'Een progressieve vermogensbelasting redt het kapitalisme van de kapitalisten', schrijft professor Paul De Grauwe (London School of Economics) in het boek De limieten van de markt. De meeste mensen vinden het niet fair dat een klein groepje superrijken - de zogenaamd one percent - nog veel rijker wordt door te rentenieren zonder daarop rechtvaardige belastingen te betalen. De Grauwe ziet steeds meer mensen zo'n systeem verwerpen, en pleit voor een progressieve vermogensbelasting, want 'als we dat niet doen, gaat het kapitalisme ten onder'.
...

'Een progressieve vermogensbelasting redt het kapitalisme van de kapitalisten', schrijft professor Paul De Grauwe (London School of Economics) in het boek De limieten van de markt. De meeste mensen vinden het niet fair dat een klein groepje superrijken - de zogenaamd one percent - nog veel rijker wordt door te rentenieren zonder daarop rechtvaardige belastingen te betalen. De Grauwe ziet steeds meer mensen zo'n systeem verwerpen, en pleit voor een progressieve vermogensbelasting, want 'als we dat niet doen, gaat het kapitalisme ten onder'. Verscheidene regeringen hebben bij ons al geprobeerd om een of andere vorm van belasting in te voeren opdat de rijken meer zouden bijdragen aan de schatkist. Zo voerde de regering-Di Rupo vijf jaar geleden een rijkentaks in: iedereen die meer dan 20.020 euro aan roerende inkomsten per jaar ontving, moest een extra belasting van 4 procentpunt betalen boven op de 21 procent roerende voorheffing die iedereen moest afdokken. De verwarring die de ingewikkelde rijkentaks teweegbracht was totaal, het succes minimaal: ze moest 134 miljoen euro opbrengen, het werd met 75 miljoen iets meer dan de helft. De rijkentaks was een flop en werd na een jaar afgevoerd. Vervolgens verzon de regering-Di Rupo in 2013 de fairness-taks. Bedrijven die dankzij de notionele-interestaftrek geen of weinig belastingen betaalden maar wel een dividend aan hun aandeelhouders uitkeerden, moesten een heffing van 5,15 procent betalen. Ook dat was een complexe belasting die maar de helft opbracht van wat begroot was. In mei van dit jaar oordeelde het Europees Hof van Justitie dat de fairness-taks in strijd was met het principe dat een winst niet dubbel belast mag worden. Ze verdween in de prullenmand. Na de regering-Di Rupo kwam de regering-Michel, en ook zij liet zich niet onbetuigd. Ze was nog maar pas begonnen of ze lanceerde de speculatiebelasting: beleggers moesten 33 procent betalen op de meerwaarde die ze realiseerden als ze aandelen en andere effecten binnen de zes maanden na aankoop weer verkochten. Al snel bleek de heffing een slag in het water, want ze kostte meer dan ze opbracht. De regering besliste snel de speculatietaks af te voeren. In het Zomerakkoord pakte de regering-Michel onlangs uit met de effectentaks: iedereen die meer dan 500.000 euro op zijn effectenrekening heeft staan, moet vanaf 1 januari 2018 een heffing van 0,15 procent betalen op het uitstaande bedrag. De regering hoopt daar 254 miljoen euro mee op te halen, maar minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA) liet al snel weten dat de effectentaks op juridische bezwaren zal stuiten en vroeg zich af of de beoogde opbrengst wel gehaald zou worden. De Raad van State liet zich er vorige week alvast kritisch over uit. Wellicht wordt de heffing nog voor het Grondwettelijk Hof gebracht. Het duurt vast lang voor dat zich zal uitspreken, maar het staat nu al vast: de effectentaks is een misbaksel en zal ook zonder noemenswaardig resultaat worden gedumpt. De regering-Michel is op vele vlakken een voortzetting van de regering-Di Rupo. Zeker als het gaat over het lanceren van gammele rijkentaksen die vroeg of laat worden afgeserveerd. Niet dat er op dat vlak helemaal niets is veranderd. In 2012 werd de roerende voorheffing, een taks op interesten en dividenden, verhoogd van 15 naar 21 procent. Toen de regering-Di Rupo de rijkentaks afvoerde, werd ze opgetrokken tot 25 procent. En de regering-Michel verhoogde de roerende voorheffing in twee stappen naar 30 procent. Ook op die manier treedt de regering-Michel in de voetsporen van de regering-Di Rupo: de roerende voorheffing werd in zes jaar tijd verdubbeld van 15 naar 30 procent. De hogere roerende voorheffing treft zeker niet (alleen) de rijken, maar vooral de middenklasse die ook een beetje wil sparen en beleggen met haar zuur verdiende centen. De conclusie is pijnlijk. Zowel de centrum-linkse regering-Di Rupo als de centrum-rechtse regering-Michel faalde de voorbije jaren jammerlijk bij het invoeren van een deugdelijke, werkende rijkentaks. Terwijl ze allebei de mond vol hadden over een rechtvaardiger fiscaliteit broddelden ze ingewikkelde heffingen in elkaar. Die brachten niet alleen nauwelijks geld op en overleefden zelfs een eerste juridische toets niet, het waren schaamlapjes die het gebrek aan visie en daadkracht op fiscaal vlak slechts even konden verbergen. Ondertussen werd de middenklasse wel vol getroffen.