De Reactor, platform voor kwaliteitsvolle literaire kritiek, levert elke week een gedegen recensie aan Knack.be. Nog literaire honger? Neem dan ook een kijkje op hun site.

Elma Drayer (1957) ziet geen redenen waarom ze als witte vrouw zou moeten zwijgen over het antiracismedebat. De columniste van de Volkskrant had de vraag ook kunnen omkeren: waarom zou ze moeten spreken over het antiracismedebat? Ze kan niet zwijgen, er is veel wat Drayer niet bevalt, schrijft ze in Witte schuld. Het doelwit in haar boek zijn de 'identiteitsdenkers' en hiermee bedoelt Drayer: 'de huidige anti-racismebeweging, haar sympathisanten en iedereen die zich met genoemd gedachtegoed verwant voelt dan wel zich erdoor laat beïnvloeden'. Witte schuld is een boek over identiteitspolitiek, maar Drayer legt de term nergens uit, definieert nooit het concept identiteit of welke opvatting van identiteit zij aanhangt en hoe identiteit tot stand komt.

Voor een steekhoudende beschouwing over identiteit moeten we niet bij Drayer zijn, maar bij de Franse sociologe Nathalie Heinich (die Drayer overigens niet aanhaalt in Witte schuld). Haar boek Wat onze identiteit niet is is het tegenovergestelde van dat van Drayer: een strak opgebouwd en intelligent essay over identiteit, waarin Heinich dit gevoelige onderwerp met kennis en kunde behandelt.

© GF

Wat identiteit is

Door uit te leggen wat identiteit niet is, beschrijft Heinich het concept van identiteit. De eerste misvatting is dat identiteit een links of rechts begrip is. Zowel partijen aan de linker- als aan de rechterzijde beroepen zich vaak op identiteit: de ene partij wil een inclusieve maatschappij, de andere wil bijvoorbeeld een samenleving waarin de Vlaamse waarden domineren, met zo min mogelijk invloeden van buitenaf. Het concept identiteit is volgens Heinich niet te reduceren tot nationale identiteit (zoals Francis Fukuyama recentelijk wel deed in zijn matige boek Identity), maar er is wel zoiets: zowel de collectieve identiteit van een natiestaat als mijn individuele Vlaamse identiteit. Die nationale identiteit is 'een variabele historische constructie', maar dat betekent niet dat ze een illusie is. Volgens Heinich is identiteit een constructie die, bijvoorbeeld in het geval van een natiestaat, concrete gevolgen heeft.

Heinich behandelt kort de theorie van de Franse filosoof Paul Ricoeur over het onderscheid tussen 'idem-identiteit' en 'ipse-identiteit': idem-identiteit is identiteit als hetzelfde, het is wat de mens gemeen heeft met andere mensen; ipse-identiteit is identiteit als zelfheid, de unieke eigenschappen van een individu. Helaas beschrijft Heinich deze complexe materie zo summier dat ze moeilijk te vatten is voor wie niet bekend is met de filosofie van Ricoeur. Het is een minpunt van Wat onze identiteit niet is: Heinich jaagt de denkbeelden, denkers en theoriën erdoor met een sneltreinvaart en in een bondige stijl, waardoor het essay zeer geconcentreerd is en lastig te begrijpen voor mensen die niet bekend zijn met de behandelde ideeën. Een interessant onderscheid van Hannah Arendt tussen wat en wie iemand is, dat juist verhelderend is voor het onderscheid dat Ricoeur maakt tussen idem- en ipse-identiteit, verstopt Heinich in een eindnoot (en wie leest nou eindnoten?).

Voor Heinich is identiteit driedimensionaal. Identiteit komt tot stand door drie momenten: toeschrijving, presentatie en zelfperceptie. Zelfperceptie is hoe ik mezelf zie, presentatie is hoe ik mezelf naar buiten toe presenteer en toeschrijving is de spiegel die anderen me voorhouden: hoe anderen mij beschrijven. Door de presentatie kan ik de toeschrijving van anderen manipuleren, maar de toeschrijving kan ook mijn zelfperceptie beïnvloeden, waardoor ik ook weer mijn presentatie zal aanpassen. Zolang deze momenten met elkaar verbonden zijn of niet met elkaar in tegenstrijd, denken we niet aan identiteit. Een fundamentele eigenschap van identiteit is volgens Heinich dat identiteit zich openbaart als die problematisch is, bijvoorbeeld als de drie momenten niet meer consistent zijn.

De constructie van een zelf kan niet tot stand komen zonder de ander, betoogde Ricoeur en ook voor Heinich is de ander bepalend voor de individuele identiteit. Dat is de paradox van identiteit: de ander heeft invloed op iets wat hoogst persoonlijk en individueel is.

© GF

Identiteit en ethiek

In zijn boek Identiteit (2012) schreef de Vlaamse hoogleraar en psycholoog Paul Verhaeghe: 'Identiteit heeft alles te maken met ethiek.' En in haar essay schrijft Heinich: 'Het voornaamste probleem dat zich op identiteitsgebied kan voordoen is stigmatisering'. De term identiteitspolitiek ontstond in de tweede helft van de vorige eeuw doordat groeperingen die werden gestigmatiseerd, vochten voor rechtvaardigheid en gelijkheid. Identiteitspolitiek moest bevrijden, maar doet volgens Elma Drayer juist het tegenovergestelde: 'Identiteitspolitiek tracht ons juist wél te ketenen aan waar we mee geboren zijn. Klikt ons vast in wie we zijn. Negeert in één moeite door wat we doen. En heeft geen oog voor wie we willen zijn.' Drayer concludeert in Witte schuld dat identiteitspolitiek 'een giffabriekje' is, een schadelijke manier van denken.

Is niet elke vorm van politiek identiteitspolitiek, zoals de Amerikaanse essayist Ta-Nehisi Coates schreef in We Were Eight Years in Power (2017)? De mening is onlosmakelijk verbonden met degene die de mening verkondigt; in het spreken is wat altijd gekoppeld aan wie. Wat Elma Drayer vindt, bepaalt mede wie ze is, haar meningen en opvattingen zijn verbonden met alle drie de momenten van identiteit: haar presentatie, zelfperceptie en toeschrijving (in dit geval door mij, want een recensie is een vorm van toeschrijving). Daarnaast: elke politieke keuze en opvatting is ideologisch gekleurd en elke ideologie is verbonden met het concept identiteit. Voor dit soort overpeinzingen heeft Drayer geen tijd; ze moet haar meningen kwijt, zwijgen is geen optie.

Drayer presenteert zich als een redelijke witte vrouw, die echt wel oog heeft voor de problemen. Ze vindt alleen sommige dingen onzinnig. Haar zogenaamd redelijkste stelling: 'Kleurenblindheid, met andere woorden, zou het streven moeten zijn.' Drayer vindt het onbegrijpelijk dat de antiracismebeweging haar redelijkste stelling onredelijk vindt.

In het heden zijn de menselijke verhoudingen grotendeels bepaald en gevormd door de geschiedenis waarin groepen en mensen werden gestigmatiseerd. 'De geschiedenis heeft een gewicht', schreef de Kameroense filosoof Achille Mbembe in Kritiek van de zwarte rede (2013), en door dit gewicht kan kleurenblindheid nooit het devies zijn, want dat is de ontkenning van de geschiedenis. Het verleden is het fundament van het heden.

Racisme bestaat in Nederland, schrijft Drayer: de ouders van 'Zaka' en 'Charmaine' behoren nauwelijks tot de grootverdieners, krijgen vaak ten onrechte een laag schooladvies voor hun kinderen en geen gehoor op hun sollicitatiebrieven. En als ze worden aangenomen, krijgen ze te maken met bevooroordeelde collega's en dan lopen ze ook nog eens het gevaar dat er politieagenten rondlopen die etnisch profileren. Na deze opsomming concludeert Drayer, wonderbaarlijk genoeg, in de vorm van retorische vragen alsnog dat Nederland geen racistisch land is, dat er niet zoiets is als institutioneel racisme.

In Zwarte huid, witte maskers(1952) schreef de Franse filosoof en psychiater Frantz Fanon: 'Als principe geldt voor mij eens en voor al: een samenleving is racistisch of ze is het niet. Zolang men deze evidentie niet inziet, gaat men aan een groot aantal problemen voorbij.' Klopt deze uitspraak? Drayer staat helemaal niet stil bij dit soort uitlatingen, in alle haast slaat ze een aantal stappen over zodat ze rap en makkelijk haar doel kan bereiken: een aantal mensen van de antiracismebeweging tackelen.

Drayer schrijft dat identiteitspolitiek niet specifiek links is en beschrijft kort het identiteitspolitieke denken van Thierry Baudet. Waarom levert Drayer het gehele boek kritiek op de antiracismebeweging van tegenwoordig en wijdt ze maar een paar bladzijden met kritiek aan de FvD en PVV? Dat is niet alleen onevenwichtig, het is ook oneerlijk, net als de weergave van het identiteitsdenken: door telkens de extreme tweets of uitspraken van een paar individuen weer te geven, ontstaat er geen compleet en helder beeld van het zogenaamde identiteitsdenken.

Gebrekkige argumentatie

Dat Drayer het niet eens is met het doel of de middelen (of beide) van de antiracismebeweging is geen probleem, maar haar aanvallen missen te vaak de nodige onderbouwing. Het meest stuitende voorbeeld is de definitie die ze opstelt aan de hand van een tautologie, want de tautologie is de doodsteek van het debat, een synoniem voor intellectuele armoede. Sprekend over de literatuuropvatting van de 'identiteitsdenkers' schrijft Drayer: 'Sowieso komen hun literatuuropvattingen me nogal armoedig voor.' Wat literatuur dan wel is, blijft een raadsel, want een paar pagina's later schrijft ze: 'Literatuur is literatuur, met haar eigen logica, haar eigen wetten.' De tautoloog is arrogant en de tautologie, schreef Roland Barthes, 'is altijd agressief: zij is een rauwe breuk tussen de intelligentie en haar onderwerp', 'de zalige veiligheid van het niets' en heeft vaak succes omdat 'de luiheid wordt verheven tot discipline'.

Natuurlijk is er wat in te brengen tegen sommige uitspraken waartegen Drayer fulimineert - dat is vaak het geval met extreme meningen die het in columns zo goed doen. Maar het probleem is dat Witte schuld zelf één langgerekte column is waarin de ene mening na de andere aaneengeregen wordt met de schijn van kennis en uit naam van het gezonde verstand en de zogenaamde redelijkheid.

In zijn bekende 'Letter from a Birmingham Jail' schreef Martin Luther King over zijn teleurstelling in de gematigde witte Amerikanen: 'Shallow understanding from people of good will is more frustrating than absolute misunderstanding from people of ill will.'

Koen Schouwenburg

Nathalie Heinich: Wat onze identiteit niet is (vertaald door Carolien Steenbergen), Prometheus, Amsterdam, 2019. 141 p. / ISBN 9789044641738

Elma Drayer: Witte schuld. Over identiteitspolitiek, Atlas Contact, Amsterdam, 2019. 189 p. / ISBN 9789045031774