"Het aantal auto's op de Antwerpse Ring moet drastisch naar omlaag" ... "tijdens de werken aan Oosterweel". Het leek een fantastisch inzicht, al volgde de ontnuchtering snel. Om een verkeerschaos te vermijden tijdens de zeven jaar durende werken, zal de overheid tienduizenden auto's moeten bannen van de Antwerpse ring en moeten investeren in alternatieven. Bizar wel dat er daarna weer en meer auto's over die ring zullen mogen rijden, op een verbrede snelweg dwars door de stad. Zal na zeven jaar mensen overtuigen met een alternatief, Oosterweel niet overbodig blijken? En als je kan investeren in tijdelijke maatregelen, waarom dan niet in structurele?

Zal na zeven jaar mensen overtuigen met een alternatief, Oosterweel niet overbodig blijken?

Erger dan een beleid dat niet mee is met nieuwe trends en uitdagingen, is een beleid dat tegen alle trends in de toekomst hypothekeert door oude, peperdure beslissingen te betonneren. Wat als je hetzelfde budget investeert in echte, structurele alternatieven en zeven jaar de tijd neemt om te bouwen aan steden waar bereikbaarheid, gezondheid en levenskwaliteit primeren? Dan kan de spade in de grond om de plannen voor de stadssnelweg Oosterweel en andere mega auto-infrastructuur te begraven.

Echt investeren in de toekomst

Een modal shift is geen utopie, dat bewijzen andere Europese landen en steden. Maar het vereist wel politieke moed. De klimaatambities ten spijt: ministers die consequent kiezen voor de toekomst, dat is vandaag in België een utopie. Hoog tijd voor een gezamenlijke ambitie en engagement van alle beleidsniveaus om te investeren in een uitstekend openbaar vervoersnetwerk, een fijnmazig aanbod deelwagens en om de rode loper uit te rollen voor de fiets. Maak komaf met de salariswagen, en introduceer het mobiliteitsbudget en de slimme kilometerheffing. Dat soort gezamenlijke ambitie is nog ver af: wanneer Brussel kiest voor een toekomst met minder auto's met een versmalling van de E40, schieten andere beleidsniveaus, zelfs de burgemeester van Leuven in een kramp.

Ministers die consequent kiezen voor de toekomst, dat is vandaag in België een utopie.

Het jaar begon nochtans hoopvol met goed nieuws over duurzame mobiliteit. Blue Mobility, het bedrijf achter de blauwe deelfietsen maakt een fameuze stijging van het aantal gebruikers bekend en De Standaard kopte dat "een auto of fiets delen mainstream wordt". Optimistisch, maar 'mainstream' is voorbarig. In een samenleving waar delen mainstream is, redeneren niet enkel autodelers vanuit het principe 'mobility as a service', maar doen alle overheden en organisaties dat.

Als beleidsmakers en bedrijfsleven de handen in elkaar slaan en de fetisj van de privéwagen durven loslaten, is de duurzame toekomst alweer een stap dichterbij.

De auto van de toekomst is volgens velen de zelfrijdende wagen. Een wezenlijk onderdeel van dat concept is dat het een gedeelde wagen is. Je bezit de auto niet, maar gebruikt een auto naar keuze op het moment dat je hem nodig hebt. Dat concept is niet nieuw: autodelen is de core busisness van een tiental bedrijven actief in onze steden. Een booming en belangrijke business. Autodelen zorgt voor minder autobezit, en voor minder autoverplaatsingen. Met de drie 'bankkaarten' in mijn portefeuille heb ik bijvoorbeeld altijd een trein, een fiets en een auto op zak. Het geeft een gevoel van vrijheid om bij elke verplaatsing te kunnen kiezen tussen alle opties en combinaties. Als de meest duurzame optie, ook nog eens de goedkoopste, gemakkelijkste en meest comfortabele is, kunnen we over enkele jaren ook het woord fileleed begraven.

De alternatieven mainstreamen is een taak voor de overheid, én voor de sector. Zaterdag opent Febiac het 95e Autosalon. Als autodelen mainstream was, zou de bezoeker naast de luxe van de nieuwste Porsche ook de luxe van het autodelen kunnen proeven. Maak van het autodeelsalon dé plek waar je als particulier en bedrijf kan kennismaken met alle voordelen van shared mobility, in plaats van duurzaamheid weg te duwen in een hoekje. Als beleidsmakers en bedrijfsleven de handen in elkaar slaan en de fetisj van de privéwagen durven loslaten, is de duurzame toekomst alweer een stap dichterbij.

"Het aantal auto's op de Antwerpse Ring moet drastisch naar omlaag" ... "tijdens de werken aan Oosterweel". Het leek een fantastisch inzicht, al volgde de ontnuchtering snel. Om een verkeerschaos te vermijden tijdens de zeven jaar durende werken, zal de overheid tienduizenden auto's moeten bannen van de Antwerpse ring en moeten investeren in alternatieven. Bizar wel dat er daarna weer en meer auto's over die ring zullen mogen rijden, op een verbrede snelweg dwars door de stad. Zal na zeven jaar mensen overtuigen met een alternatief, Oosterweel niet overbodig blijken? En als je kan investeren in tijdelijke maatregelen, waarom dan niet in structurele? Erger dan een beleid dat niet mee is met nieuwe trends en uitdagingen, is een beleid dat tegen alle trends in de toekomst hypothekeert door oude, peperdure beslissingen te betonneren. Wat als je hetzelfde budget investeert in echte, structurele alternatieven en zeven jaar de tijd neemt om te bouwen aan steden waar bereikbaarheid, gezondheid en levenskwaliteit primeren? Dan kan de spade in de grond om de plannen voor de stadssnelweg Oosterweel en andere mega auto-infrastructuur te begraven. Een modal shift is geen utopie, dat bewijzen andere Europese landen en steden. Maar het vereist wel politieke moed. De klimaatambities ten spijt: ministers die consequent kiezen voor de toekomst, dat is vandaag in België een utopie. Hoog tijd voor een gezamenlijke ambitie en engagement van alle beleidsniveaus om te investeren in een uitstekend openbaar vervoersnetwerk, een fijnmazig aanbod deelwagens en om de rode loper uit te rollen voor de fiets. Maak komaf met de salariswagen, en introduceer het mobiliteitsbudget en de slimme kilometerheffing. Dat soort gezamenlijke ambitie is nog ver af: wanneer Brussel kiest voor een toekomst met minder auto's met een versmalling van de E40, schieten andere beleidsniveaus, zelfs de burgemeester van Leuven in een kramp. Het jaar begon nochtans hoopvol met goed nieuws over duurzame mobiliteit. Blue Mobility, het bedrijf achter de blauwe deelfietsen maakt een fameuze stijging van het aantal gebruikers bekend en De Standaard kopte dat "een auto of fiets delen mainstream wordt". Optimistisch, maar 'mainstream' is voorbarig. In een samenleving waar delen mainstream is, redeneren niet enkel autodelers vanuit het principe 'mobility as a service', maar doen alle overheden en organisaties dat. De auto van de toekomst is volgens velen de zelfrijdende wagen. Een wezenlijk onderdeel van dat concept is dat het een gedeelde wagen is. Je bezit de auto niet, maar gebruikt een auto naar keuze op het moment dat je hem nodig hebt. Dat concept is niet nieuw: autodelen is de core busisness van een tiental bedrijven actief in onze steden. Een booming en belangrijke business. Autodelen zorgt voor minder autobezit, en voor minder autoverplaatsingen. Met de drie 'bankkaarten' in mijn portefeuille heb ik bijvoorbeeld altijd een trein, een fiets en een auto op zak. Het geeft een gevoel van vrijheid om bij elke verplaatsing te kunnen kiezen tussen alle opties en combinaties. Als de meest duurzame optie, ook nog eens de goedkoopste, gemakkelijkste en meest comfortabele is, kunnen we over enkele jaren ook het woord fileleed begraven. De alternatieven mainstreamen is een taak voor de overheid, én voor de sector. Zaterdag opent Febiac het 95e Autosalon. Als autodelen mainstream was, zou de bezoeker naast de luxe van de nieuwste Porsche ook de luxe van het autodelen kunnen proeven. Maak van het autodeelsalon dé plek waar je als particulier en bedrijf kan kennismaken met alle voordelen van shared mobility, in plaats van duurzaamheid weg te duwen in een hoekje. Als beleidsmakers en bedrijfsleven de handen in elkaar slaan en de fetisj van de privéwagen durven loslaten, is de duurzame toekomst alweer een stap dichterbij.