Het is goed dat ik tweemaal Coppers' nieuwste gelezen heb, want ik beken dat ik na de eerste lectuur een wat wrange smaak in de mond had. Het leek me een onmogelijke krachttoer, het verleden van Liese Meerhout opnieuw opdiepen in de cel kunstmisdaad en haar verhouding met Simon en zijn antiquariaat, dat koppelen aan de magie en de hocus pocus van hedendaagse nepkerken, aan wetenschappelijke doorbraken én bijgeloof tegelijk, aan een liefdescrisis en aan een gezinsdrama. Het was wat veel voor een vloeiend verhaal, het was dansen op een wel heel slappe koord, en ik kon me niet van de indruk ontdoen dat de danser af en toe weggleed en dreigde neer te storten. Maar bis repetitio placet.
...

Het is goed dat ik tweemaal Coppers' nieuwste gelezen heb, want ik beken dat ik na de eerste lectuur een wat wrange smaak in de mond had. Het leek me een onmogelijke krachttoer, het verleden van Liese Meerhout opnieuw opdiepen in de cel kunstmisdaad en haar verhouding met Simon en zijn antiquariaat, dat koppelen aan de magie en de hocus pocus van hedendaagse nepkerken, aan wetenschappelijke doorbraken én bijgeloof tegelijk, aan een liefdescrisis en aan een gezinsdrama. Het was wat veel voor een vloeiend verhaal, het was dansen op een wel heel slappe koord, en ik kon me niet van de indruk ontdoen dat de danser af en toe weggleed en dreigde neer te storten. Maar bis repetitio placet. De Genezer is opgezet als een bladerboek, zoals het onbetaalbare Cruyde Boeck van Rembert Dodoens, dat een cruciale rol speelt, en het Bestiaire d'Amour (1245) dat een bladwijzer is voor de verschillende lagen van deze thriller, die meer weg heeft van toegepaste psychiatrie dan van een moordzaak. Al vallen er doden, al is de Britse politie flegmatisch lui, al geldt Oxford als de natuurschildering waartegen het drama zich afspeelt, al is de ontknoping bijna Sherlock Holmesiaans vanzelfsprekend rationeel.Vanwaar dan mijn oorspronkelijke twijfel? Omdat er bladzijden teveel inzitten. Het diepere aftasten van Meerhouts psychologie en van haar midlife crisis (want dat is het: waar sta ik? Wat wil ik? Wie moet ik kiezen? Waarom voel ik me appelig? Heeft het allemaal wel zin?) verleidt tot overacting. De ruzies met haar vriend, Massons zoon Matthias, draaien altijd om het dilemma van elke journalist: waarom is de partner zo lamlendig, heeft hij geen behoefte aan uitvliegen, is hij met simpele dingen zoals koken ambitieloos gelukkig? Uithuizigheid vreet aan relaties. Reizen op je eentje zaait onnodige twijfels over trouw of belangstelling. Het is het hoofdingrediënt van de chicklit, en daar struikelt bijna, net niet, de auteur. Bedmokken zorgt voor onnodige vertraging, je hebt zin dat over te slaan. Er zitten weeë, melige bladzijden in, die naar emotionele overdaad neigen; meer gestrengheid zou de al ingewikkelde plot nog strakker, gebalder en beklijvender hebben gemaakt.Want niemand verweeft subtieler actualiteit en geschiedenis in een vlotlopend verhaal dan Coppers. Hij heeft getracht zijn liefde voor Oxford te koppelen aan zijn bewondering voor kunst. Tegelijk wil hij zijn personages 'voller' maken. Behalve Meerhout en brombeer Masson (die eindelijk, gezien zijn mopperend en duister karakter, naar een degelijke turfwhisky van de Isle of Islay is overgestapt), komen stilaan ook collega's Nouredinne en Laurent steviger uit de verf. Versandig wordt de (voorspelbare) karikaturisering van hoofcommissaris Torfs en de onderzoeksrechter op een aanvaardbaar laag pitje gezet.De toon is meteen gezet in twee schijnbaar losstaande miniaturen: de moord en foltering van de (uiteraard wereldvreemde) professor Bernaert, en de dood van een medium van de New Church of the Living Christ, Charles Yeboah. Als derde lijn krijgt Liese een telefoontje van haar oudlief Simon vanuit Oxford, waar hij zich inmiddels gesetteld heeft. Daar is een Vlaams meisje vermist, Mila. Ze is wellicht verdronken of ze heeft zelfmoord gepleegd, want naast de rivier zijn haar kleren netjes opgevouwen teruggevonden. Maar Simon neemt geen genoegen met de laconieke vaststelling van ongeluk of zelfmoord. Liese naar Oxford. Dat geeft het hele boek door spanningen tussen de Britse verantwoordelijke Simms, die geen hoge pet op heeft van buitenlandse snuisteraars, en Antwerpen, waar Liese en Masson stilaan wel een gordiaanse knoop menen te herkennen. Verwijzingen naar hier te lande bekende voorbeelden zijn legio. De verdrinking brengt automatisch de zelfdoding van liberaal politicus Ward Beysen in herinnering, die netjes overjas en gsm en uurwerk op de oever legde, en naar zijn dood stapte in het ijskoude water van de fortgracht aan de Antwerpse universiteit. De kerk, die Coppers aan het Hessenplein plaatst, is een afdruk van de laatste bioskoop in de Carnotstraat, de Rubens, die in 1993 werd omgeturnd tot een tempel van een christelijke sekte die vooral muzikale en dansende zwarten aantrekt, de Universele Kerk van Gods Rijk.Maar het gaat verder dan details. Coppers' onverbloemde interesse in kunstige boeken vormt, met de stad Oxford, een platform waar schoonheid en zeldzaamheid verziekt worden door intriges van hedendaagse geldzucht en nijd. Die botsing vangt Coppers op door het gebruik van zinnebeelden, met name uit de Bestiaria, middeleeuwse compendia die allerhande kwaliteiten toeschreven aan dieren, of ze nu werkelijk bestaan, verdwenen of gewoon ingebeeld zijn. Net daarom speelt het Cruyde Boeck zo'n onthullende rol. De titelplaat van de eerste uitgave uit 1553 werd getekend door de Mechelse etser Pieter van der Borcht, met daarop de Tuinen de Hesperiden, waar de draak Ladon de gouden appels beschermt. Ook in de heruitgave tien jaar later verschenen ettelijke tekeningen van Van der Borcht, die na de instelling van Alva's Bloedraad naar Antwerpen vluchtte. Hij werkte daar voor Plantijn. En uiteraard komt ook het manuscript dat Bernaert in bruikleen heeft uit drukkerij Plantijn-Moretus. Maar Van der Borcht verwierf ook faam met zijn verluchtingen van Perzische fabeldieren in de Epiphanius Physiologus (1588; de traditie wil dat dit christelijk didactisch werk in de 2e eeuw is geschreven). Met name de Manticore en de Caladrius spelen een symbolische rol in De Genezer.De Manticore (martichoras), letterlijk in het Farsi "de menseneter", is een opgedreven versie van de Bengaalse tijger, met lange nek, een menselijk gezicht, drie rijen tanden, en een schorpioenstaart met stekels die hij kan afschieten. Bernaert zit er al op de eerste bladzijde met het vergrootglas op, en weet nog niet dat het zijn eigen lot zal zijn. Als slachtoffer, mensenvlees. De Caladrius (charadrius) is belangrijker. Hij geeft of neemt het leven van een zieke. Hij heeft een onbevlekt witte kleur, lijkt op een zwaan of reiger, met een gele snavel en poten. Het is om zijn waarzeggerskracht (vergelijk het medium, de voodoopriester) dat hij wordt aanbeden: hij kan de ziekte wegnemen en laten verbranden in zijn vlucht naar de zon (beelden van de film The Green Line dringen zich automatisch op), hij kan ook wegkijken en dat betekent de wisse dood van de patiënt. Volgens de overlevering was het Alexander de Grote die voor het eerst de gaven van het dier opmerkte. Zijn naam is dan ook "de genezer", de titel van het boek.Eigenlijk is dit fabeldier de verbindingsknoop tussen de schijnbaar uiteenlopende richtingen die het boek uitloopt. Het boekenwinkeltje in Oxford met die naam, dat gespecialiseerd is in esoterie en cryptozoölogie (de beschrijving van onbestaande beesten), is de heksenkring waarin het lot van de medespelers bepaald wordt. De eigenaar wordt opgehangen gevonden in zijn huis, met een - foutief uitgetekende - cirkel waaruit ontsnappen onmogelijk is. Mila, het meisje om wie het uiteindelijk allemaal draait, werkte er deeltijds. Liese en Simms lopen er langs. De Antwerpse magiër Jürgen Polzmann (een grapje over Joachim Pohlman, de woordvoerder van De Wever?) is de eerste die doorheeft dat het geen heks (wicca of boosaardig) is die de kring getekend heeft. En die fout wijst onmiskenbaar naar gefabriceerde bewijzen, en onrechtstreeks naar de moordenaar. Want die is er wel degelijk, maar om allesbehalve spirituele motieven. Net door andere paden te bewandelen krijgt Masson een Aha-Erlebnis. Hij begrijpt geen wiskunde, maar zijn interesse voor buitenwetenschappelijke suggesties heeft een goeie grond: "Omdat je de pretentie moet hebben te durven geloven in iets waarbij het irrationeel is om aan te nemen dat het bestaat". Out of the box denken, heet dat vandaag.De hele roman is bovendien doordrenkt in zwaarmoedigheid, en dat is de echte drijfveer van Coppers geweest. Twijfel aan wat je doet, twijfel aan de bestendigheid der dingen. Er is een kernbladzijde waarin Masson goedmoedig probeert Liese tot ontboezeming van haar frustraties en twijfels te halen. Voor dat heimwee, die spleen, gebruikt hij het Portugese muziekbegrip van de fado, de saudade. 'Het gaat in wezen om heimwee naar iets wat er misschien nooit is geweest. Daarom raakt het ons ook zo. We verlangen naar iets onbereikbaars, iets wat er niet is en nooit zal kunnen zijn, en dat maakt ons triest'. Net als fabeldieren. En dat breekt de ban voor Liese: ze is verlost. De allesbehalve boekheidene Coppers had al kwansuis die ontwikkeling voorgespiegeld waar hij eerder uit Goethes Egmont (1788) de spreekwoordelijke tragiek van Lamoraal van Egmont (de door Alva in 1568 onthoofde edelman) in de mond van Liese had gelegd, de woorden die Egmonts geliefde Klärchen zong: 'Himmelhoch jauchzend, zum Tode betrübt'. Maar je moet ook het vervolg lezen: 'Glücklich allein ist die Seele, die liebt'.Die enorme spreidstand tussen onmogelijke liefde en pragmatisme maakt van De Genezer een therapeutisch boek. Zielenrust voor vertwijfelden aan de hand van een brevier, in de vorm van een thriller. Troost, die bij Coppers Hygge heet - het best te vertalen met knusheid, gezelligheid, geborgenheid. Meer heeft een lezer niet nodig, als hij zijn eigen demonen maar bezworen ziet. Dat rustpunt bereikt De Genezer na enkele gedurfde trampolinesprongen die niet altijd op een volmaakte landing eindigen. Maar het boek is zo rijk, dat het nog lang niet uit is. Al heb ik wel een opmerking bij Coppers' dankwoord 'voor het secure taaladvies'. Als ik 'afkappingsteken' lees in plaats van 'weglatingsteken', of op zijn Frans 'ik heb een lang gesprek met mevrouw Jinny Verhee gehad' zie staan (Madame la Marquise, de formalistische maar volstrekt overbodige gendertoevoeging), dan plaats ik daar toch een vraagteken bij. Kan ik ten minste over iets knorren.