Op 17 mei 2018 werd het 2-jarige meisje gedood tijdens een achtervolging tussen de politie en een busje met een 20-tal transmigranten, waaronder de ouders van het kind. Toen het busje op de E42 Bergen naderde, greep de politieman uit Bergen zijn dienstwapen en loste een schot in de richting van de linkervoorband van het busje, om het voertuig met een lekke band tot staan te brengen. Het schot werd afgevuurd op het ogenblik van een contact tussen de twee voertuigen, waardoor de baan van de kogel veranderde. Het projectiel raakte daarop het tweejarig meisje dodelijk. De politieagent werd in eerste aanleg veroordeeld tot één jaar voorwaardelijke celstraf en een boete van 400 euro wegens doodslag door gebrek aan vooruitziendheid en/of voorzorg. De beklaagde tekende hoger beroep aan en zijn advocaat had de volledige vrijspraak gepleit. De ouders, die zich burgerlijke partij hadden gesteld, hadden het hof gevraagd de tenlasteleggingen te heromschrijven als "opzettelijke slagen en verwondingen met de dood tot gevolg, maar zonder de intentie te doden". Voor het hof is dit verzoek tot herkwalificatie niet adequaat gezien het onvrijwillige karakter van het schot. Globaal volgde het hof het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, waarin werd geoordeeld dat de politieman een fout had begaan door zijn wapen te laden en zijn vinger op de trekker te plaatsen in een uiterst gespannen context. Geen van de andere politieagenten had op dezelfde manier gehandeld, behalve de collega van de beklaagde die zijn dienstwapen liet zien om de voortvluchtigen aan te moedigen langzamer te gaan. Het hof hield in de beoordeling rekening met de ernst van de feiten, de veroorzaakte sociale onrust, het lijden van de familie van de overledene, maar ook met het ontbreken van een strafblad van de politieagent, zijn onberispelijke beroepsloopbaan, de gevolgen voor zijn leven, maar ook het feit dat hij de enige was die met de vinger werd gewezen in de betichtingen die door de burgerlijke partijen werden gericht aan de Belgische Staat, die verantwoordelijk is voor de daden van zijn gemachtigden. (Belga)

Op 17 mei 2018 werd het 2-jarige meisje gedood tijdens een achtervolging tussen de politie en een busje met een 20-tal transmigranten, waaronder de ouders van het kind. Toen het busje op de E42 Bergen naderde, greep de politieman uit Bergen zijn dienstwapen en loste een schot in de richting van de linkervoorband van het busje, om het voertuig met een lekke band tot staan te brengen. Het schot werd afgevuurd op het ogenblik van een contact tussen de twee voertuigen, waardoor de baan van de kogel veranderde. Het projectiel raakte daarop het tweejarig meisje dodelijk. De politieagent werd in eerste aanleg veroordeeld tot één jaar voorwaardelijke celstraf en een boete van 400 euro wegens doodslag door gebrek aan vooruitziendheid en/of voorzorg. De beklaagde tekende hoger beroep aan en zijn advocaat had de volledige vrijspraak gepleit. De ouders, die zich burgerlijke partij hadden gesteld, hadden het hof gevraagd de tenlasteleggingen te heromschrijven als "opzettelijke slagen en verwondingen met de dood tot gevolg, maar zonder de intentie te doden". Voor het hof is dit verzoek tot herkwalificatie niet adequaat gezien het onvrijwillige karakter van het schot. Globaal volgde het hof het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, waarin werd geoordeeld dat de politieman een fout had begaan door zijn wapen te laden en zijn vinger op de trekker te plaatsen in een uiterst gespannen context. Geen van de andere politieagenten had op dezelfde manier gehandeld, behalve de collega van de beklaagde die zijn dienstwapen liet zien om de voortvluchtigen aan te moedigen langzamer te gaan. Het hof hield in de beoordeling rekening met de ernst van de feiten, de veroorzaakte sociale onrust, het lijden van de familie van de overledene, maar ook met het ontbreken van een strafblad van de politieagent, zijn onberispelijke beroepsloopbaan, de gevolgen voor zijn leven, maar ook het feit dat hij de enige was die met de vinger werd gewezen in de betichtingen die door de burgerlijke partijen werden gericht aan de Belgische Staat, die verantwoordelijk is voor de daden van zijn gemachtigden. (Belga)