofdrolspeler maar ook van de randverschijnselen er omheen. De evolutie van de kunst, van het museumwezen en van de tijdsgeest. Boeiend geschreven als een fictioneel werkstuk dat echter pure realiteit was. Een verdiende hommage aan een museumdirecteur "hors du commun"."Het gaat om heel eenvoudige dingen", Jean Leering en de kunst door Paul Kempers. Uitg. Valiz, Amsterdam ISBN 978-94-92095-07-7