Het proces dat op de Antwerpse rechtbank loopt tegen de uroloog Bo Coolsaet, die verdacht wordt van verkrachtingen, toont eens te meer dat er in de werkwijze van het openbaar ministerie een structureel probleem bestaat: het gebrek aan extern toezicht. Mocht het van het parket hebben afgehangen zou er in het nu op de rechtbank voorliggende dossiers nooit een proces gekomen zijn: twee klachten werden binnen de kortste keren door het parket zonder gevolg gerangschikt. Nu de zaak door toedoen van de advocaten bij de rechtbank is geraakt is echter zichtbaar geworden hoe het parket deze zaken behandelde en vooral hoe daar zonder verzet van de slachtoffers geen vervolging zou op gekomen zijn en er noch enig toezicht zou gebeurd zijn op de volgehouden houding tot niet vervolging.

Eind 2015 diende J. een klacht in tegen uroloog Bo Coolsaet, die haar als tiener tussen 2006 en 2009 had behandeld. De klacht werd snel "geseponeerd". Een ander slachtoffer legde in augustus 2018 wegens soortgelijke feiten tegen dezelfde verdachte klacht neer. In december 2018 schreef het parket aan het slachtoffer dat de klacht na "grondig onderzoek" geseponeerd was "wegens onvoldoende bewijzen". In het dossier dat de advocaten in handen kregen was er van het grondig onderzoek geen spoor. Er was door het parket geen enkele opdracht gegeven, de verdachte werd zelfs niet verhoord. Ook de door het parket aangemerkte reden van verjaring is erg betwistbaar. Bij samenvoeging van beide klachten, wat de normale werkwijze is, zou de verjaring wegens de eenheid van opzet niet mogelijk zijn geweest .

Wie heeft toezicht op de beslissing om een zaak te seponeren?

De wijze waarop het parket deze dossiers behandelde roept, buiten de grond van de zaak, meerdere vraagtekens op. Wat is de betekenis van een beslissing van het parket tot seponering, een rangschikking zonder gevolg? Wie heeft daar toezicht op? Hoe kan een slachtoffer er zich tegen verzetten? Maar ook wat is nu het statuut van de parketmagistraat en wat zijn de bevoegdheden van de justitieminister die er het gezag over heeft?

Seponeren is niets anders dan het doen lopen van de verjaring van de strafvordering: door het dossier opzij te leggen begint de verjaring te lopen. Deze beslissing van een parketmagistraat is niet willekeurig en moet daarom worden gemotiveerd. De reden waarom een parketmagistraat een zaak zonder gevolg laat wordt meestal met een kleine vermelding - onvoldoende elementen - geen bewijs - verjaard - op het dossier aangebracht. De klager kan opkomen tegen dergelijke beslissing door zich burgerlijke partij te stellen bij de onderzoeksrechter. Daardoor is die rechter verplicht een onderzoek te doen en komt de zaak voor de rechter van de raadkamer die beslist of de zaak al dan niet naar de strafrechter moet worden gestuurd.

De rechten van de klager lijken door de mogelijkheid van burgerlijke partijstelling gevrijwaard. In de praktijk is dat echter niet evident: welke doorsnee burger weet dat hij zich tegen een beslissing van een parketmagistraat kan verzetten? Het opstellen van een burgerlijke partijstelling kan moeilijk en bij gebrek aan kennis door de burger zelf gebeuren zodat de tussenkomst van een advocaat noodzakelijk is en er moet ook op voorhand een bedrag op de griffie worden gestort om de kosten te dekken. Bovendien was het de bedoeling van de justitieminister om in zijn hervormingsdrift, op eensluidend advies van het college van procureurs-generaal, niet alleen de onderzoeksrechter maar ook de burgerlijke partijstelling af te schaffen. Door de val van de regering was er geen tijd meer voor om het er door te krijgen.

Van een parketmagistraat wordt verwacht dat hij onpartijdig en onafhankelijk oordeelt wat overigens verantwoordt dat hij zonder meer zelf een beslissing mag nemen. Onpartijdig is die parketmagistraat echter nooit: hij is een partij in het proces die de gemeenschap vertegenwoordigt. Onafhankelijk is de parketmagistraat nu ook niet meer. Een recente wet bepaalt immers dat het strafrechtelijk beleid persoonlijk door de justitieminister wordt bepaald en dat het openbaar ministerie, dat onder zijn gezag staat, verplicht is de richtlijnen van de justitieminister te volgen. Om die reden heeft het Grondwettelijk Hof de afkoopwet, de wet die aan het parket toeliet, zoals een sepot, eigenhandig, een minnelijke schikking te maken en daardoor de behandeling voor de rechter te ontwijken, als niet in overeenstemming met het "eerlijk proces" afgekeurd. De justitieminister heeft ook een positief injunctierecht waardoor hij het parket kan verplichten in een zaak te vervolgen, de zaak aan de rechter voor te leggen, zelfs wanner het parket, zoals in deze zaak weigert te vervolgen. Het is juist om rede van het gebrek aan onpartijdigheid en het gezag van de justitieminister dat het Grondwettelijk Hof een daadwerkelijk toezicht door de strafrechter noodzakelijk achtte.

De nu in openbare zitting behandelde dossiers tonen de problematiek van het huidig statuut en nog meer van de houding van het parket. Het sepot is met de tijd als een bijna-rechterlijke beslissing geworden. Het verzet daartegen wordt door het parket aangevoeld als een afkeuring van haar statuut en haar beleid. De praktijk toont nu ook waarom de hervormingspogingen van de justitieminister die van de parketmagistraten rechters wou maken hebben gefaald: voor een parketmagistraat is er maar één middel om geheel onpartijdig en onafhankelijk te worden, namelijk rechter worden.

Deze pijnlijke zaak herinnert ook aan een andere erg pijnlijke zaak die door dezelfde parketmagistrate werd geleid: de dood van Jonathan Jacob in de politiecel te Mortsel. Dat deze substitute nadien tot eerste-substitute werd bevorderd was niet wat de ouders van Jonathan, na een langdurig proces, hadden verwacht. Het zal een gehele klus zijn voor de komende justitieminster om opnieuw klaarheid te brengen in het minstens erg wazig statuut van de parketmagistratuur. Dat de huidige justitieminister naar de Hoge Raad wijst om in de lopende zaak tussen te komen is ook al even wazig: dergelijke handelswijzen horen op de tuchtrechtbank behandeld te worden.