1. De wet van 21 juli 1844 over de burgerlijke en kerkelijke pensioenen vormt voor België het startschot van een pensioenkost op de uitgavenzijde van de staatsbegroting. Maar het was een voorrecht van de toenmalige ambtenaren en de bedienaars van de erkende erediensten (katholieken en protestanten). Bovendien moest men 65 jaar oud zijn. De kosten vielen nogal mee omdat die groep niet zo groot was en de levensverwachting boven de 65 jaar gemiddeld niet verder dan tien jaar reikte. De uitgave werd helemaal gefinancierd door de algemene belastingen.

2. Tijdens het interbellum, en vooral na de Tweede Wereldoorlog, wordt de huidige sociale zekerheid ingevoerd. Die moet dan gefinancierd worden door de nieuwe parafiscale belastingen, te betalen door de werkgevers en de werknemers. Maar die financieringsbron slaagt er al jaren niet meer in om de sociale zekerheid in evenwicht te houden. Vandaag is dat nauwelijks genoeg om 60 procent van de sociale zekerheidsuitgaven (100 miljard) te betalen. Voor de rest wordt dat bedrag aangevuld met evenwichtsdotaties uit de staatsbegroting, delen van de BTW, accijnzen, roerende voorheffing enzovoorder. Met andere woorden, er worden vandaag delen van belastingen gebruikt voor de financiering van de sociale zekerheid die in feite dienen voor de werking van de staatsdiensten.

3. Tijdens de 'golden seventies' van de vorige eeuw werd het brugpensioen uitgevonden. Honderdduizenden landgenoten konden veel vroeger op pensioen dan de wettelijke leeftijd van 65 jaar. Zo werd 60 jaar de populaire grens voor de ambtenaren om thuis te blijven. Voor vele werknemers, zeker uit de verouderde industrieën, werd die leeftijd bepaald op 55 of 50 jaar, soms zelfs 48 jaar. Bovendien ging de levensverwachting naar omhoog. Dat resulteert vandaag in een onbetaalbare situatie. Inderdaad, er zijn honderdduizenden gepensioneerden die al veel meer jaren op pensioen zijn dan dat ze ooit hebben gewerkt en bijgedragen hebben aan het stelsel. Je moet geen rekenkundig brein zijn om te begrijpen dat dit de betaalbaarheid van de pensioenen volledig om zeep heeft geholpen.

4. Maar die groep van gepensioneerden is zo groot geworden dat de politiek niet durft in te grijpen, want die groep vormt de determinerende electorale groep. Dat viel ook op tijdens het beleid van de regering-Michel. Van de huidige werkenden werden voordelen afgenomen, ondanks het feit dat dit niet onmiddellijk iets opbrengt voor de huidige financieringsproblemen. De grote groep (pre)gepensioneerden werd grotendeels met rust gelaten.

5. Dat de mensen langer leven valt alleen maar toe te juichen. We eten gezonder, we sporten en de vooruitgang van de geneeskunde is ook mooi meegenomen. Maar als je vandaag gemiddeld meer dan 80 jaar oud wordt, kun je onmogelijk iedereen op 60 jaar met pensioen laten gaan. Gemiddeld gaan de vrouwen nu met pensioen op 60 jaar en de mannen op 61 jaar.

Wie zal de pensioenen betalen?

6. De eerste pijler van het pensioensysteem, het wettelijk pensioen, kost dit jaar zowat 47 miljard euro (statutairen, zelfstandigen, werknemers). Er zijn geen pensioenreserves, want de politieke wereld heeft nooit een beslissing genomen om over te stappen naar een kapitalisatiestelsel. Om dat adequaat te laten werken, is er wel een periode van twintig jaar nodig. Een dergelijke beslissing had de politiek moeten nemen in de jaren negentig van de vorige eeuw. En toen wist men al dat die kost onbetaalbaar zou worden tegen het jaar 2020. Nu heeft men zich vastgereden in een lijst van zware beroepen, die vroeger met pensioen mogen, maar waar op den duur zowat iedereen op stond. Want wat is objectief een zwaar beroep?

7. De tweede pijler, het aanvullend pensioen op het wettelijk pensioen via een groepsverzekering, is er vooral voor de zelfstandigen en de rijkere sectoren. Hier bestaat er een oneerlijkheid ten aanzien van de hogere statutaire pensioenen, want ambtenaren hebben wel een hoger pensioen maar geen tweede pijler. Vele lagere werknemerspensioenen komen hoger uit door de optelsom met hun tweede pijler. Er zal overigens ook een wettelijke regeling moeten gevonden worden om meer solidariteit te verkrijgen tussen de sectoren ten aanzien van die tweede pijler. Tenslotte moet er op gewezen worden dat de inzet van meer contractuelen bij de overheden ook de creatie zal vergen van een tweede pijler, en dat zal geld kosten.

8. Het pensioensparen is de derde pijler van het systeem waarbij jaarlijks een bedrag van 980 of 1260 euro (cijfers 2019) wordt gestort. Dat is wel een succesvol verhaal gebleken. Het zou een aanrader zijn voor de volgende federale regering om dat bedrag aanzienlijk te verhogen, want die vorm van pensioensparen kan op korte termijn de pensioenomvang deels oplossen tot er een kapitalisatiestelsel in werking kan treden. Bovendien zou het pensioensparen veel geld in binnenlandse fondsen kunnen verzamelen. Dat laatste is een ideaal middel om langetermijninvesteringen te verwezenlijken.

9. Dan is er nog de vierde pensioenpijler: het feit dat veel mensen op hun pensioenleeftijd een eigen huis bezitten. Daarom hebben de gewestelijke regeringen er alle belang bij om het bezit van een eigen woning te promoten. Eigen woningen brengen geld op via de grondbelasting en zijn een besparing voor de sociale uitgaven. Een gepensioneerde die nog moet huren, is er financieel altijd slechter aan toe.

10. Het is al jaren zo dat de sociale partners de sociale zekerheid grotendeels beheren. Maar de democratische legitimiteit berust in dit land wel bij de parlementen en de daaruit voortvloeiende regeringen. Het zou onze democratie niet misstaan dat de verkozen politici het beleid bepalen van de sociale zekerheid.

Conclusie

De volgende federale regering mag zich eens serieus gaan bezighouden met het pensioendossier. Want de budgettaire facturen kloppen al lang niet meer. We dienen dit jaar quasi evenveel wettelijk pensioen uit te keren als de omvang van de begroting van de belangrijkste deelstaat, Vlaanderen. Er zijn genoeg discussies gevoerd en studies besteld over dat thema. Nu is het tijd om te handelen. Misschien vernemen we meer op 27 mei?