Het Brusselse hof van beroep besliste om op 18 mei de debatten te heropenen over de wettigheid van de COVID-maatregelen. Het hof zal daarom geen beslissing nemen vóór vrijdag 30 april, de datum waarop de termijn verstrijkt die door de rechter in eerste aanleg aan de staat was toegekend om "een einde te maken aan de schijnbare onwettigheid die voortvloeit uit de maatregelen ter beperking van de vrijheden". In haar reactie verwijst minister Verlinden naar het advies van de Raad van State van zaterdag over het laatst genomen ministerieel besluit. De afdeling Wetgeving van de Raad van State bevestigt hierin dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de wet op het politieambt, de wet betreffende de civiele bescherming en de wet betreffende de civiele veiligheid inderdaad bevoegd is om maatregelen te nemen. Dit betekent dat in tussentijd de coronamaatregelen van kracht blijven en er dus ook niets verandert aan de handhaving, aldus de minister. Verlinden wijst er nog op dat met de indiening van het ontwerp van pandemiewet in het parlement de dwangsommen vermeden worden die de rechtbank van eerste aanleg opgelegd had indien tegen 30 april niet de nodige maatregelen genomen werden om een einde te maken aan de vermeende onwettigheid. "Dit wetsontwerp, dat morgen in het Parlement wordt toegelicht en besproken alsook het recente advies van de Raad van State, kunnen een antwoord zijn op de vraag van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg zodat de betaling van de dwangsommen daardoor niet aan de orde is", schrijft minister Verlinden in haar reactie. De minister beraadt zich intussen verder over de verdere stappen naar aanleiding van het tussenarrest. (Belga)

Het Brusselse hof van beroep besliste om op 18 mei de debatten te heropenen over de wettigheid van de COVID-maatregelen. Het hof zal daarom geen beslissing nemen vóór vrijdag 30 april, de datum waarop de termijn verstrijkt die door de rechter in eerste aanleg aan de staat was toegekend om "een einde te maken aan de schijnbare onwettigheid die voortvloeit uit de maatregelen ter beperking van de vrijheden". In haar reactie verwijst minister Verlinden naar het advies van de Raad van State van zaterdag over het laatst genomen ministerieel besluit. De afdeling Wetgeving van de Raad van State bevestigt hierin dat de minister van Binnenlandse Zaken op basis van de wet op het politieambt, de wet betreffende de civiele bescherming en de wet betreffende de civiele veiligheid inderdaad bevoegd is om maatregelen te nemen. Dit betekent dat in tussentijd de coronamaatregelen van kracht blijven en er dus ook niets verandert aan de handhaving, aldus de minister. Verlinden wijst er nog op dat met de indiening van het ontwerp van pandemiewet in het parlement de dwangsommen vermeden worden die de rechtbank van eerste aanleg opgelegd had indien tegen 30 april niet de nodige maatregelen genomen werden om een einde te maken aan de vermeende onwettigheid. "Dit wetsontwerp, dat morgen in het Parlement wordt toegelicht en besproken alsook het recente advies van de Raad van State, kunnen een antwoord zijn op de vraag van de Voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg zodat de betaling van de dwangsommen daardoor niet aan de orde is", schrijft minister Verlinden in haar reactie. De minister beraadt zich intussen verder over de verdere stappen naar aanleiding van het tussenarrest. (Belga)