Elk jaar heb ik hetzelfde goede voornemen. Het is te zeggen, elk jaar denk ik dat er de eerste januari een betere versie van mezelf wakker zal worden die haar leven op orde weet te houden op een manier die tot enkele uren daarvoor volkomen onmogelijk leek. Elk jaar hoort daar hetzelfde devies bij: meer romans lezen. De reden daarvoor is dat er in de kerstvakantie telkens dezelfde twee dingen gebeuren. Ik heb nog eens tijd om een roman echt te lezen: niet af en toe een gestolen uurtje, ma...

Elk jaar heb ik hetzelfde goede voornemen. Het is te zeggen, elk jaar denk ik dat er de eerste januari een betere versie van mezelf wakker zal worden die haar leven op orde weet te houden op een manier die tot enkele uren daarvoor volkomen onmogelijk leek. Elk jaar hoort daar hetzelfde devies bij: meer romans lezen. De reden daarvoor is dat er in de kerstvakantie telkens dezelfde twee dingen gebeuren. Ik heb nog eens tijd om een roman echt te lezen: niet af en toe een gestolen uurtje, maar uren en uren na elkaar. Dit jaar - ik schrijf dit terwijl ik de kerstdis nog aan het verteren ben - is dat Middle England van Jonathan Coe. Het is heerlijk en geweldig, maar ik ben dan ook een fan van Coe. Ten tweede raakt mijn hoofd altijd weer gevuld met alle titels die in de eindejaarslijstjes worden aangeprezen, of gewoon al met de boeken die ik cadeau krijg. In al mijn naïviteit denk ik dan de volgende twaalf maanden evenveel te kunnen lezen als tijdens de kerstvakantie, als ik mijn agenda maar eens wat beter onder controle zou krijgen. Dat blijkt nooit te lukken. De meeste boeken die ik echt lees, en zeker degene die ik helemaal uitlees, zijn werkgerelateerd. Dat zijn dus helaas niet altijd de beste. De tijd die overblijft, verzuip ik in de meest fantastische journalistieke verhalen. Het zijn er ook de tijden voor, nietwaar? Dat bevalt mij zelfs zodanig dat ik elk jaar hetzelfde, niet al te originele plan bedenk: een column schrijven waarin ik de literatuur doodverklaar, en de wisselbeker doorgeef aan de journalistiek. Helaas, dat zou onterecht zijn. The New Yorker en The New York Times brengen af en toe verhalen met literaire kwaliteiten, maar een roman is nog altijd echt iets anders. Terwijl de personages uit zulke nieuwsverhalen soms wel enkele weken door mijn hoofd blijven spoken, zijn er romans die ik voor de rest van mijn leven met me meedraag. Een goede roman is eenvoudigweg het mooiste wat er bestaat. Niettemin, de kans dat ik in 2019 mijn goede voornemen zal waarmaken is even klein als de vorige jaren. De kans dat mijn droom om voor een literatuurkatern te schrijven dit jaar in vervulling zal gaan, is al helemaal te verwaarlozen. Ik zal me dus weer moeten behelpen met snobisme: hoe minder romans ik lees, hoe meer ik er koop. De aangroeiende boekenkasten herinneren me aan de lezer die ik wil zijn, maar die ik allicht pas na mijn pensionering echt zal worden.