In de jaren 60 kwam de industrialisatie van de Antwerpse haven op gang. Verschillende raffinages hadden zich in het Marshalldok gevestigd en toen in 1965 het Kanaaldok in gebruik werd genomen, verscheen de basischemie, die de petroleum in dank aanvaardde als grondstof. Met de komst van de RAPL, de 100 km lange pijpleiding tussen Rotterdam en Antwerpen in 1971, was de transitie compleet: zo'n 30 miljoen ruwe olie stroomde jaarlijks door de leiding.

Worden havens opnieuw de katalysator van een industriële omwenteling?

Aan de basis van die industrialisatie lag een tienjarenplan voor de haven van Antwerpen, geregisseerd door de Belgische overheid (1956-1965). Het ging om massale investeringen (zo'n 3,5 miljard BEF, omgerekend naar inflatie: zo'n 750 miljoen euro) die de haven moesten moderniseren en uitbreiden. Resultaat: het dokvolume verdubbelde en Antwerpen groeide uit tot dé Europese chemiecluster.

De omwenteling was immens: een haven die vooral gefocust was op distributie van de automobielsector en goederenbehandeling, evolueerde naar handelsactiviteiten en chemie met veel toegevoegde waarde. En dat alles werd gefaciliteerd en mogelijk gemaakt door een sterke overheid.

Vlaamse havenstrategie

Daar kunnen we vandaag -nu minister Lydia Peeters de nieuwe Vlaamse Havenstrategie presenteert- lessen uit trekken. De uitdaging is duidelijk: een nieuwe, klimaatneutrale en circulaire industrie, die maximaal geëlektrificeerd is en bouwt op nieuwe energiedragers. Zeker nu de motor lijkt te sputteren (de werkgelegenheid en toegevoegde waarde van onze havens stijgt niet meer) is het tijd om de vlucht vooruit te nemen.,

De Vlaamse Havenstrategie zet in op drie nobele 'doelstellingen': de concurrentiepositie versterken, duurzame groei en de toegevoegde waarde verhogen. Maar het zijn oude recepten waarmee Vlaanderen dit wil waarmaken. De ambitie om een voortrekker te worden binnen de havenwereld, of de link met het klimaat, ontbreekt.

Leg de Vlaamse havenstrategie naast de Nederlandse havennota 2020-2030 en je ziet het meteen. De Nederlandse visie vertrekt van de kansen die een groene transitie met zich meebrengt en ze erkennen de risico's (er zullen verliezers zijn, bv. de raffinaderijen) én uitdagingen (we moeten inzetten op innovatie) van de energie-en industrietransitie.

De havens en industrie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: de basischemie kwam naar hier omdat de haven haar agglomeratie-effecten kon uitspelen, naast een aantal andere troeven zoals de geografische ligging en goedkope grondstoffen in de nabijheid, en de chemie zorgde vervolgens voor groei van de haven. Het is daarom belangrijk dat een ambitieuze industriële transitie wordt verweven in het havenbeleid en dus ook in de havenstrategie.

Havens hebben hefboom in handen

Sinds de jaren vijftig zijn de bevoegdheden rond havens natuurlijk anders verdeeld. Met de komst van het havendecreet en de regionalisatie van bevoegdheden, heeft de federale overheid niets meer in de pap te brokken. Vandaag heeft Vlaanderen met de havenbedrijven de perfecte hefboom in handen om de weg richting klimaatneutraliteit in te slaan. De uitdagingen zijn niet min. De industrie is in Vlaanderen verantwoordelijk voor 40% van de uitstoot (zo'n 25 miljoen ton CO2). De industrie in de havens is vooral fossiel georiënteerd. Een volledige omslag is dringend nodig.

De havens moeten wegbereiders worden voor de transitie. Zo moeten ze onder meer meer inzetten op de modal shift (transport van de weg halen naar spoor en binnenvaart), de installatie van walstroom (elektriciteit voor schepen) en het aanscherpen van het concessiebeleid (voorwaarden aan bedrijven die zich er vestigen). Maar ze kunnen méér doen: net zoals ze ooit infrastructuur bouwden voor leidingen voor petroleum - waar we nu vanaf moeten stappen- zullen de havens moeten zorgen voor infrastructuur waarlangs we waterstof, elektriciteit en synthetische brandstoffen kunnen vervoeren. Op die manier kunnen onze havens uitgroeien tot nieuwe schone energiehubs en knooppunten. Heel concreet: schepen varen de haven in en uit, op groene brandstoffen die in de haven gemaakt worden. Zo is de cirkel rond. Aan de bak

Een tienjarenplan is wat nodig was om de titanenklus te klaren om de basischemie te installeren in de Antwerpse haven. De Vlaamse havenstrategie hanteert ook een horizon van 10 jaar. In die 10 jaar moet Vlaanderen stevig investeren in de industrietransitie. Die is pas geslaagd als onze havens weer echte voortrekkers worden, die uitgroeien tot nieuwe energiehubs die het hele hinterland van Noordwest-Europa kunnen voeden en helpen transformeren. Dat zal onze concurrentiepositie en werkgelegenheid pas écht versterken.

In de jaren 60 kwam de industrialisatie van de Antwerpse haven op gang. Verschillende raffinages hadden zich in het Marshalldok gevestigd en toen in 1965 het Kanaaldok in gebruik werd genomen, verscheen de basischemie, die de petroleum in dank aanvaardde als grondstof. Met de komst van de RAPL, de 100 km lange pijpleiding tussen Rotterdam en Antwerpen in 1971, was de transitie compleet: zo'n 30 miljoen ruwe olie stroomde jaarlijks door de leiding. Aan de basis van die industrialisatie lag een tienjarenplan voor de haven van Antwerpen, geregisseerd door de Belgische overheid (1956-1965). Het ging om massale investeringen (zo'n 3,5 miljard BEF, omgerekend naar inflatie: zo'n 750 miljoen euro) die de haven moesten moderniseren en uitbreiden. Resultaat: het dokvolume verdubbelde en Antwerpen groeide uit tot dé Europese chemiecluster. De omwenteling was immens: een haven die vooral gefocust was op distributie van de automobielsector en goederenbehandeling, evolueerde naar handelsactiviteiten en chemie met veel toegevoegde waarde. En dat alles werd gefaciliteerd en mogelijk gemaakt door een sterke overheid.Daar kunnen we vandaag -nu minister Lydia Peeters de nieuwe Vlaamse Havenstrategie presenteert- lessen uit trekken. De uitdaging is duidelijk: een nieuwe, klimaatneutrale en circulaire industrie, die maximaal geëlektrificeerd is en bouwt op nieuwe energiedragers. Zeker nu de motor lijkt te sputteren (de werkgelegenheid en toegevoegde waarde van onze havens stijgt niet meer) is het tijd om de vlucht vooruit te nemen., De Vlaamse Havenstrategie zet in op drie nobele 'doelstellingen': de concurrentiepositie versterken, duurzame groei en de toegevoegde waarde verhogen. Maar het zijn oude recepten waarmee Vlaanderen dit wil waarmaken. De ambitie om een voortrekker te worden binnen de havenwereld, of de link met het klimaat, ontbreekt.Leg de Vlaamse havenstrategie naast de Nederlandse havennota 2020-2030 en je ziet het meteen. De Nederlandse visie vertrekt van de kansen die een groene transitie met zich meebrengt en ze erkennen de risico's (er zullen verliezers zijn, bv. de raffinaderijen) én uitdagingen (we moeten inzetten op innovatie) van de energie-en industrietransitie. De havens en industrie zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden: de basischemie kwam naar hier omdat de haven haar agglomeratie-effecten kon uitspelen, naast een aantal andere troeven zoals de geografische ligging en goedkope grondstoffen in de nabijheid, en de chemie zorgde vervolgens voor groei van de haven. Het is daarom belangrijk dat een ambitieuze industriële transitie wordt verweven in het havenbeleid en dus ook in de havenstrategie. Sinds de jaren vijftig zijn de bevoegdheden rond havens natuurlijk anders verdeeld. Met de komst van het havendecreet en de regionalisatie van bevoegdheden, heeft de federale overheid niets meer in de pap te brokken. Vandaag heeft Vlaanderen met de havenbedrijven de perfecte hefboom in handen om de weg richting klimaatneutraliteit in te slaan. De uitdagingen zijn niet min. De industrie is in Vlaanderen verantwoordelijk voor 40% van de uitstoot (zo'n 25 miljoen ton CO2). De industrie in de havens is vooral fossiel georiënteerd. Een volledige omslag is dringend nodig. De havens moeten wegbereiders worden voor de transitie. Zo moeten ze onder meer meer inzetten op de modal shift (transport van de weg halen naar spoor en binnenvaart), de installatie van walstroom (elektriciteit voor schepen) en het aanscherpen van het concessiebeleid (voorwaarden aan bedrijven die zich er vestigen). Maar ze kunnen méér doen: net zoals ze ooit infrastructuur bouwden voor leidingen voor petroleum - waar we nu vanaf moeten stappen- zullen de havens moeten zorgen voor infrastructuur waarlangs we waterstof, elektriciteit en synthetische brandstoffen kunnen vervoeren. Op die manier kunnen onze havens uitgroeien tot nieuwe schone energiehubs en knooppunten. Heel concreet: schepen varen de haven in en uit, op groene brandstoffen die in de haven gemaakt worden. Zo is de cirkel rond. Aan de bakEen tienjarenplan is wat nodig was om de titanenklus te klaren om de basischemie te installeren in de Antwerpse haven. De Vlaamse havenstrategie hanteert ook een horizon van 10 jaar. In die 10 jaar moet Vlaanderen stevig investeren in de industrietransitie. Die is pas geslaagd als onze havens weer echte voortrekkers worden, die uitgroeien tot nieuwe energiehubs die het hele hinterland van Noordwest-Europa kunnen voeden en helpen transformeren. Dat zal onze concurrentiepositie en werkgelegenheid pas écht versterken.