Daar stond ik dan ineens, midden op een tramspoor in de Lange Leemstraat in Antwerpen. 'U mag wel naar voren komen als er een tram aankomt, hoor', zo stelde de fotografe me gerust. 'Eh ja', mompelde ik. Ik had zelf ook al besloten dat deze foto niet mijn allerlaatste wapenfeit hoefde te worden, maar de verleende toestemming om lijf en leden te redden in het geval van een aanstormend gevaarte, trof me toch ook wel weer een beetje.
...

Daar stond ik dan ineens, midden op een tramspoor in de Lange Leemstraat in Antwerpen. 'U mag wel naar voren komen als er een tram aankomt, hoor', zo stelde de fotografe me gerust. 'Eh ja', mompelde ik. Ik had zelf ook al besloten dat deze foto niet mijn allerlaatste wapenfeit hoefde te worden, maar de verleende toestemming om lijf en leden te redden in het geval van een aanstormend gevaarte, trof me toch ook wel weer een beetje. 'Stapje naar achteren,' zei de fotografe, turend door de lens, 'en een heel klein beetje naar rechts.' Behalve ikzelf moest ook het huis op de achtergrond goed in beeld. Daar werd op 22 februari 1896 Paul van Ostaijen geboren. Een gedenkplaat boven de deur en het woord 'zeppelin' in de vorm van een zeppelin op het raam - een citaat uit Bezette stad - herinneren daaraan. Na nog wat heen en weer te zijn geschuifeld, pasten we gedrieën op de foto, het huis, de zeppelin en ik. In de verte klingelde een tram. Slechts een paar dagen tevoren was bekend geraakt dat het geboortehuis van Van Ostaijen te huur kwam. De volgende dag zette literair criticus Arjan Peters dit fait divers in de Volkskrant. Badinerend, natuurlijk, want we grijpen ons allemaal op de een of andere manier vast aan dé canon, of een persoonlijke variant daarvan, maar om dat nu toe te geven... Van Ostaijen was er wel geboren, heette het, maar hij had er geen letter op papier gezet. Wie zou daar dus intrappen? Nu ja, eh, ik dus. En aangezien ik al een paar jaar werk aan de biografie van Paul van Ostaijen klonterde het ene fait divers samen met het tweede fait divers en liet Gazet van Antwerpen een fotograaf uitrukken om dit nu dubbel zo onnozele literaire weetje op de gevoelige plaat vast te leggen. 'Biograaf Paul van Ostaijen huurt meteen maar zijn huis', luidde de niet ongeestige kop. Want, tja, wie verzínt er nu zoiets? Wie gaat er nu zó op in het werk van zijn literaire held dat hij zelfs fysiek zo dicht mogelijk bij hem wil zien te komen? Wie richt zich nu zó op het culturele verleden dat zelfs zoiets prozaïsch als een stapel bakstenen historisch belang krijgt? Ik? Blijkbaar wel, en toch ook weer niet, want als het geen goede woonruimte was geweest, had ik niet hier op het tramspoor staan poseren. Aan de andere kant was dit huis ook nooit op mijn pad gekomen als de literatuur voor mij geen onmisbare bouwsteen zou zijn geweest van onze culturele identiteit. 'Nog één stapje naar rechts', zei de fotografe, terwijl de tram gevaarlijk dichtbij kwam. 'Klik' deed de camera. En daar stond ik met een grijns en een opgetrokken schouder: trots, maar ongemakkelijk, als de perfecte verpersoonlijking van het hortend op gang gekomen canondebat.