In zijn evaluatie van de economische prestaties van de regering Michel is professor Peersman niet kwistig met de punten. Kort door de bocht komt het erop neer dat de evolutie van de belangrijkste economische parameters door externe factoren zoals internationale conjunctuur en de rente kan verklaard worden en dat zelfs dan de Belgische prestaties aan de onderkant van de verwachtingen liggen. Gert Peersman is op vele vlakken terecht streng, maar toch moeten enkele belangrijke nuances gemaakt worden, die ook de uitdagingen voor de volgende regering zullen bepalen.

Het mantra van de regering Michel was 'jobs, jobs, jobs' en zelfs als er in de totaliteit niet meer banen dan normaal zijn bijgekomen, moet toch wel opgemerkt worden dat er meer banencreatie in de privé-sector plaats vond. Volgens de Leuvens economen Joep Konings en Gert Bijnens zijn 55% van deze nieuwe privé-jobs toe te schrijven aan het regeringsbeleid. Het onderzoeksinstituut IRES komt aan een lager cijfer, maar heeft een belangrijke vertragingscomponent in zijn model opgenomen, wat de facto impliceert dat volgens dat model een stuk van de banencreatie in de komende jaren ook aan het beleid van de uitgaande regering zal te danken zijn.

Haperende productiviteitsgroei

De bijkomende banen gingen echter niet gepaard met een sterkere groei van de Belgische economie. Dat heeft deels te maken met het feit dat de Belgische economie al wat verder in de conjunctuurcyclus zit, waardoor de groei van nature wat afneemt. We kijken dan wel met enige jaloezie naar de recente Nederlandse groeicijfers, maar het is toch wel belangrijk om te weten dat het Nederlandse BBP gemeten sinds de start van de financiële crisis, in het eerste kwartaal van 2019 het Belgische BBP nog altijd niet heeft bijgebeend (al zal dat niet lang meer duren).

Zal volgende regering de moed hebben en steun vinden om noodzakelijke hervormingen verder te zetten?

De problematische productiviteitsontwikkeling baart wel enige zorgen. Allemaal goed en wel om meer jobs te creëren, als die niet gepaard gaan met stijgende productiviteit, dan blijft de welvaartscreatie achterop hinken. Zonder productiviteitsgroei is koopkrachtverbetering in de toekomst uitgesloten. Misschien moeten we nog wat geduld uitoefenen. Gezien de participatiegraad van de Belgische bevolking wat gestegen is, zijn het niet noodzakelijk de meest productieve krachten die de vacatures hebben ingevuld. Maar dat zou natuurlijk na een tijdje kunnen verbeteren.

We moeten echter niet blind zijn voor het feit dat de Belgische productiviteitsontwikkeling ook gehinderd wordt door een gebrek aan investeringen, vooral overheidsinvesteringen, waarbij mobiliteit een niet langer te verwaarlozen thema vormt. Als grotere inspanningen op dit vlak bovendien helpen om onze klimaatdoelstellingen te halen, is dat een dubbele winst. Daarnaast is een gebrek aan concurrentie in een aantal sectoren een reden dat het eerder de prijzen zijn die stijgen dan wel de productie (de Belgische inflatie ligt bijna persistent hoger dan het Europese gemiddelde), een euvel waar de Nationale Bank al meerdere analyses aan heeft gewijd. Duidelijk ook een aandachtpunt voor de toekomst.

Budgettaire hinderpalen

Meer overheidsinvesteringen stoten natuurlijk op budgettaire hinderpalen. Het tekort op de begroting is nog altijd niet uitgewist. De tax-shift was belangrijk onder andere om de werkloosheidsval voor een stuk weg te werken. Schaduwzijde was dat dit wel een prijskaartje had, waarvan een deel niet gefinancierd werd. Maar we hoeven daar nu ook niet hysterisch over te doen.

In de komende jaren zullen de rentebetalingen op de schuld nog verder afnemen, wat alvast een opsteker is. Maar meer nog dan een begrotingsevenwicht op korte termijn na te streven (er is economisch trouwens heel wat discussie over de vraag of een evenwicht altijd optimaal is), is het belangrijk om de houdbaarheid van de schuld op langere termijn te verzekeren. En dat hoeft niet noodzakelijk te gebeuren door draconische besparingen door te drukken of een resem bijkomende, zogenaamd rechtvaardige, belastingen in te voeren. Maar dan zijn we weer bij het thema jobs aanbeland. Als een groter deel van de bevolking actief is en bijdraagt tot het systeem, zullen de publieke financiën er automatisch beter gaan uitzien.

Werknemers gezocht

De verlaging van de loonkosten heeft er dan wel toe bijgedragen dat de bedrijven meer hebben aangeworven, voor de toekomstige banencreatie zal dat niet volstaan. Volgens de enquêtes van de Europese Commissie is er immers een toenemend aantal Belgische ondernemingen dat een gebrek aan arbeidskrachten als een van de groeibelemmerende factoren ervaart. De werkloosheid is inderdaad flink gedaald, al is er zeker nog marge, maar er is in België ook nog altijd een grote verborgen arbeidsreserve. De bevolking op beroepsleeftijd die beschikbaar is voor de arbeidsmarkt ligt in ons land immers relatief laag, vooral dan in Brussel en Wallonië.

Een opkrikken van de werkzaamheidsgraad is dan ook van het grootste belang. Dat is uiteraard niet met een simpele maatregel gefikst, maar noodzaakt een gecoördineerd beleid op verschillende vlakken. Onderwijs speelt daarbij een belangrijke rol, maar vorming in het algemeen en aangepaste begeleiding naar een nieuwe job blijven prioriteiten om meer mensen aan het werk te krijgen. Het feit dat de bevoegdheden op dit gebied grotendeels bij de deelregeringen liggen, vergemakkelijkt natuurlijk niet de uitdaging om een geïntegreerd beleid te voeren.

Daarnaast is een belangrijke determinant om de participatiegraad te verhogen het vermijden van een vervroegde uitstroom uit de arbeidsmark. Een aantal politieke partijen wil de wettelijke leeftijd weer verlagen naar 65 jaar. Als dit ook de effectieve pensioenleeftijd zou worden, zouden heel wat problemen in een klap zijn opgelost. Maar dat is wishful thinking. Het blijkt immers moeilijk om mensen langer aan het werk te houden, zonder ook de wettelijke leeftijd op te trekken. Dat laatste deed de regering Michel wel, maar de verdere uitwerking van de pensioenhervorming was een mislukking, al was dit ook te wijten aan belangengroepen die een heleboel uitzonderingsmaatregelen in stand wilden houden. Misschien is het tijd om een meer op maat gemaakt pensioentraject te ontwikkelen, waarbij de band tussen de loopbaan en het pensioen iets duidelijker wordt, zonder daarom solidariteitsmechanismen op te geven.

Men kan dan nog vroeger met pensioen als men daar ook de (actuarieel correct berekende) financiële gevolgen van aanvaardt. Maar de surrealistische discussie rond de zware beroepen, waarbij men wil beslissen om hele beroepsgroepen vervroegd met pensioen te laten gaan met behoud van volledige pensioenrechten, belooft in dit opzicht weinig goeds.

De regering-Michel, die zich aankondigde als een sociaaleconomische herstelregering, heeft in elk geval de verdienste van een aantal belangrijke economische werven te hebben opgestart. Sommige werden tot een goed einde gebracht, maar een belangrijke deel strandde in het Belgische immobilisme. De vraag is of volgende regering de moed heeft en een brede steun kan vinden om de noodzakelijke hervormingen verder te zetten.

Peter Vanden Houte is Chief Economist bij ING België.