Toen mijn wettelijke vader stierf, kwam iedereen mij troosten. Toen mijn echte vader stierf, moest ik mijn verdriet, dat drie keer zo groot was, verbijten op de achterste banken.'
...

Toen mijn wettelijke vader stierf, kwam iedereen mij troosten. Toen mijn echte vader stierf, moest ik mijn verdriet, dat drie keer zo groot was, verbijten op de achterste banken.' Wanneer schrijfster Chris Van Camp in een kast naast het sterfbed van haar moeder enkele losse vellen papier vindt, herkent ze onmiddellijk haar eigen meisjeshandschrift: ' De man wiens naam ik draag, is niet mijn echte vader.' Van Camp heeft nu een vervolg aan die trefzekere openingszin gebreid. Het resultaat, De kus van Dabrowski, is een even opzienbarend als onverbiddelijk relaas van haar leven als buitenechtelijk kind. Pedagogen en psychologen zullen de opvoedingssituatie van Van Camp omschrijven als 'problematisch', maar eigenlijk komt 'surrealistisch' dichter in de buurt. In haar nieuwe boek doet ze - zonder een spat genade voor alle betrokkenen, zichzelf inbegrepen - uit de doeken hoe ze een speelbal werd in een geschifte ménage à quatre. Van Camp houdt vol dat ze finaal sterker uit dat familiale imbroglio kwam, maar pas nadat ze troost had gevonden in het werk van Kazimierz Dabrowski, een Pools psychiater met vernieuwende maar controversiële ideeën over de menselijke psyche. Al die tijd lag uw levensverhaal voor het grijpen, klaar om opgeschreven te worden. Waarom hebt u tot nu gewacht? Chris Van Camp: Als het aan mij had gelegen, was het al veel eerder uitgebracht. Ik was elf toen ik in mijn dagboek die ene openingszin schreef die het hele verhaal schraagt. Maar mijn moeder had dat dagboek gevonden en de cruciale pagina's uitgescheurd, bang als ze was dat ik haar geheim zou rondbazuinen. Maar in Lier wist iedereen dat ik de dochter was van Rik Schöller van de viswinkel. Het mocht gewoon niet hardop gezegd worden. De kleinburgerlijke reflex: mijn moeder was altijd begaan met wat anderen van haar dachten, ik veel minder. In de week leefde u samen met uw moeder, uw halfbroer en de man die u in het boek vader Jan noemt. Wanneer hebt u ontdekt dat hij niet uw biologische vader was? Van Camp: Dat vraagt iedereen, maar eigenlijk heb ik het altijd geweten, zonder dat iemand het mij verteld heeft. Mijn moeder en mijn biologische vader, die ik nonkel Rik noemde, hadden een soort futuristisch co-ouderschap op poten gezet. Ik woonde bij haar en vader Jan, maar in de weekends waren zij en ik veelal bij Rik en zijn vrouw Yvonne. In de vakantie ging ik echt een paar weken bij hen wonen. Want zij was mijn meter, om het allemaal nog een tikje ingewikkelder te maken - ik noemde haar marraine. Een handigheidje, want zo kon mijn echte vader tijd met mij doorbrengen zonder dat het opviel. Het gevolg was dat ik als kind mijn aandacht altijd moest verdelen tussen twee gezinnen. Dat lijkt me enorm vermoeiend. Van Camp:Ik ben vaak heftig als ik praat, maar als kleuter was ik allesbehalve onstuimig. Ik was het kind dat op de speelplaats tegen de vensterbank hing in plaats van rond te rennen: ik was emotioneel uitgeput. Vader Jan was de biologische vader van mijn broer, maar niet van mij. Ik voelde dat en heb me tegen hem afgezet. Als kind snak je nu eenmaal naar eenvoud, en mensen zijn geprogrammeerd om hun echte vader en moeder het liefst te zien. U bent erg hard voor uzelf in uw boek. Een bastaard noemt u zichzelf, een koekoeksjong. Maar ook: de vrucht van de hardnekkige ontucht van nonkel Rik en uw moeder. Van Camp:Ze speelden allebei amateurtoneel, zo hebben ze elkaar leren kennen. Mijn moeder wilde beroepsactrice worden, maar dat mocht ze niet van haar moeder. Nonkel Rik was de vedette van een andere kring. Hij speelde het liefst operettes, moeder hield meer van het intellectuele werk, genre Tennessee Williams. Maar toen Rik een gastrol speelde in een van haar stukken is er iets gebeurd. Hij was geen mooie man, maar hij kon de mensen wel inpakken. Als ze later samen op het podium stonden en een koppel speelden, was ik volmaakt gelukkig. Dan voelde het alsof ons gezin compleet was. Ze dansten, ze waren liefjes, alles leek zo normaal. Altijd heb ik verlangd naar dat bordkartonnen operette-ideaal, zoals bezongen wordt in het lied Salzkammergut: ' In Salzkammergut, da kann man gut lustig sein.' Als ik die bekende foto zie waarop Delphine Boël op de schouders van de toenmalige prins Albert zit, herken ik dat: haar moeder en haar biologische vader hebben ook gezinnetje gespeeld, als was het een wrange commedia dell'arte. Mijn vader heeft mij altijd erkend - eerst impliciet, later expliciet, zij het tussen ons - maar ik weet hoe Delphine zich gevoeld moet hebben toen haar vader plots ontkende dat ze een gezin waren geweest. Ik heb het ook altijd knap gevonden dat Delphines moeder, Sybille de Selys Longchamps, uit de biecht heeft geklapt over haar affaire, ook al wist ze dat ze weggezet zou worden als een lellebel. Die moed heeft mijn moeder nooit gehad. Delphines potje is pas overgekookt toen ze zelf een kind kreeg. Dat snap ik ook, want dan rijzen de essentiële vragen: 'Op wie lijkt mijn kind?' Toen mijn dochter een stamboom moest maken op school, zat er aan mijn kant een grote blinde vlek. Uiteindelijk hebben we toch maar gewoon 'Jan Van Camp' opgeschreven, ook al heeft ze hem nooit gekend. Ik denk dat ik haar wilde beschermen. Wetenschappers hebben het cijfer intussen bijgesteld naar 1 à 2 procent, maar volgens een hardnekkige mythe is 1 op de 10 kinderen niet het kind van zijn of haar wettelijke vader. Dat leidt weleens tot animositeit in Vlaamse huishoudens. Van Camp:In mijn geval was er weinig ruimte voor twijfel. Vader Jan was een zuiders type, maar ik was bleek en had rood haar. Mijn moeder had mijn babyfoto verscheurd omdat de gelijkenis met nonkel Rik te groot was. Als jong meisje droeg ik al make-up om de gelaatstrekken te verbergen die ik van hem geërfd had. Als tiener deed ik ballet, en als we ons voor een optreden opmaakten, schminkte ik me achteraf nooit af. (denkt na) Je probeert je als kind toch altijd te conformeren aan de verwachtingen. U pendelde gedurig van het ene gezin naar het andere, maar die werelden overlapten elkaar ook. Uw plechtige communie werd gevierd in het buitenverblijf van nonkel Rik, en daar was iedereen aanwezig. Van Camp: Mijn officiële en mijn biologische vader. Mijn moeder en de vrouw van haar minnaar. Mijn halfbroer met zijn vrouw en een baby die niet stopte met huilen. Het was een eigenaardig gezelschap, een samenraapsel. Het was een idee van Rik geweest, tot ergernis van marraine, die voor een half leger moest koken. Op zulke momenten - als we allemaal samen waren - werd de echte pikorde heel snel duidelijk: mijn biologische moeder en vader kwamen voor mij op de eerste plaats. Was dat niet enorm pijnlijk voor de twee mensen die bedrogen werden? Van Camp:Vooral mijn meter had het lastig. Om zich staande te houden in die geschifte constellatie had ze de gewoonte gekweekt om mijn moeder te kleineren. Mijn moeder las dan wel auteurs als Søren Kierkegaard, ze was niet lang naar school gegaan. In die zin was ze geen bedreiging: ze had niet het kaliber van mijn meter, die samen met Rik de winkel openhield. Jan wist dat zijn vrouw een affaire had met Rik, de man met wie hij tijdens uw communiefeest wellicht een glas cognac dronk: vond hij dat best? Van Camp:Ze waren zelfs goed bevriend. Jan was een eenvoudige boerenzoon, hij keek op naar Rik. Later zou hij de eigenschappen die hij bij Rik bewonderde in mij herkennen. Zo werd ik, die altijd zo onaardig tegen hem was geweest, alsnog zijn favoriet. Dat was net op het moment dat hij begon te dementeren, daar heb ik me lang schuldig over gevoeld. In de passages over de respectievelijke begrafenissen van uw vaders legt u trefzeker bloot welk pijnlijk lot een bastaardkind beschoren is. Van Camp:Dan zie je hoe fout de samenleving omgaat met zo'n situatie. Als je geen officiële rouwende bent, heb je geen recht op verdriet. Toen mijn wettelijke vader stierf, kwamen mensen mij troosten en condoleren. Toen nonkel Rik stierf, was ik een ongenode gast die op de achterste rij banken haar verdriet, dat drie keer zo heftig was, moest verbijten. 'Stel je niet aan!' snauwde mijn moeder. Op dat moment was er al lang een einde gekomen aan hun affaire. Van Camp: De boel is ontploft toen ik zestien was. Want Rik hield het natuurlijk niet bij één maîtresse, voor hem was het nooit genoeg. Het is geëindigd in een vechtscheiding, ook al zijn ze nooit getrouwd geweest. Van de ene dag op de andere wilde mijn moeder dat ik nonkel Rik en marraine als vreemden beschouwde. Ze heeft me toen ook verklapt dat Rik had aangedrongen op een abortus toen ze pas zwanger was. Mannen hebben geen voeling met kinderen in dat vroege stadium, ik kon het hem niet kwalijk nemen. Iets heeft mijn moeder weerhouden om de zwangerschap te onderbreken, maar ik heb me nooit meer welkom gevoeld. U werd de speelbal in een pervers spel tussen uw ouders. Van Camp:Nonkel Rik was ook regisseur: hij heeft dat spel meesterlijk in scène gezet. Toen heeft hij me pas verteld wat ik al lang wist. Hij moest wel, want hij wilde mij voor zich winnen. Eind vorig jaar toonde een Nederlands onderzoek aan dat kinderen die een vechtscheiding meemaken later een groter risico lopen op depressies. Een slechte relatie met een plusouder verdubbelt dat risico zelfs. Steeds meer therapeuten zeggen dat het effect van het nieuw samengestelde gezin onderschat wordt. Van Camp: Zolang het goed ging tussen nonkel Rik en mijn moeder, was mijn leven comfortabel. Hij schonk me veiligheid en gaf me het gevoel dat ik speciaal was. Hij had het ook vaak over 'mensen zoals wij'. En zelfs nu nog zie ik die man onnoemelijk graag: ik breng dit boek niet zomaar uit als Chris Van Camp-Schöller. Mijn jeugd was niet eenvoudig en zeker niet conventioneel, maar het was geen calvarietocht van begin tot einde. In zekere zin was het zelfs een cadeau: ik ben geworden wie ik ben door alles wat ik heb meegemaakt. We moeten ons hoeden voor de psychologie van de koude grond, maar je zou denken dat u na zo'n jeugd een vogel voor de kat was. Van Camp: Als zestienjarige viel ik op getrouwde mannen: de zoon van een notaris is een notaris, de dochter van een maîtresse is een maîtresse. Dat maakte mijn leven er ook niet makkelijker op. Mijn moeder vond dat vreselijk, ik ben op mijn zeventiende dan ook thuis weggegaan. Ik ben nu al elf jaar samen met Barend, en ik kan je verzekeren dat 'spanning' overroepen is: een stabiele, liefdevolle relatie is een enorme luxe. U lijkt uw bijzondere verleden gemakkelijk van zich af te schudden, maar er zit toch ook veel verwarring, pijn en zelfhaat in uw boek? U schrijft: 'Zelfs al laat ik me meevoeren in een jolige polonaise, dan nog danst de treurnis over de onvolmaaktheid van het leven om me heen.' Van Camp: Dat klopt. Ik heb grote hoogtes afgewisseld met diepe dalen, ik heb lang gedacht dat ik een borderliner was. Toen er een einde kwam aan de affaire van mijn ouders, heb ik erg diep gezeten. Ik zou het geen depressie noemen, ik was zelfs niet down, maar ik was helemaal verward en ontredderd. Ik had met niemand nog voeling, en nog het minst van al met mezelf. Toen u die losgescheurde bladzijden uit uw dagboek terugvond, stootte u... Van Camp: (onderbreekt) Mijn moeder had ze niet versnipperd, dat kon ze niet. Ze heeft me op papier altijd beter gevonden. U stootte in die tijd ook op een boek van de Poolse psychiater Kazimierz Dabrowski. Hij was mij volslagen onbekend. Van Camp: In Nederland en Canada bestaat er een hele cultus rond Dabrowski, maar hier ligt hij moeilijk omdat hij de vloer aanveegt met de diagnosepsychiatrie. Hij ziet neuroses, angsten en depressie niet noodzakelijk als geestesziekten. Hij ziet het als noodzakelijke fases in het leven van een mens, die persoonlijke groei kunnen triggeren. U las het boek in één ruk uit en was nadien van de hand Gods geslagen. Van Camp: Het voelde als thuiskomen. Of zoals ik in mijn boek schrijf: alsof ik wakker werd gekust. Ik ben altijd op zoek geweest naar antwoorden, ik had altijd een hang naar het spirituele omdat ik bang was voor mijn eigen emoties. Ik had boeddhist of stoïcijn kunnen worden, maar ik wil mijn gevoelens niet negeren. En toen las ik Dabrowski, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in een kamp had gezeten en daarna in Polen ook weer werd opgepakt. Hij was geconfronteerd met het hoogste en het laagste waartoe de mens in staat is, en heeft die twee uitersten verenigd in een theorie die de complexiteit van de mens erkent. In de huidige samenleving wordt complexiteit niet geduld, alles moet behapbaar zijn. Maar nog belangrijker is dat Dabrowski me hoop gaf, omdat hij toont dat je kunt groeien. De depressies en neuroses, die hij weigert te definiëren als ziekten, spelen daarbij een cruciale rol. Van Camp: Ik noem dat sloopmomenten, al spreekt hij over desintegratie. Positieve desintegratie. Want je persoonlijkheid valt tijdens zo'n sloopmoment uiteen. Erg afmattend, maar je komt er beter uit: het zijn opstapjes naar je betere ik. Als ik terugkijk naar mijn leven kan ik die momenten gemakkelijk identificeren, ik vertelde je er net over. En als ik me afvraag of ik graag opnieuw de mens wil zijn die ik voor die sloopmomenten was, zeg ik nee. Ook al gaat er veel pijn mee gemoeid: als je die momenten aanvaardt als noodzakelijk, als iets wat je dichter bij de kern van je persoonlijkheid brengt, dan kom je er beter uit. Ik wil nog aannemen dat sommige mensen gelouterd uit een depressie komen, maar wat met mensen die lijden aan een chronische depressie en jaren aan een stuk verteerd worden door een uitzichtloze somberte? Van Camp:Wanneer worden mensen depressief? Als je de waarden die belangrijk zijn voor jou te lang geweld moet aandoen. Als je niet het leven leeft dat je wilt leven. Dan ontstaan die innerlijke conflicten. Een depressie komt heus niet van buitenaf. Sommige mensen hebben wel degelijk een genetische aanleg. Van Camp:Dat kan, maar dat zal dan ook een functie hebben. Je moet een mens binnen zijn omgeving zien. Je moet hem meer holistisch bekijken, in plaats van hem louter op zijn gevoelens en gedrag te taxeren. Ook burn-outs, schrijft u, zijn niet per se een ziekte. Ze signaleren zelfs het omgekeerde: de maatschappij is ziek. Van Camp:Een burn-out loop je vermoedelijk op als je te ver bent afgedreven van wie je wilt zijn. Het voor de hand liggende voorbeeld: een job die nergens toe dient en waar niemand beter van wordt. Een bakker vraagt zich nooit af waarom hij om 5 uur opstaat, want mensen moeten eten. Maar daar staan veel afstompende jobs tegenover. Dabrowski moedigt je aan om de uniciteit van je persoonlijkheid in te zetten in het najagen van je dromen. Als je dat vandaag in een werkomgeving doet, is dat professionele zelfmoord. Hebt u weleens het gevoel dat uw werk nergens toe dient? Van Camp:Als ik in mijn columns tekeerga tegen hypocrisie, is dat nuttig. Ik denk dat dit boek mensen kan helpen. Maar toen ik gewoon in een grote organisatie meedraaide en niet verondersteld werd me om met het grote plaatje in te laten, voelde mijn werk zeker niet altijd zinvol. Ik ben toen ook een tijd thuis geweest. Dat was ook het gedroomde eindpunt van het boek: een nieuw sloopmoment. Het was opnieuw erg heftig, maar draaglijk. Ik zeg niet dat het een pretje wordt als je het mechanisme doorziet, maar je gaat er anders mee om. Vroeger werd ik overspoeld door mijn angsten, maar als er nu weer een storm van emoties over mij waait, kan ik me staande houden. Dankzij Dabrowski.