Het hof zal geen beslissing nemen vóór vrijdag 30 april, de datum waarop de termijn verstrijkt die door de rechter in eerste aanleg aan de staat was toegekend om 'een einde te maken aan de schijnbare onwettigheid die voortvloeit uit de maatregelen ter beperking van de vrijheden'. Over de vraag of de maatregelen ook na 30 april van toepassing blijven, heeft het hof van beroep van Brussel zich niet uitgesproken.

De Nederlandstalige en Franstalige Mensenrechtenliga's stapten enkele weken geleden naar de rechtbank met een verzoekschrift, om de overheid het ministerieel besluit van 28 oktober, en zijn latere wijzigingen, te laten schorsen. De verdediging had aangevoerd dat deze besluiten 'gebaseerd zijn op ontoereikende rechtsgronden en systematisch worden onttrokken aan de Raad van State onder het mom van hoogdringendheid'.

Volgens de advocaten is die hoogdringendheid, na een gezondheidscrisis die nu al een jaar duurt, slechts een excuus om een parlementair debat over de maatregelen uit de weg te gaan.

De rechtbank van eerste aanleg ordeelde dat de huidige wettelijke basis voor de ministeriële besluiten met de coronamaatregelen - namelijk de wet op de civiele veiligheid uit 2007 - niet volstaat.

'Geen dwangsommen'

De regering kreeg een maand de tijd om een degelijke wettelijke basis te voorzien om zo een dwangsom van 5.000 euro per dag te vermijden. Die periode loopt vrijdag af.

Er is een pandemiewet in voorbereiding. Het ontwerp wordt momenteel in de Kamercommissie besproken.

Het ziet er echter niet naar uit dat de pandemiewet tegen het einde van de week is goedgekeurd.

Maar volgens minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden ontsnapt de regering aan de dwangsommen door de indiening van het ontwerp van pandemiewet in de Kamer.

In haar reactie verwijst minister Verlinden naar het advies van de Raad van State van zaterdag over het laatst genomen ministerieel besluit. De afdeling Wetgeving van de Raad van State bevestigt hierin dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de wet op het politieambt, de wet betreffende de civiele bescherming en de wet betreffende de civiele veiligheid inderdaad bevoegd is om maatregelen te nemen. Dit betekent dat intussentijd de coronamaatregelen van kracht blijven en er dus ook niets verandert aan de handhaving, aldus de minister.

'Dit wetsontwerp, dat morgen in het Parlement wordt toegelicht en besproken alsook het recente advies van de Raad van State, kunnen een antwoord zijn op de vraag van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg zodat de betaling van de dwangsommen daardoor niet aan de orde is', schrijft minister Verlinden in haar reactie.

De Liga voor Mensenrechten benadrukt in een reactie ook dat met de beslissing van de rechtbank de coronamaatregelen niet vernietigd worden. 'De vraag of de maatregelen een wettelijke basis hebben blijft onbeantwoord tot het hof daarover een uitspraak heeft gedaan. In alle geval moeten de maatregelen gerespecteerd worden om ons allemaal veilig te houden', aldus voorzitter Kati Verstrepen.

Het hof zal geen beslissing nemen vóór vrijdag 30 april, de datum waarop de termijn verstrijkt die door de rechter in eerste aanleg aan de staat was toegekend om 'een einde te maken aan de schijnbare onwettigheid die voortvloeit uit de maatregelen ter beperking van de vrijheden'. Over de vraag of de maatregelen ook na 30 april van toepassing blijven, heeft het hof van beroep van Brussel zich niet uitgesproken.De Nederlandstalige en Franstalige Mensenrechtenliga's stapten enkele weken geleden naar de rechtbank met een verzoekschrift, om de overheid het ministerieel besluit van 28 oktober, en zijn latere wijzigingen, te laten schorsen. De verdediging had aangevoerd dat deze besluiten 'gebaseerd zijn op ontoereikende rechtsgronden en systematisch worden onttrokken aan de Raad van State onder het mom van hoogdringendheid'. Volgens de advocaten is die hoogdringendheid, na een gezondheidscrisis die nu al een jaar duurt, slechts een excuus om een parlementair debat over de maatregelen uit de weg te gaan. De rechtbank van eerste aanleg ordeelde dat de huidige wettelijke basis voor de ministeriële besluiten met de coronamaatregelen - namelijk de wet op de civiele veiligheid uit 2007 - niet volstaat.De regering kreeg een maand de tijd om een degelijke wettelijke basis te voorzien om zo een dwangsom van 5.000 euro per dag te vermijden. Die periode loopt vrijdag af. Er is een pandemiewet in voorbereiding. Het ontwerp wordt momenteel in de Kamercommissie besproken. Het ziet er echter niet naar uit dat de pandemiewet tegen het einde van de week is goedgekeurd.Maar volgens minister van Binnenlandse Zaken Annelies Verlinden ontsnapt de regering aan de dwangsommen door de indiening van het ontwerp van pandemiewet in de Kamer. In haar reactie verwijst minister Verlinden naar het advies van de Raad van State van zaterdag over het laatst genomen ministerieel besluit. De afdeling Wetgeving van de Raad van State bevestigt hierin dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de wet op het politieambt, de wet betreffende de civiele bescherming en de wet betreffende de civiele veiligheid inderdaad bevoegd is om maatregelen te nemen. Dit betekent dat intussentijd de coronamaatregelen van kracht blijven en er dus ook niets verandert aan de handhaving, aldus de minister. 'Dit wetsontwerp, dat morgen in het Parlement wordt toegelicht en besproken alsook het recente advies van de Raad van State, kunnen een antwoord zijn op de vraag van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg zodat de betaling van de dwangsommen daardoor niet aan de orde is', schrijft minister Verlinden in haar reactie. De Liga voor Mensenrechten benadrukt in een reactie ook dat met de beslissing van de rechtbank de coronamaatregelen niet vernietigd worden. 'De vraag of de maatregelen een wettelijke basis hebben blijft onbeantwoord tot het hof daarover een uitspraak heeft gedaan. In alle geval moeten de maatregelen gerespecteerd worden om ons allemaal veilig te houden', aldus voorzitter Kati Verstrepen.