Minister van Justitie Geens probeerde de afgelopen maanden het aantal gedetineerden onder de 10 000 te krijgen. Hij poogt daarmee (terecht) de overbevolking en de werklast van het gevangenispersoneel aan te pakken. Vanaf 6 juli startte hij met een vrij opvallende maatregel: bepaalde categorieën van gedetineerden zouden één week op twee penitentiair verlof krijgen. Zij verblijven dan afwisselend één week in de gevangenis en één week niet in de gevangenis.

Vanuit verschillende hoeken kwamen er onmiddellijk vragen over de haalbaarheid en effectiviteit van het voorstel. Zo vreesde het ACOD dat het voorstel de werkdruk van het personeel eerder zou verhogen aangezien er wekelijks een groep gedetineerden vertrekt en opnieuw binnenkomt. Intussen liet het personeel van Ruiselede weten dat deze vrees gegrond was en hebben zij begin augustus het werk neergelegd om de situatie aan te klagen.

'Welk nut heeft de week binnen nog voor gedetineerden als ze toch week om week buiten mogen?'

Ook vanuit Klasbak, het kenniscentrum leren en detentie, willen we enkele kritische kanttekeningen meegeven. Een week binnen, een week buiten klinkt op het eerste zicht positief voor de re-integratie, maar zou misschien wel het omgekeerde effect kunnen hebben. Werken buiten de gevangenis kan nog niet. Een gedetineerde in een rapportage van Terzake (op 2/8) getuigt dat het geen evidentie is een werkgever te vinden bij wie hij een week op twee terecht kan. Gedetineerden moeten daardoor terugvallen op hun sociaal netwerk of spaarcenten. Hebben zij dit niet, dan hebben ze pech. Werken binnen de gevangenis is in de praktijk ook moeilijker, zeker wanneer het gaat om stielwerk. Misschien nog belangrijker is dat ook opleidingen en vormingen niet meer kunnen gevolgd worden. Vormingsorganisaties krijgen subsidies per aanwezige studenten. De groepsnorm die vormingsorganisaties moeten halen is echter niet aangepast aan de detentie-context, en dus zeer moeilijk te behalen. Gedetineerden met een half-half systeem zouden dus per definitie uitgesloten worden van het onderwijsaanbod. Een concreet voorbeeld zagen we reeds op de eerste dag van de nieuwe maatregel in Leuven. Een gedetineerde die van de maatregel gebruik maakte, begon 's ochtends aan zijn verlof en miste daardoor zijn examen van de Examencommissie voor het behalen van zijn diploma secundair onderwijs in de namiddag.

Dit nieuwe regime lijkt een ondoordachte maatregel, louter gericht op het bereiken van de belofte van minister Geens om de gedetineerdenpopulatie onder de 10 000 te krijgen, een belofte die hij maakte na de grote personeelsstakingen in Brussel en Wallonië vorig jaar. Deze maatregel valt bovendien moeilijk te rijmen met de visie van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen op detentie. Waar zit de insteek om een gedetineerde optimaal te laten terugkeren in de maatschappij? Hoe staat de gedetineerde centraal in deze maatregel? Welk nut heeft de week binnen nog als ze toch week om week buiten mogen? De terugkeer in de maatschappij is voor gedetineerden sowieso een moeilijke stap waarop zij voldoende moeten voorbereid worden. Voor ons moet er daarom optimaal worden ingezet op het aanbieden van opleidingen en werkkansen voor (ex-)gedetineerden. Alleen in een innovatief en duurzaam leerklimaat krijgen zij kansen die hen succesvol voorbereiden op die terugkeer. Jammer genoeg bedreigt de nieuwe maatregel deze kansen. Er is daarom nood aan een beleid vanuit een langdurige visie, gericht op re-integratie, niet op het louter behalen van cijfers op korte termijn.

Liesbeth De Donder is voorzitster van Klasbak (het Kenniscentrum Leren en Detentie), en als professor verbonden aan de VUB.

Minister van Justitie Geens probeerde de afgelopen maanden het aantal gedetineerden onder de 10 000 te krijgen. Hij poogt daarmee (terecht) de overbevolking en de werklast van het gevangenispersoneel aan te pakken. Vanaf 6 juli startte hij met een vrij opvallende maatregel: bepaalde categorieën van gedetineerden zouden één week op twee penitentiair verlof krijgen. Zij verblijven dan afwisselend één week in de gevangenis en één week niet in de gevangenis.Vanuit verschillende hoeken kwamen er onmiddellijk vragen over de haalbaarheid en effectiviteit van het voorstel. Zo vreesde het ACOD dat het voorstel de werkdruk van het personeel eerder zou verhogen aangezien er wekelijks een groep gedetineerden vertrekt en opnieuw binnenkomt. Intussen liet het personeel van Ruiselede weten dat deze vrees gegrond was en hebben zij begin augustus het werk neergelegd om de situatie aan te klagen. Ook vanuit Klasbak, het kenniscentrum leren en detentie, willen we enkele kritische kanttekeningen meegeven. Een week binnen, een week buiten klinkt op het eerste zicht positief voor de re-integratie, maar zou misschien wel het omgekeerde effect kunnen hebben. Werken buiten de gevangenis kan nog niet. Een gedetineerde in een rapportage van Terzake (op 2/8) getuigt dat het geen evidentie is een werkgever te vinden bij wie hij een week op twee terecht kan. Gedetineerden moeten daardoor terugvallen op hun sociaal netwerk of spaarcenten. Hebben zij dit niet, dan hebben ze pech. Werken binnen de gevangenis is in de praktijk ook moeilijker, zeker wanneer het gaat om stielwerk. Misschien nog belangrijker is dat ook opleidingen en vormingen niet meer kunnen gevolgd worden. Vormingsorganisaties krijgen subsidies per aanwezige studenten. De groepsnorm die vormingsorganisaties moeten halen is echter niet aangepast aan de detentie-context, en dus zeer moeilijk te behalen. Gedetineerden met een half-half systeem zouden dus per definitie uitgesloten worden van het onderwijsaanbod. Een concreet voorbeeld zagen we reeds op de eerste dag van de nieuwe maatregel in Leuven. Een gedetineerde die van de maatregel gebruik maakte, begon 's ochtends aan zijn verlof en miste daardoor zijn examen van de Examencommissie voor het behalen van zijn diploma secundair onderwijs in de namiddag. Dit nieuwe regime lijkt een ondoordachte maatregel, louter gericht op het bereiken van de belofte van minister Geens om de gedetineerdenpopulatie onder de 10 000 te krijgen, een belofte die hij maakte na de grote personeelsstakingen in Brussel en Wallonië vorig jaar. Deze maatregel valt bovendien moeilijk te rijmen met de visie van het Directoraat-Generaal Penitentiaire Inrichtingen op detentie. Waar zit de insteek om een gedetineerde optimaal te laten terugkeren in de maatschappij? Hoe staat de gedetineerde centraal in deze maatregel? Welk nut heeft de week binnen nog als ze toch week om week buiten mogen? De terugkeer in de maatschappij is voor gedetineerden sowieso een moeilijke stap waarop zij voldoende moeten voorbereid worden. Voor ons moet er daarom optimaal worden ingezet op het aanbieden van opleidingen en werkkansen voor (ex-)gedetineerden. Alleen in een innovatief en duurzaam leerklimaat krijgen zij kansen die hen succesvol voorbereiden op die terugkeer. Jammer genoeg bedreigt de nieuwe maatregel deze kansen. Er is daarom nood aan een beleid vanuit een langdurige visie, gericht op re-integratie, niet op het louter behalen van cijfers op korte termijn. Liesbeth De Donder is voorzitster van Klasbak (het Kenniscentrum Leren en Detentie), en als professor verbonden aan de VUB.