...

Ieder mens heeft recht op twee levens. Dat zegt de inmiddels drieënzestig jaar jonge mooie oppergod van de Nederlandstalige letteren. Het ene breng je door met anderen, het andere speelt zich af in je hoofd en hoef je niet noodzakelijk altijd aan de buitenwereld kenbaar te maken. Die opvatting dragen ook Herman Brusselmans' personages uit, eenzelvige figuren die met meesterlijke ironie en gevoel voor slapstick van de dingen het hunne denken. Hij schrijft literatuur die de lach serieus neemt. Zijn werk is bedoeld om te entertainen. Maar 's lands meest productieve auteur heeft gelezen en gezien dat er een groot spook door de Nederlandstalige letteren dwaalt: het heeft allemaal niets meer te betekenen. Zijn nieuwe roman Geschiedenis van de moderne literatuur wil de vinger op de zere plek leggen en Vlaamse en Nederlandse schrijvers altegader oproepen tot een polemiek. Hieronder verneemt u daar het fijne van. Dit zijn de bekentenissen van Brusselmans.Ik moet me kunnen amuseren tijdens het schrijven. Het begint dus altijd bij mezelf, maar het is wel de bedoeling om zoveel mogelijk lezers te bereiken en hen met een goed boek te entertainen. Wanneer iemand me zegt dat hij goed heeft moeten lachen, dan ben ik toch altijd verguld. Maar met humor kom je steeds weer uit bij 'smaken verschillen'. Je kan uren zeiken over de precieze definiëring ervan en proberen de technieken uit de doeken te doen, maar daar kom je nergens mee. Om mijn boeken goed te vinden moet je op een bepaalde manier denken zoals ik. In Vlaanderen zijn er zo geen honderdduizend mensen. In mijn laatste roman Geschiedenis van de moderne literatuur schrijf ik dat Esther Verhoef een goeie schrijfster is omdat ze dikke tieten heeft en een spannende leren broek draagt. Mensen die het niet snappen vragen zich af: is dat nu een criterium waarop je iemands literaire kwaliteiten beoordeelt? Of ze halen hun schouders op. Maar als lezer moet je in mijn onnozeliteiten meekunnen. Ik heb ooit ergens geschreven dat Annelies Verbeke te lelijk is om een goed boek te kunnen schrijven. Jeroen Brouwers - vroeger toch iemand met gevoel voor humor - heeft mij toen geklasseerd als een seksistische nitwit die maar beter zou stoppen met schrijven. Hij nam het te serieus. Niemand. Ik ken totaal geen jaloezie in mijn metier. Maar in de Nederlandstalige letteren zitten we wel met een groot probleem. Het stelt allemaal niks meer voor. Het is zelfs zover gekomen dat boek.be, de organisatie die in Vlaanderen zo ongeveer alles regelt wat de literatuur aangaat - van boekenbeurs tot schrijverssubsidiëring - failliet gaat. Literaire tijdschriften? Stuk voor stuk uitgestorven. Nu ja, dingen als Het liegend konijn bestaan nog wel, maar wat ben je met een tijdschrift met tien abonnees dat om de zes maanden drie gedichtjes publiceert? Zelfs iets debiels als literaire cafés, ze zijn allemaal verdwenen. Dat vind ik spijtig. Zo werden ideeën uitgewisseld en polemieken uitgelokt. Schrijvers sloegen op elkaars - al dan niet spreekwoordelijke - muil en daar werd dan een artikeltje over gepubliceerd. Het publiek werd erin meegesleurd en iemand kon op het idee komen om van die mensen een boek te lezen. Het zijn allemaal schakeltjes in de ketting, maar die ketting is verdwenen. Met mijn roman Geschiedenis van de moderne literatuur wil ik de vinger op de zere plek leggen. Ik wil een polemiek opwekken. Ik zeg dat je goed kan schrijven omdat je dikke tieten hebt? Kom jongens, pak mij maar terug. De literatuur moet opnieuw iets gaan betekenen. Je hebt natuurlijk wel figuren die reacties opwekken en op zichzelf een reclame vormen voor de literatuur. Ilja Leonard Pfeijffer, bijvoorbeeld, met zijn uiterlijk alleen al en zijn gezeik over zijn Stella. Arnon Grunberg is ook zo iemand. In Vlaanderen heb je Tom Lanoye, die absoluut in elke top tien van om het even welke periode uit de Vlaamse literatuurgeschiedenis thuishoort. Dat soort mensen heb je nodig. Aandachtstrekkers zijn belangrijk omdat ze een milieu, zaak of probleem bespreekbaar maken. Maar tegenwoordig lijkt iedereen vooral de ideale schoonzoon of schoondochter te willen uithangen. Peter Terrin, Christophe Van Gerrewey, dat zijn doodbrave jongens. Welke boeken ze ook schrijven, zij gaan de literatuur nooit een spuit heroïne geven. Ondertussen zitten de uitgeverijen te hopen op een nieuwe Millennium-trilogie of een Vijftig tinten grijs waar ze een honderdtal andere boeken mee kunnen financieren, waarvan er dan gemiddeld - een officieel cijfer naar verluidt - 247 exemplaren worden verkocht. Niet dat er de afgelopen jaren niets van waarde is verschenen - De hoogstapelaar van Wessel te Gussinklo en Ilyas van Ernest van der Kwast vind ik geweldige boeken. Maar een roman uit de jaren twintig van de eenentwintigste eeuw die de tijd nu eens echt bij de lurven heeft en al wat er speelt met een lach en een traan op tafel legt? Ik vind hem niet. Weet je wie de genieën zijn? De mensen die telefoons uitvinden, ervoor zorgen dat er drinkbaar water uit de kraan komt en dat het licht aangaat wanneer we op een knopje drukken. Kunstenaars zijn geen genieën, ook niet legendarische figuren als Jimi Hendrix of pakweg een James Joyce. Bèta-wetenschappers, mensen die we hoogstwaarschijnlijk niet kennen, dát zijn de geniale mensen.Wellicht zijn ze er wel, hoor, de schrijvers die thuis voor de spiegel staan en zeggen: 'En de Nobelprijs voor literatuur gaat dan nu naar Dimitri Verhulst. Dank u wel!' (lacht). Maar iedereen die creatief bezig is, doet dat toch vooral tussen zijn eigen vier muren. Als je geregeld in milieus verkeert van mensen die ergens om geroemd worden, merk je dat alles veel meer met onzekerheid dan met ijdelheid te maken heeft. Hoe succesvol iemand ook is, eigenlijk weten ze toch ook niet hoe het zit.Vanitas betekent zowel ijdelheid als leegheid. Zou je nog schrijven als elk boek anoniem werd gepubliceerd?Ik denk het eerlijk gezegd niet. Vroeger ongetwijfeld wel. Ik heb lang beweerd dat ik op een onbewoond eiland met een stokje in het zand gedichtjes zou schrijven, maar die tijd is voorbij. Het heeft niets met ijdelheid te maken, maar wel met - excusez le mot - vermoeidheid. Ik kan het allemaal nog maar moeilijk opbrengen. Ik heb drie columns per week, vier per maand en ik publiceer ieder jaar op z'n minst twee boeken. Daarnaast doe ik veel dingen voor televisie, waarbij je soms dagenlang moet wachten op een shot van drie seconden. Het zal wel een periode zijn waar ik door moet - misschien heeft het ook met die hele corona te maken - maar tegenwoordig voel ik me lamlendig. Wat ook speelt is dat ik de laatste maanden aan het worstelen ben met een roman over mijn jeugd, Theet 77. Ik heb al wel eens eerder met een boek geworsteld, maar nog nooit in deze mate. Ik kondig dat boek al een tijdje aan, maar voor het eerst denk ik: waar ik nu over wil schrijven hebben de mensen geen zaken mee. Ik vind het ook moeilijk om alles dertig à veertig jaar later weer op te rakelen. Het doet me te veel pijn. Dus ik vrees - nu ja, eigenlijk kan het me niet zo veel schelen - dat het boek er toch niet zal komen.Ik noem altijd De avonden van Gerard Reve en The Catcher in the Rye van J.D. Salinger, maar dat zijn boeken die ondertussen van iedereen zijn geworden. Ik ben ook beïnvloed door schrijvers die na mij begonnen zijn. American Psycho van Bret Easton Ellis is een roman die ik zelf geschreven zou willen hebben. Als De avonden mij een schop in het veld van de literatuur heeft gegeven, dan heeft American Psycho mij los in de winkelhaak gekopt. De waarheid is voor in de krant. De leugen vind ik literair veel interessanter. Je kan er veel meer kanten mee uit. De waarheid kan je niet verzinnen. Er komt geen fantasie bij kijken. De basis van alles wat ik doe is een spel met de lezer. Het is fictief autobiografisch. Je kan er natuurlijk geen percentages op kleven, maar laten we zeggen dat zestig à vijfenzestig procent verzonnen is. Het blijft een creatie. Net zoals Frits van Egters niet Gerard Reve is, val ik niet samen met de ik-figuur of Louis Tinner. Maar je moet het wel in je hebben om dat soort personages te maken. Het kernwoord is amusement - en daar zeg ik altijd bij dat Dostojevski ook amusement is. Ik heb er plezier in om zowel een lezer in Groningen als in Kortrijk te doen denken: what the fuck is dit? Sommigen zullen na één bladzijde denken: deze bullshit hoef ik niet. Anderen zeggen: yes, van deze pipo wil ik alles lezen. Mijn personages zijn loners die voor een groot stuk in hun eigen hoofd leven. Ze fantaseren de boel bij elkaar. In je gezicht zeggen ze het ene, terwijl ze bij zichzelf denken: stomme eikel. Een gevolg daarvan is dat je weinig ruimte hebt voor andere personages. Misschien zou je dat wel als gefundeerde literaire kritiek kunnen aanvoeren: bijna al mijn boeken hebben eigenlijk maar één hoofdpersonage. Je hebt wel het droommeisje, de vrouwfiguur, maar zij is bijna altijd weg of ligt te slapen. Ik voel me zelf ook aangetrokken tot mensen bij wie je een heel ander innerlijk leven kan vermoeden dat ze niet noodzakelijk altijd aan de buitenwereld kenbaar maken, zelfs niet aan hun geliefden. Ik vind dat iedereen het recht heeft om twee levens te leiden: het leven dat je deelt met andere mensen - op je werk, in je relatie, et cetera - en een innerlijk leven waarbij je de dingen eventueel niet zegt, maar wel denkt. Als schrijver kan je niet honderd procent in het ware leven staan. Je stopt te veel tijd in het verzinnen, het creëren en dat doe je bovendien alleen. Wanneer je op een kantoor werkt, ben je bezig met andere mensen. Als je schrijft niet. Zelfs als er vijf mensen rond je schrijftafel zouden staan kijken, moet je het nog steeds volledig zelf doen. Bij de meeste beroepen kan je wel zeggen: 'Shit, waar moet dat dan staan?' en iemand die er meer verstand van heeft dan jij zal je zeggen: 'Eigenlijk moet het hier staan.' Als schrijver moet je het altijd zelf uitzoeken. Iemand kan wel over je schouder meelezen en suggereren dat je een alinea verzet of het ene woord door een ander vervangt, maar het is toch niet hetzelfde.Ik heb geen morele plicht. Wie ben ik om mij superieur op te stellen en anderen te vertellen wat ze moeten doen? Mijn mening doet er totaal niet toe. Toen ik in 1991 voor het eerst bij Humo begon, was dat als invaller voor Tom Lanoye. Hij was op vakantie en ik nam zijn column over. Het eerste standpunt dat ik toen aan de lezers kenbaar maakte was dat Tom over alles een mening heeft en ik over niets. Dat is nog steeds zo. Dat relativistische past niet echt binnen de tijdgeest vandaag, dat weet ik wel. Tegenwoordig wordt van een schrijver verwacht om op verschillende manieren geëngageerd uit de hoek te komen. Ben ik woke of niet? Ben ik een antivaxer of moeten we de vaccinatie juist verplichten? Ik houd me met al die zaken niet bezig. Ik gebruik ze wel om een zekere ontregeling op te wekken. Het gaat bij mij altijd om de manier waarop ik het breng. Het draait om de taal. Dat schrijvers de polsslag van de tijd willen voelen en daar dan een roman over schrijven, op zich heb ik daar niks op tegen, maar het gaat daarbij toch altijd om periodes. Periodes gaan voorbij. Steeds sneller trouwens. De kans is groot dat je roman al voorbijgestreefd is wanneer hij uitkomt. Ik zou niet kunnen leven in een wereld vol feiten en waarheden zonder dat daar de fantasie van kunstenaars tegenover staat. Net zoals muzikanten, filmmakers of pakweg dansers hebben we schrijvers nodig omdat ze ons uit de dagelijkse werkelijkheid tillen. Of hun verzinsels je nu doen lachen, triestig stemmen of geestdriftig maken, ze zijn in elk geval entertainend. Dat hebben we absoluut nodig. De waarheid is zelden entertainend, tenzij je haar op een fantasievolle manier bij elkaar verzint. Ik zou toch graag mijn kop pas neerleggen als ik mijn honderdeneerste boek heb geschreven. William Roelant