'Read my lips: het aso zal nooit afgeschaft worden', beloofde N-VA-voorzitter Bart De Wever tijdens de vorige verkiezingscampagne. En hij hield woord: in de onderwijshervorming, die begin dit jaar werd uitgetekend, is geen sprake meer van een brede eerste graad en de afdelingen aso, tso en bso blijven gewoon bestaan. De Wever en zijn medestanders zijn ervan overtuigd dat 'linkse eenheidsworst onvermijdelijk zou leiden tot een nivellering van het onderwijsniveau'. Met andere woorden: als alle kinderen een degelijke kans krijgen, zouden de beste leerlingen niet meer kunnen excelleren.
...

'Read my lips: het aso zal nooit afgeschaft worden', beloofde N-VA-voorzitter Bart De Wever tijdens de vorige verkiezingscampagne. En hij hield woord: in de onderwijshervorming, die begin dit jaar werd uitgetekend, is geen sprake meer van een brede eerste graad en de afdelingen aso, tso en bso blijven gewoon bestaan. De Wever en zijn medestanders zijn ervan overtuigd dat 'linkse eenheidsworst onvermijdelijk zou leiden tot een nivellering van het onderwijsniveau'. Met andere woorden: als alle kinderen een degelijke kans krijgen, zouden de beste leerlingen niet meer kunnen excelleren. Maar dat klopt niet. Sterker nog: een onderwijsbeleid dat inzet op gelijke kansen trekt álle leerlingen naar boven. Dat blijkt uit De geslaagde school, een boeiende analyse van het Franstalige en Nederlandstalige onderwijs in België onder redactie van Kristof De Witte (KU Leuven) en Jean Hindriks (UCL). 'Wéér een boek over onderwijs', hoor ik u al zuchten. Inderdaad, maar wel eentje dat er uitspringt. Het is namelijk door economen geschreven in plaats van door pedagogen of kinderpsychologen. Dat is bijwijlen heel bevreemdend, maar het levert ook oorspronkelijke ideeën op. Niet gehinderd door bespiegelingen over het welzijn van jongeren of hun opvoeding tot kritische burgers gaan de auteurs aan de slag met objectieve cijfers, zoals de resultaten van de internationale onderwijsstudie PISA. Op basis daarvan berekenden ze onder meer de sociale mobiliteit van schoolsystemen: het vermogen van leerlingen om een hogere schoolse rang dan hun sociale rang (de terminologie die wordt gebruikt is eerder economisch dan politiek correct) te bereiken. Op die manier komen ze al snel tot de conclusie dat gelijke kansen voor alle leerlingen helemaal niet tot een lager onderwijsniveau hoeven te leiden. Integendeel. Landen waar de sociale mobiliteit op school groot is, hebben meestal een bovengemiddeld onderwijsniveau. De auteurs vergelijken dat met een sportwedstrijd: hoe meer sporters meedingen naar de overwinning, hoe intenser de race is en hoe beter de prestaties van alle deelnemers samen. Dat is meteen een belangrijke les, want op het vlak van sociale mobiliteit is ons land vandaag een van de slechtste leerlingen van de klas. Dat zou vooral te wijten zijn aan de scheidingsmuren tussen het aso, tso en bso - inderdaad: diezelfde schotten die men bij de onderwijshervorming niet heeft willen weghalen. Doordat leerlingen die het moeilijk hebben of zwak presteren al vroeg naar andere studierichtingen worden doorverwezen, gaat het Vlaamse systeem voorbij aan een belangrijke realiteit: het bestaan van veerkrachtige leerlingen: kansarme jongeren die in de PISA-test bij de 25 procent besten van hun land eindigen. Die veerkracht zou het Vlaamse onderwijssysteem veel meer moeten aanspreken. Maar dan zullen de beleidsmakers van vandaag eerst onder ogen moeten zien dat ze wel degelijk bestaat.