Het is even onbegrijpelijk als veelzeggend: tot op vandaag bestaat er geen ernstige biografie van André Franquin*. Er zijn uiteraard een aantal publicaties rond bepaalde thema's in zijn oeuvre verschenen, maar er is geen enkel werk van lange adem dat aan het brede publiek het leven van een van de grootste tekenaars van de voorbije eeuw voorstelt. Het belangrijkste boek met gesprekken dat aan hem is gewijd, Et Franquin créa la gaffe van Numa Sadoul, is uitgeput en wacht al sinds 1986 op een eerste herdruk. Dat is een opmerkelijk hiaat voor een kunstenaar die zijn tijd zo zeer heeft beïnvloed en die met Guust alleen al meer dan 30 miljoen albums heeft verkocht... Die geringe aandacht houdt ongetwijfeld verband met de persoonlijkheid van André Franquin, die uit discretie en bescheidenheid meestal de schijnwerpers meed. Toch is het gepast om hulde te brengen aan dit creatieve genie.
...

Het is even onbegrijpelijk als veelzeggend: tot op vandaag bestaat er geen ernstige biografie van André Franquin*. Er zijn uiteraard een aantal publicaties rond bepaalde thema's in zijn oeuvre verschenen, maar er is geen enkel werk van lange adem dat aan het brede publiek het leven van een van de grootste tekenaars van de voorbije eeuw voorstelt. Het belangrijkste boek met gesprekken dat aan hem is gewijd, Et Franquin créa la gaffe van Numa Sadoul, is uitgeput en wacht al sinds 1986 op een eerste herdruk. Dat is een opmerkelijk hiaat voor een kunstenaar die zijn tijd zo zeer heeft beïnvloed en die met Guust alleen al meer dan 30 miljoen albums heeft verkocht... Die geringe aandacht houdt ongetwijfeld verband met de persoonlijkheid van André Franquin, die uit discretie en bescheidenheid meestal de schijnwerpers meed. Toch is het gepast om hulde te brengen aan dit creatieve genie. André wordt geboren op 3 januari 1924 in Etterbeek, in de buitenwijken van Brussel. Zijn ouders waren toen al vrij oud: zijn moeder heeft drie miskramen gehad. De tekenaar groeit op in een heel stijf milieu, onder de bescherming van vader Albert Franquin, een bankbediende die niet vaak glimlacht. "Ik ben geboren in een gezin waar weinig aan humor werd gedaan", zegt de tekenaar hier later over. Als enig kind, zonder neefjes of nichtjes, zoekt hij het gezelschap op van de dieren in het ouderlijke huis - een schildpad, een eekhoorn, kippen, parkieten. Hij vindt vooral troost in het lezen van geïllustreerde kinderverhalen (Mickey, Robinson, Hop-là). Zo ontdekt hij het werk van Walt Disney, maar ook dat van Milton Caniff of George McManus. Als vijfjarige blijkt André bijzonder goed te kunnen tekenen. "Een oom had me een schoolbord cadeau gedaan, een zwarte plank op een statief", vertelt Franquin veertig jaar later in het Robbedoes-weekblad. "Mijn vader stond versteld van een schets die ik daarop had gekrabbeld: een krijttekening van een hond die aan een bloem ruikt. Mijn vader vond de tekening zo mooi dat hij met het bord naar een bevriende fotograaf is gegaan om het beeldvast te leggen. Het maakt best wel indruk op een vijfjarige als iemand zijn werk zo ernstig neemt dat hij er een foto van maakt." Dat eerste familiale succes is onvoldoende om hem zijn "enorme nood aan humor" te doen vergeten. André gaat voortaan naar de katholieke school van Etterbeek, het strenge Sint-Bonifatius-instituut, waar Hergé voordien ook schoolliep. Zijn vader duwt hem in de richtingvan een loopbaan als landbouwingenieur, een beroep dat hij zelf had willen uitoefenen. De jongeman droomt echter van andere dingen.In 1942, na de humaniora, verlaat Franquin eindelijk Sint-Bonifatius. Met de hulp van zijn moeder gaat hij in tegen de wil van zijn vader: hij leert tekenen in de katholieke school (opnieuw!) van Sint-Lucas. In plaats van zich aan religieuze iconografie te wijden, illustreert hij de Fabels van La Fontaine. Hij krabbelt zijn schriften vol terwijl hij droomt van verre bestemmingen en van cartoons. De ervaring loont: enkele weken na de sluiting van de school, na een bombardement door Duitse V1-raketten, beveelt Eddy Paape, een medeleerling (de latere tekenaar van Jan Kordaat), de slungelachtige jongeman aan bij de CBA (Compagnie belge d'actualités), een nieuwe studio die zich op de tekenfilm richt. In september 1944 lijkt Franquin zijn Heilige Graal te hebben gevonden. Als animator werkt hij samen met silhouettentekenaar Maurice De Bevere (later Morris) en de gouacheschilder Pierre Culliford (alias Peyo). De droom is van korte duur: Amerikaanse troepen bereiken Brussel en Paul Nagant, de directeur van de CBA, wordt opgepakt op verdenking van collaboratie. De studio sluit de deuren. Er zit voor de jonge Franquin niets anders op dan zich te richten op een verwant medium: het stripverhaal. Op voorspraak van Morris gaat hij aan de slag bij Moustique, een weekblad voor volwassenen, uitgegeven door Dupuis. Maar het is op de bladzijden van de "kleine broer" Robbedoes dat Franquin zijn talent al snel ontplooit. Bij het jongerenmagazine neemt Joseph Gillain, alias Jijé, op dat moment bijna de helft van de inhoud voor zijn rekening! Voor deze vader van drie kinderen was de komst van Paape, Morris en Franquin een hele opluchting. Vanuit de wens om zijn ambitieuze biografieën rond Don Bosco en Jezus Christus voort te zetten, vertrouwt Jijé zijn reeksen aan de nieuwkomers toe. Franquin mag het hoofdpersonage Robbedoes voor zijn rekening nemen. "Ik ben Robbedoes beginnen te tekenen zonder dat ik de werken van mijn voorgangers had gelezen", bekent Franquin jaren later aan Numa Sadoul. "Zelfs die van Gillain heb ik niet allemaal gelezen! Ik kende op dat moment absoluut niets van die verhalen en ik voelde niet de elementaire nieuwsgierigheid om te kijken wat het was." Die zorgeloosheid verhindert Franquin niet om het succes van de piccolo voort te zetten. Hij werkt het verhaal Robbedoes en het geprefabriceerde huis af in juni 1946. Charles Dupuis, zijn nieuwe baas, is tevreden. Toch aarzelt Franquin al vanaf het begin om deze taak voort te zetten. Hij benadert een andere oudgediende van de CBA, Jacques Eggermont, en stelt hem voor om de reeks van hem over te nemen. Ze maken een afspraak maar die vindt nooit plaats. Naar verluidt door een gemist telefoongesprek. Om zijn vertrouwen te herwinnen, nodigt Gillain Franquin en zijn vriend Morris uit om bij hem in Waterloo in te trekken, waar ook Willy Maltaite alias Will inwoont. De "bande desquatre" vormt een heuse leef- en werkgemeenschap. Meester Jijé geeft uitgebreid lessen en adviezen in een sfeer van openhartige vriendschap.Maar Jijé, die tien jaar ouder is dan zijn leerlingen, maakt zich zorgen:in het naoorlogse Europa dreigt een Sovjet-Russische invasie en een nieuw vernietigend conflict. Jijé overtuigt Morris en Franquin om met hem mee te gaan naar Amerika, met vrouw en kinderen. In 1948 verlaat deze bizarre ploeg de haven van Rotterdam om in New York de American Dream na te jagen. In Manhattan wacht hen echter een teleurstelling: het quotum voor Belgische migranten is overschreden. Ze moeten een jaar wachten om een verblijfsvergunning te verkrijgen. Met alleen een toeristenvisum op zak vertrekt de groep in een oude Hudson richting Los Angeles. Ze geloven dat daar het hart van het Amerikaanse stripverhaal klopt. Helaas! Aangekomen in Californië beseffen de tekenaars dat de uitgeverijen van stripverhalen hun hoofdkwartieren hebben in Chicago en New York. Met kerst is de ploeg in Mexico,van waaruit Franquin zijn tekeningen blijft opsturen naar Robbedoes. Zes maanden later scheiden de wegen van de vriendengroep: Morris blijft in New York, terwijl Franquin naar België terugkeert. Hier wacht een zekere Liliane Servais hem op. Ze trouwen in de herfst van 1950.Het echtpaar Franquin verhuist van de ene gemeubelde kamer naar de andere. Wanneer ook Jijé naar België terugkeert, maakt de tekenaar kennis met zijn broer, Henri, die luistert naar de schuilnaam Jean Darc. Hij fluistert Franquin het scenario in voor Er is een tovenaar in Rommelgem. Dit album verleent een nieuw elan aan Robbedoes: voor het eerst verschijnt het dorp Rommelgem met zijn praatzieke burgemeester en de excentrieke graaf die hier al gulzig ervaringen met paddenstoelen opzoekt. Een jaar later brengt Robbedoes en de erfgenamen een eerste terugkerende tegenstrever ten tonele (de doortrapte neef Wiebeling), maar vooral een diertje dat later een cultstatus zal bereiken: de Marsupilami. 'Zijn naam is afkomstig van de samenvoeging van "marsupial" (buideldier), "Pilou-Pilou" en "ami" (vriend)", legt Franquin uit, die de alleseter met de lange staart steeds genegen is gebleven. Dit lange en gestructureerde verhaal toont een trefzekere Franquin. Op zijn 27ste houdt hij het weekblad Robbedoes sterk: hij verzorgt de omslag en een groot deel van de tekeningen. Uit dit werk straalt zelfvertrouwen en maturiteit. Franquin put steeds meer uit zijn lectuur van Sciences & Vie of National Geographic. Die lectuur verrijkt de reeks, te beginnen met de avonturen op zee van Het schuilhol van het zeemonster of de Maghrebijnse decors van De hoorn van de neushoorn. Die Afrikaanse escapade, die humor en detectiveverhaal met elkaar vermengt, sluit af met de geboorte van de Tarbot, een mythisch en avant-gardistisch voertuig dat de voorliefde voor design en mooie wagens van zijn uitvinder verraadt.De motor van Franquin zelf draait op volle toeren. Zijn tekenlijn verfijnt zich en wint aan energie, al is de bescheiden reus er zelf nooit helemaal tevreden over. Er komt evenwel zand in de machine: boos over een contractkwestie breekt de tekenaar in 1955 met Dupuis. De concurrent haalt hem snel binnen. Franquin verbindt zich ertoe om voor uitgeverij Lombard een plaat per week te publiceren in het weekblad Kuifje, meer bepaald de nieuwe reeks Ton en Tineke. Dit lijkt een draaglijke klus, tot Charles Dupuis zijn beschermeling enkele weken later tot inkeer brengt. Zo ziet deze "misnoegde luiaard" zich genoodzaakt om elke week een Ton en Tineke te tekenen en daarnaast twee platen van Robbedoes, naast de vele illustraties voor het weekblad Robbedoes! Om al dit werk de baas te kunnen, laat deze toch zeer sociale, maar dromerige man zich omringen door trouwe medewerkers, die hem bijstaan voor het scenario van de gags (Greg, René Goscinny...) of voor de decors van zijntekeningen (eerst Will, later vooral Jidéhem). Het jaar 1957 begint voor Franquin met een aantal uitzonderlijke voorvallen. Hij wordt vader als Liliane bevalt van de kleine Isabelle. Tegelijk stort hij zich op het poëtische familie-avontuur Het nest van de Marsupilami's, een symbolisch anti-actie-verhaal in Palombië. Tot slot schenkt hij in deze periode het leven aan een ander kind, of eerder aan een verlengstuk van zichzelf: Guust, de "werklozeheld" die enkele decennia de bladzijden van Robbedoes zal opvrolijken. Om die projecten in goede banen te leiden, zet hij het 'Atelier Franquin' op. Hij huurt hiertoe een appartement in de Braziliëlaan 15A en neemt Jidéhem op in zijn rangen. Roba (de latere auteur van Bollie en Billie/Bas en Boef) strijkt er neer in 1959. Maar zelfs dienieuwe structuur voldoet niet. Franquin heeft moeite om het ritme aan te houden, is zenuwachtig, pept zich op met sloten koffie. Hij is er in 1959 nog maar pas in geslaagd om aan het contract met Kuifje te ontkomen, door Ton en Tineke aan Dino Attanasio toe te vertrouwen, of Charles Dupuis, die de Franse markt wil veroveren, geeft hem een nieuwe opdracht: het tekenen van nieuwe platen van Robbedoes voor het dagblad Le Parisien libéré. In 1961 is Franquin de burn-out nabij. Hij heeft net twee gedurfde albums afgewerkt die een nieuw elan verlenen aan de avonturen van de piccolo (Z van Zwendel en De schaduwvan Z). Maar Charles Dupuis kan deze verhalen over de Zwendelgolf en de Zwendelmannen niet smaken en verbiedt Franquin het personage van de megalomane geleerde opnieuw op te voeren. Franquin begint dus schoorvoetend met het tekenen van QRN op Bretzelburg en aan het einde van het jaar stopt hij plots met het verhaal: bij het begin vande foltersessie met dokter Kilikil, die een verbaasde Kwabbernoot toeroept: "Ze zont fos nerfs gu'il vaut zoigner!"(U moet naar uw zenuwen laten kijken). Is dit het resultaat van een depressieve periode, zoals men zo vaak heeft gesuggereerd? Het gevolg van een virale hepatitis, gevat nadat hij zonder voorzorgen zijn tuinhuis heeft geschilderd? Het kan ook een simpele bewustwording zijn van een auteur die, sinds vijftien jaar, achter de personages aanholt om hen vervolgens te dumpen. Vijftien maanden lang laat hij Robbedoes achter in de burcht van Schnapsfürmich en zet hij in het weekblad alleen zijn halve bladzijde met de flaters van Guust voort. Uiteindelijk brengt hij, met de hulp van scenarist Greg, het avontuur tot een goed einde. Er is niets aan te doen: Franquin zit met zijn hoofd al elders en de laatste twee avonturen van Robbedoes, Bravo Brothers en Hommeles in Rommelgem zijn niet meer dan de zwanenzang van een geschiedenis die achttien jaar heeft geduurd. "Na verloop van tijd heb ik ontdekt dat men enkel plezier heeft aan de personages die men zelf creëert", besluit hij. In 1968 laat Franquin zonder spijt de verantwoordelijkheid voor de piccolo overaan Jean-Claude Fournier. Hij houdt alleen zijn geliefde Marsupilami voor zichzelf. Intussen heeft Franquin wel een nieuw stokpaardje gevonden: Guust Flater, het prototype van de subversieve antiheld. Het is een lui personage, waarmee hij zijn "innerlijke landschap" kan verkennen, maar ook een vleugje humor en waanzin kan injecteren in de starre wereld van devolwassenen. "Ik denk dat er een belangrijk moment is in het leven waarbij men ontdekt dat het leven geen spel is maar iets vreselijk ernstigs, waarin niets voor niets is, waarin het plezier zeldzaam is en waarin men elk moment van tevredenheid moeizaam moet verdienen. Ik denkdat Guust dat moment van besef heel goed voor zich uit schuift", legtde tekenaar uit met zin voor ironie.Vanaf het bescheiden begin is het universum van de kantoorjongen uitgebreid en bevolkt met een bizarre fauna binnen de muren van deredactie: Pruimpit, Krasser, Juffrouw Jannie, Joost-van-Smith-aan-de-overkant, De Mesmaeker, een gekke kat en een lachmeeuw... In de jaren 1960 is de grappenmaker de nieuwe ster van Robbedoes en is Franquin de koning van het magazine. Het weekblad bulkt nochtans van de grote namen. Morris, Tillieux, Roba, Jijé, Peyo, Will, Rosy: allemaal behoren ze tot het magazine dat wordt geleid door een vreemde snuiter met een lange baard, de fantast Yvan Delporte. Met hem en Maurice Rosy aan het artistieke roer kent Robbedoes een gouden tijd. Het is een periode van intense creativiteit en experiment die de "school van Marcinelle" bevestigt. Die wittebroodweken blijven niet duren. Het begin van de jaren 1970 betekent enerzijds de triomf van de tegencultuur, maar ook van de ontgoocheling van een generatie die met een speels modernisme is gevoed en die de uitwassen van de consumptiemaatschappij vaststelt. De humor van Guust, die oorspronkelijk absurd en naïef was, wordt bijtender. Het personage gaat in de clinch met ordetroepen, jagers, militairen en uiteraard ook parkeermeters. Franquin heeft het steeds moeilijker met de lijn die het weekblad voert, die voortaan wordt geleid door Thierry Martens, met een eerder rechts profiel. Dankzij zijn langdurige vriendschap met Charles Dupuis slaagt hij er in 1977 in om hem zijn idee, bedacht met Yvan Delporte, te verkopen: een scherpe aanvulling op Robbedoes. Dit wordt Le Trombone illustré, een vreemd en buitensporig weekblad dat naast Franquin ook plaats verleent aan de jongeren Gotlib, Bilal, Tardi en Jannin. Maar het concept slaat niet aan en het "kelderweekblad" is genoodzaakt om na 30 afleveringen op te houden. Het blad laat een geur van underground na die mettertijd cult wordt, met de wrede en sadistische humor van de reeks Zwartkijken als atypisch hoogtepunt. In dit kleine meesterwerk, dat hij bleef tekenen in Fluide Glacial, verkent Franquin ongegeneerd en met open vizier zijn donkere kant - zelfs al neemt hij er afstand van door Zwartkijken te vergelijken met "Guust, doordrenkt met roet". Hoe hilarisch ze ook is, de reeks getuigt van de bittere kijk waarmee de tekenaar voortaan de wereld observeert. De man die mensen zo graag aan het lachen bracht, kan zijn angst voor de tijd die komt niet langer verbergen. Het regent nochtans loftbetuigingen. Al in 1974 wint Franquin de Grote Prijs op het nieuwe Internationale Festival van het stripverhaal in Angoulême. De fans drommen om hem heen en jonge auteurs zoeken zijn raadgevingen en goedkeuring. Ook zakenlui kennen al snel de waarde van het Franquin-erfgoed: in 1987, enkele jaren na een nieuwe depressieve periode, staat Franquin de rechten voor de Marsupilami af aan een Monegaskisch zakenman, Jean-François Moyersoen,die meteen de geldpomp bedient en de markt overspoelt met gadgets in de stijl van Franquins karakter.Franquin is nu boven de zestig en kan zijn slippers aantrekken om te genieten van een welverdiende rust. Toch werpt hij zich in het avontuurvan de Tifous. Voor dat laatste grote project van zijn loopbaan schetst en tekent hij duizenden lieflijke en harige monsters. Maar die laatste animatiereeks, als in een knipoog naar het begin, slaat niet aan: slecht gepromoot, slecht verkocht, blijft ze een schrijnende mislukking. In1992 staat de tekenaar, die steeds meer last heeft van zijn gezondheid, zijn laatste helden af aan Moyersoen en aan zijn bedrijf Marsu Productions. Hij brengt alsmaar meer tijd door met zijn familie in Callian, een mooi dorpje hoog in "Le Var" (Zuid-Frankrijk), waar zijn dochter en kleinkinderen wonen. Op 3 januari 1997 viert hij zijn 73ste verjaardag. Twee jaar later krijgt hij een hartaanval. "Ik moet op slag in slaap gevallen zijn" riep Guust in een van zijn mooiste kwinkslagen uit. Zijn schepper is heengegaan zonder ooit de duizendste gag te tekenen die hij voor hem op het oog had.(Julien Bisson)* Dit tekort wordt weldra weggewerkt. Christelle en Bertrand Pissavy-Yvernault werken aan een biografie van FranquinDe speciale editie 'Franquin, koning van de lach' is nu te koop in de dagbladhandel voor 9,95 euro.