1. Proloog

Het was al na middernacht. Ze liepen weg van het dorp, staken het viaduct over en kwamen in de straat waar ze zijn moesten. Links van de driesprong stond een handvol arbeidershuizen, teruggetrokken langs een zandweg in de velden, maar er was op dit uur niemand meer buiten. Rechts voor hen was er de overweldigende verschijning van de vierkantshoeve van mijn oom Daniel.
...

Het was al na middernacht. Ze liepen weg van het dorp, staken het viaduct over en kwamen in de straat waar ze zijn moesten. Links van de driesprong stond een handvol arbeidershuizen, teruggetrokken langs een zandweg in de velden, maar er was op dit uur niemand meer buiten. Rechts voor hen was er de overweldigende verschijning van de vierkantshoeve van mijn oom Daniel. Onbeweeglijk bleven ze even staan kijken, stijf van de adrenaline. Ja, je ging niet elke dag op rooftocht. Ze slopen naar de boerderij. Rachid nam zijn mes en sneed de knoop af van het touw waarmee de poort was dichtgebonden. Er hing ook een ketting aan, die hij losrukte, zodat ze er allebei tussendoor konden. Ze keken de duisternis van het binnenhof in. Al die oude rommel van machines en werktuigen. Behoedzaam betraden ze die wereld die ze nooit eerder hadden gezien, voorbij de antieke hooischudder achter de poort, het modderige erf op, naar achteren toe. Er stonden een vork en een schop naast een kruiwagen. Zacht trokken ze een deur open. Tot hun verbijstering zagen ze vier koeien staan. De weeë geur van mest en stro en veevoer sloeg hen in het gezicht. Vervolgens begonnen de beesten luid te loeien. Toen ze van de schok bekomen waren, zagen ze aan de andere kant van het erf het zwakke schijnsel van een lamp. Daar moest de oude boer wonen. 'Geef me die stok', zei Rachid. 'Waarom?' vroeg Ahmed. 'Om hem terug te drijven als hij op ons afkomt.' Ahmed reikte hem de hooivork aan. Ze keken door een kier van de deur. De ouwe lag naast de kachel op de vloer, zijn hoofd op de sofa steunend, zijn ogen gesloten. Hij ademde luid. Hij leek diep te slapen. De deur piepte en knarste, maar oom Daniel werd niet wakker. Binnen was het een troep. De rechthoekige tafel in het midden was bezaaid met borden, bestek, etensresten, verpakkingen, flessen. De afbladderende muren waren donker uitgeslagen van de kachelrook. Er stond iets vreemds op een bijzettafeltje. Een zwarte bakelieten telefoon, met een draaischijf, een mechanische bel en een dik snoer, ongetwijfeld vele tientallen jaren oud, uit de tijd dat telefoneren nog iets gewichtigs was. Nu kwam er haast elk jaar een nieuwe iPhone uit. Nu ging verandering sneller dan ooit, terwijl dit hele boerenhuis stilstand en verstarring ademde. Er was ook niets van waarde om te stelen: geen laptop, geen smartphone, zelfs geen televisie. Alsof de bewoner weigerde de wereld via een scherm te bekijken of aardse bezittingen te vergaren. Zo wekte hij de schijn dat het allemaal belachelijk was wat anderen hadden en deden. Zo gaf hij aanstoot. Verspreid over de vloer lagen de boodschappen die de ouwe in de supermarkt had gekocht. Het was alsof de tas zo uit zijn handen was geglipt. Ahmed zag onder meer een zak diepvriesfriet en flesjes bier liggen. Geruisloos gingen ze naast het op de vloer rustende lichaam bij de kachel staan. Het kreukelige, baardige hoofd deed Rachid aan zijn grootvader denken, bij wie hij lang gewaakt had toen hij op sterven lag. Het zien van de oude man, zo weerloos als hij daar lag, deed zijn opgewondenheid niet bedaren; integendeel, het enerveerde hem nog meer. Hij nam met beide handen de zware hooivork vast. Hij hief de steel boven zijn hoofd, tot in zijn nek. Hij keek opzij naar zijn neef. Ahmed pakte zijn iPhone. Hij begon te filmen. Zoals altijd op zaterdag was oom Daniel die avond naar de supermarkt gegaan. Hij mocht alleen heel laat in de winkel komen, als er bijna geen andere klanten meer waren. Dus deed hij dat maar, ook al moest hij dan nog in het donker de straat op. Het winkelpersoneel wist wat hij op zaterdag vaak kocht: een biefstuk van het witblauwe runderras van een centimeter dik, enkele stronkjes witlof, een zakje diepvriesfriet, een pakje sandwiches voor zondagochtend, en zo nu en dan een kratje Rodenbach. Hij was een bekende verschijning, die er in de ogen van anderen zonderling uitzag, als iemand die buiten de tijd stond, buiten de maatschappij. Vierentachtig was hij, maar nog kloek en kwiek. Het geroddel achter zijn rug deerde hem niet. Naar zijn maatstaven maakte hij het goed. Hij nam elke dag zoals die kwam. Hij deed zijn ding, leefde zijn leven, en op het eind zou hij samen met zijn oude boerderij ten onder gaan. Daniel Maroy was mijn 'suikeroom', van wie wij de vierkantshoeve zouden erven. Van zijn leven ken ik alleen het einde goed. In mijn jeugd zag ik hem soms op een van de vele begrafenissen in die uitgebreide boerenfamilie van ons. Mijn moeder vertelde me niet zonder afgunst over zijn klassieke vierkantshoeve in de vruchtbare leemstreek van Henegouwen. Hoe zij vroeger door de toegangspoort het erf betrad en op de binnenplaats omringd werd door die volmaakt aaneengesloten gebouwen, met allemaal hetzelfde zadeldak van rode dakpannen. Bijna niemand kende hem echt, maar Daniel was volgens haar een goede man, misschien wanordelijk en wantrouwig, maar in wezen een goede man, die zijn leven lang zorgde voor zijn familie en voor het familiebedrijf. En die zich toen ineens afsloot van alles en iedereen. Zijn verhaal sprak me aan en schrikte me af. Maar het moet worden verteld. Het was in het vroege voorjaar, halverwege de vastentijd, eind maart 2014 om precies te zijn, nadat hij de hele dag op zijn erf bezig was geweest, nadat hij de koeien had gevoerd, dat oom Daniel die zaterdagavond naar de supermarkt was vertrokken, omstreeks zes uur, in het zachte licht van de ondergaande zon. Het land was leeg, verlaten. Na een uitzonderlijk zachte en sneeuwloze winter waren de afgelopen weken de warmste dagen ooit in maart gemeten. De boeren waren al aan het mesten, ploegen en zaaien. De magnolia barstte bijna van bloeilust. De knotwilgen waren al uitgelopen. Daniel deed er drie kwartier over, twee kilometer bergop naar de supermarkt, te voet, steunend op zijn oude fiets aan zijn rechterzijde. Op straat gedroeg hij zich altijd nogal kortaf. Maar zo stil en stug als hij tegen zijn buren was, zo spraakzaam en luidruchtig was hij in de winkel. Soms had hij de hele week niemand anders gesproken. De avondschemering was al ingetreden toen hij zijn fiets in de hal zette. Om 18.48 uur kwam hij met zijn winkelkar voorbij de kassa en liep naar binnen. In de supermarkt was het licht fel. De laatste klanten liepen haastig door elkaar, de uitgelaten stemming van zaterdagavond. Oom Daniel had de gewoonte om eerst naar de stands met 'proevertjes' te gaan. Hij dronk een of twee en weleens drie van die kleine glaasjes wijn of likeur. Soms met een stukje schapenkaas of knoflookworst. Hij nam er zijn tijd voor. Hij genoot. De meeste tijd bracht hij echter door in de slagerij achter in de supermarkt, waar hij de beste biefstuk kocht. Ook al kostte een kilo koe er een veelvoud van wat hij er op de boerderij voor kreeg. Daar praatte hij altijd uitvoerig met de medewerkers, die een witte kiel en rode voorschoot droegen. Hij was er geliefd, want andere klanten hadden weinig of geen tijd voor hen, en hij had tijd zat. Zijn luide, weerbarstige stem was over de rekken heen overal in de winkel te horen. Over het weer dat de seizoenen overhoop gooide, over de boerderij die het pronkstuk van zijn vader was, over zijn koeien die al het gras roken en aan de ketens rukten. Soms praatte hij tegen zichzelf, zoals oude mannen die alleen leven weleens doen. Een gespreksonderwerp dat hem na aan het hart lag waren de jongeren die hij rond zijn boerderij zag dolen. Ze hadden onlangs zelfs in zijn huis ingebroken, net op het moment dat hij in de supermarkt was. Ze kenden blijkbaar zijn doen en laten. Hij had aan de telefoon tegen de politie gezegd dat 'struikrovers' zijn hoeve hadden doorzocht, maar de agenten waren niet eens komen kijken. Hij bezat nauwelijks iets kostbaars, behalve zijn contant geld, want banken vertrouwde hij niet meer. Hij had altijd een dik pak biljetten op zak, dat hij in de winkel openlijk toonde. Waarom deed hij dat toch, vroegen de medewerkers. Het leek wel alsof hij het lot wilde tarten. 'Wees toch voorzichtig, Daniel,' hadden ze hem al vaak gezegd. 'Gebruik toch een bankkaart, Daniel.' Hij lachte dan snuivend. Hij schudde zijn baard. 'Wie mijn geld wil, zal mij eerst moeten uitschakelen', was zijn gebruikelijke antwoord. 'Over mijn lijk.' Een andere uitspraak die hem in de mond bestorven lag, wanneer het over die jongeren ging, luidde kort maar krachtig: 'Allemaal schurken en schoften.' Op een dag hield een winkelbediende hem de intercom onder de neus, zonder dat hij het merkte. Iedereen schoot in de lach toen het door de hele supermarkt schalde: 'Allemaal schurken en schoften.' Er was in de slagerij een stagiair met wie Daniel vaak praatte over het vlees en de koeien. Rafael, een negentienjarige leerling van de technische school in Moeskroen, had een hart voor het slagersvak, maar leerde moeilijk. Als Daniel het gesprek afsloot, zei hij: 'Goede moed en goed weekend.' Die avond ging Daniel met zijn winkelkar naar de kassa, haalde zijn bundel geld tevoorschijn en betaalde met een paar verfrommelde biljetten. Daarna nam hij nog ruim de tijd om het wisselgeld in een plastic zakje te proppen en alles onder zijn dikke bruine overjas weg te stoppen. Hij liet het geroezemoes achter zich en slenterde langzaam naar de uitgang. Om 19.51 uur slofte hij over de grote parkeerplaats, weer met zijn fiets in zijn rechterhand, nu met een zware boodschappentas aan het stuur, tussen de auto's met brandende lichten door, zijn schouders licht gekromd, zijn baard in de wind. Het werd donkerder en donkerder. Op de grijze betonnen gevel van de supermarkt stonden de naam en slogan van de zaak: 'Colruyt - Meilleurs prix/Laagste prijzen'. Daniel draaide langs de Brasserie du Peuple en het gokkantoor van Ladbrokes de lange Sint-Legerstraat in en zette koers naar huis. Het was, in deze verfranste streek, net over de taalgrens, een vreemde straat, die hier nog op het grondgebied van Moeskroen lag maar verder uitmondde in Sint-Leger, het boerendorpje dat naar zijn beschermheilige was genoemd. Bovenaan in de straat waren er winkelpanden en herenhuizen, onderaan rijtjeshuizen en bedrijven. Oom Daniel liep naar beneden. Links passeerde hij de Résidence Richelieu en de Seniorie Ma Maison. Daniel wilde niet in een rusthuis of een flatje, nooit van z'n leven. Hij was zo iemand die nog wilde doodgaan op de plek waar hij was geboren. Zijn ouderlijke boerderij stamde uit de achttiende eeuw en was al drie generaties in de familie. Maar een opvolger was er nu niet meer. Rechts was er de voormalige slagerij Segaert. Hier bleef Daniel elke keer enkele minuten stilstaan, zijn ogen strak op het huis gericht. Daar woonde Yvette, aan wie hij lang geleden zijn liefde had verklaard. Hij had dromen gekoesterd, maar die waren onbereikbaar gebleken. Hij had geen ervaring met vrouwen. Maar deze plek bleef hem dierbaar. Het was hem voldoende om er even te kunnen verpozen. Yvette was net als hij altijd ongetrouwd gebleven. Nog wat verder waren er de oude ateliers van schrijnwerkerij Vanovertveldt. Aan de overkant een rij witte, lage arbeidershuizen. Daar stopte het voetpad en moest hij op straat lopen, voorbij bedrijventerrein De Blauwe Brug, tot aan de verkeerslichten aan de expresweg, die van rotonde naar rotonde naar Frankrijk denderde, slechts enkele kilometers verder. Hier werd hij ingehaald door Rafael, de stagiair met wie hij zo vaak sprak in de supermarkt. Hij fietste van zijn werk naar huis. Rafael zag de broze gedaante aan het kruispunt. Daniels rijwiel trok zwaar aan zijn arm. Enkele minuten eerder, om 20.13 uur, had Rafael een sms'je gekregen van Arno en Pascal, twee maten met wie hij al van kindsbeen af bevriend was. 'Heb je de oude viezerik in de Colruyt gezien?' vroegen Arno en Pascal. 'Ja', had Rafael geantwoord. De viezerik noemden ze hem. De oude viezerik. Daniel keek niet op of om en stak met stramme passen de brede expresweg over. Vijftig meter voorbij het kruispunt sloeg hij rechts de rue du Chien naar zijn hoeve in, een slingerende boerenweg tussen akkers en weiden. De verlichting van het legendarische café Au Repos des Alliés, op de hoek, bescheen het asfalt. De straat was uitgestorven, alles scheen vredig. Hij passeerde het huis van buurvrouw Micheline, die een grote keurige tuin had vol bloemperkjes, beeldhouwwerkjes en sierstruiken. Daarachter lag de stoppelige grond van zijn maisakker, met in de hoek het zwarte landbouwplastic boven de ingekuilde mais, waar hij elke morgen en elke avond een kruiwagen voer kwam halen. Straks kon hij zijn vermoeide leden te rusten leggen op zijn sofa, een biertje drinken, luisteren naar de radio of naar zijn koeien, in het warme gezelschap van zijn gloeiende, ronkende kachel. Hij zag de hoeve Maroy al opdoemen aan de driesprong. Er ging een grote verlatenheid van uit. Het voorhofje vol onkruid achter betonplaten. De grotendeels ingevallen schuur links, geveld door een hevige storm. Het langgevelige woonhuis met gesloten rolluiken langs de straat. Daarnaast het poortgebouw en de stallen, door klimop overwoekerd, met veel oude spullen. De houten poort vol gaten en spleten, dichtgeknoopt met een blauw touw, dat anders gebruikt werd om hooibalen te binden. De ooit zo fiere boerderij zag er verkommerd uit, als een verwelkte plant met verlepte bladeren. Maar zo was zijn hof, zo was hij thuis. Het mocht er dan wel een rotzooi lijken, maar het was zijn rotzooi. Hij vond er een schroef in terug als hij die nodig had. Het was bijna pikdonker nu. Er was alleen nog het flauwe licht van de halvemaan. Vreemd. Hij deed er wel tien minuten over om zijn eigen stevig geknoopte touw los te krijgen en de poort open te maken. Nog aarzelde Daniel. Toen ging hij naar binnen. Oom Daniel toch. Het is woensdag 24 april 2019. Ik ben om halfzeven thuis vertrokken en kom om twintig voor negen aan in het centrum van Bergen, hoofdstad van de provincie Henegouwen. Wanneer ik het nieuwe, sombere gerechtsgebouw binnenga, is de grote hal nog zo goed als leeg. De receptioniste zegt dat ik aan een van de ronde tafels in de hoek moet wachten. Aan de eerste tafel zitten al twee jongens. Ze knikken nadrukkelijk naar mij. Weten ze dat ik als neef van Daniel Maroy de belangen van de nabestaanden moet verdedigen? Dat ik ook gedagvaard word als getuige? Ik neem plaats aan de tweede tafel, waar enkele agenten op hun mobiele telefoon zitten te kijken. Even later staan ze op en lopen door de hal. Nu ben ik alleen met de jongeren. Ze blijven me monsterend aankijken. Ik ga bij de drankenautomaat staan. Daar zitten ze dan, heel gewone jongens, bijna zoals mijn eigen twee zonen, en toch, alleen hun nabijheid doet me al verstijven; ik herken ze van de politiefoto's. Daar lopen ze nu naar de rechtszaal, de kopjes gebogen, de handen in de zakken, de sportschoenen blinkend, nog snotapen in feite; wie zou kunnen denken dat ze tot zoiets in staat zijn?