In het eerste hoofdstuk beschrijft u hoe u uw trouwringen op zak steekt en aan de verkoper belooft dat u het geld zult overschrijven. 'Het bedrag heeft hij nooit gezien. Het was mijn eerste schurkenstreek.' Van welke schurkenstreek hebt u spijt?
...

In het eerste hoofdstuk beschrijft u hoe u uw trouwringen op zak steekt en aan de verkoper belooft dat u het geld zult overschrijven. 'Het bedrag heeft hij nooit gezien. Het was mijn eerste schurkenstreek.' Van welke schurkenstreek hebt u spijt? Guido Lauwaert: Ik heb nergens spijt van. Ook niet van die keer dat ik op mijn 23e verjaardag, 29 mei 1968, in een politiecel belandde na een woelige studentenbetoging. Mijn moeder wachtte aan de celdeur. 'Geen van mijn zonen zal op zijn verjaardag gevangenzitten', zei ze. Ze weigerde op te stappen, dus werd ik vrijgelaten. Van haar heb ik mijn koppigheid geërfd. (grijnst) Ze was de steunpilaar van ons gezin. Tot op vandaag is ze mijn geweten. Het enige wat ik betreur, is dat ik geen geschiedenis en psychologie heb gestudeerd. Ik vergaarde geen diploma's, maar wél kennis door de juiste mensen om advies te vragen. En dat ik de kinderen uit dat ene, ongelukkige huwelijk niet opvoedde, is jammer. Ik doolde toen als luxezwerver langs cafés, uitgeverijen en theaters. De kans dat ik de kinderen op het slechte pad zou brengen, bestond. In 1991 werd ik opnieuw vader. Haar moeder en ik hebben Joyce samen opgevoed. Ik was de eerste leespapa op haar school. Taal is zo belangrijk. De liefde voor taal bracht acteur Luc Philips me bij. Als tiener volgde ik toneelles bij hem. Ik hou van een verfijnd leven, en daar hoort een verfijnde taal bij. Ik leerde mezelf af om Mechels te spreken. Zo groeide ook mijn liefde voor de poëzie en het theater. Het theater is het artistieke parlement van een samenleving. Dat beseffen de huidige theatermakers amper. Hun teksten - denk aan Milo Raus Lam Gods bij NTGent - zijn van een beschamende onafheid. U bent de oprichter van zowel Nekka als de Nacht van de Poëzie. Legt u dat eens uit. Lauwaert: Kleinkunst was een hype in de jaren zestig. Ik dacht: als we nu eens een avond zouden organiseren waarop we álle kleinkunstenaars en hun fans verenigen. Zo werd Kazuno, wat stond voor 'Kleinkunst te Antwerpen uit Zuid en Noord', geboren. In 1969 vond de eerste editie plaats. Daaruit is Nekka, 'Nederlandse Kleinkunst te Antwerpen', ontstaan. Helaas zijn de huidige organisatoren me niet erkentelijk. In 1973 organiseerde ik de Nacht van de Poëzie in Vorst Nationaal. Sinds 1982 vindt die nacht jaarlijks in Utrecht plaats. Die organisatie nodigt me wél telkens uit. U beschrijft veel legendarische ontmoetingen. Welke waren écht bijzonder? Lauwaert: Elk gesprek met acteur Julien Schoenaerts. En de ontmoeting met Salvador Dalí in 1977! Ik had zijn privénummer bemachtigd. Met een vriend die een galerie wilde beginnen, reed ik naar Spanje. Na veel telefoontjes vanuit een hotel vlak bij zijn huis werden we ontvangen. Zijn secretaris loodste ons via de slaapkamer, waar een hemelbed stond dat leek op de koets van de zeegod Poseidon, naar een vertrek waar we een hoogmoedige Dalí en zijn eega Gala ontmoetten. Hij schonk ons geen werk, maar wel een onvergetelijke avond. En nee, dat is niet gelogen! Ik heb alles naar waarheid neergeschreven - maar ik ben nu ook weer niet de archieven ingedoken om elk jaartal te controleren. Waarom stoppen de memoires in 1985? Lauwaert: Toen stopten mijn woeste jaren. Ik werk nu aan het vervolg. Daarin vertel ik onder meer over de theaterwereld - voor Knack was ik lang theater- en poëziecriticus - en over mijn hartproblemen. Ik heb te vaak iets met de hand op het hart beloofd, zonder die belofte na te komen, vrees ik.