Roger Wielandts (1948), architect op rust, heeft een merkwaardig boek geschreven in een specifieke mengvorm van fictie en historische gegevens, waarin een van zijn voorouders in zijdelingse lijn de hoofdrol speelt. Het gaat om Philips Wielant (1441-1520) die bij leven een vooraanstaand jurist was, tevens diplomaat en gezaghebbend lid van de Hoge Raad onder Filips de Schone en Margaretha van Oostenrijk in Mechelen.
...

Roger Wielandts (1948), architect op rust, heeft een merkwaardig boek geschreven in een specifieke mengvorm van fictie en historische gegevens, waarin een van zijn voorouders in zijdelingse lijn de hoofdrol speelt. Het gaat om Philips Wielant (1441-1520) die bij leven een vooraanstaand jurist was, tevens diplomaat en gezaghebbend lid van de Hoge Raad onder Filips de Schone en Margaretha van Oostenrijk in Mechelen. Het hele verhaal speelt zich af rond een kleine triptiek van de uit de Noordelijke Nederlanden afkomstige en later Brugse kunstschilder Adriaen Isenbrant (ca. 1490-1551) en leerling/medewerker van Gerard David, een van de meesters gekend als de zogenaamde Vlaamse Primitieven.Alhoewel Philips Wielant die afwisselend in Mechelen, Brugge en Gent resideerde, koos hij voor de opdracht van het maken van een drieluik voor een Brugs kunstenaar. Waarom is niet duidelijk maar het is niet uitgesloten dat in de hogere kringen waarin Wielant zich bewoog ook kunstkenners behoorden die hem ter zake informeerden. Bovendien was Brugge toen zowel het culturele als het mercantiele als het politieke centrum van de Zuidelijke Nederlanden. Dat zou zo niet blijven want de periode die de auteur behandelt was in Vlaanderen een vrij woelige politieke tijd waarbij Maximiliaan van Oostenrijk, die vorst der Nederlanden was geworden na het overlijden van zijn gemalin Maria van Bourgondië, door een putsch van de Vrije Brugse gilden en ambachten gevangen werd gezet. Dat zou zich wreken want na zijn vrijlating keerde Maximilaan, begrijpelijk, Brugge de rug toe, ontnam de privileges van de gilden en andere organisaties en begon het verval van de ooit welvarende stad met haar trotse paleizen, kerken en huizen. De auteur die zeer scherp is voor het "Venetië van het Noorden" ontwikkelt de thesis dat niet de verzanding van het Zwin (zoals tot op vandaag nog verteld wordt) maar de hardnekkige houding van de plaatselijke coöperaties ten opzichte van hun regent, die met zijn vertrek uit de stad en de daarmee gepaarde voordelen, de internationale handel de doodsteek gaf.Het is in die woelige periode dat Philips Wielant verwikkeld raakte in familiale twisten rond roerend goed in Brugge en erbuiten. Daar tegenover stond echter dat hij genoot van een gelukkig familiaal leven. Zijn kleindochter en petekind, Philippine (Pippa) De Gros was zijn oogappel en groeide bij hem op. Op elfjarige leeftijd trad zij in bij de Augustinessen in het Gentse klooster Galilea (niet ongebruikelijk in die tijd) . Het is voor dat klooster dat Wielant het drieluik bij Isenbranr bestelde. Hij preciseerde dat het onderwerp de opdracht in de tempel zou worden en zo geschiedde. Dat tafereel werd het middenstuk van het drieluik terwijl op het linkerpaneel de opdrachtgever (Wielant) en op het rechterzijstuk diens echtgenote Joanna van Halewijn figureren. Het centrale gedeelte is een interpretatie van de opdracht in de tempel waar centraallinks de moeder Gods met het kind werden afgebeeld en rechts een oudere man die Simeon voorstelt. Daartussen, en dat is interessant, staat een tafel waar achter een kloosterlinge te zien is die extatisch de ogen naar de hemel keert, naar het eeuwige licht, en daarnaast, veel kleiner en ook in habijt, kleindochter Pippa. Op die manier werd het een soort familieportret maar met een uitgesproken religieuze achtergrond. Wielant schonk het drieluik aan de Gentse kloostergemeenschap die het kon redden van vandalisme in 1566 (beeldenstorm) en ook, veel later, in 1783 waarbij, via een edict van de Habsburgse keizer Jozef II, de kloosters werden afgeschaft en hun bezittingen verbeurd verklaard. Het drieluik verhuist naar een depot en wordt later openbaar verkocht waar het in handen komt van Joseph van Huerne, rentenier, mecenas en kunstverzamelaar. Het bevindt zich nu in de schatkamer van de Sint-Salvator in Brugge, weggestopt wegens restauratiewerken. Dit verhaal over de geschiedenis van een eenvoudig en relatief klein drieluik van een vroeg-renaissancistische Vlaamse schilder is ingebed in een uitgebreide historische context. De auteur is op een uiterst gedetailleerde manier te werk gegaan waardoor de lectuur veel aandacht vraagt, ook omdat het verspringen van tijd en plaats een goed geheugen vergt. Bovendien is er een grote dosis kritiek op het Brugge van vandaag, nog altijd erfgenaam van een bekrompen religiositeit en een vorm van intolerantie, behalve wanneer het gaat om geld spenderende toeristen. Die zijdelingse vrij zure bemerkingen waarbij ook de vroegere Brugse bisschop over de kam geschoren wordt, dragen niet bij, ondanks de realiteit, tot een humane en objectieve geschiedschrijving. Desondanks besluit de auteur in zijn nawoord : "Ik hou van Brugge meer dan menig toerist - maar pas voor fabeltjes, legendes, sprookjes en theater. Ik hoop dat Brugge eindelijk in het reine komt met zijn verleden en haar trauma overwint. Haar pijnlijke verleden heeft er juist voor gezorgd dat heel wat erfgoed is bewaard, wat Brugge zo bijzonder maakt"."Wielants opdracht" Brugges besloten licht. Uitg. eigen beheer ISBN 9781616272173