'Ik gebruik het openbaar vervoer. Ik let op mijn energiegebruik. Ik eet geen vlees.' Zo klinkt het gemiddelde antwoord wanneer in de media gepolst wordt naar de eigen inzet van een klimaatactivist. Onze vleesconsumptie minderen en veestapels afbouwen lijken wel cruciale componenten voor het oplossen van het klimaatprobleem. Het belangrijkste argument: de uitstoot van methaan, een sterk klimaatgas dat in het bijzonder door herkauwers wordt uitgescheiden.

Volgens de laatste gegevens van de Vlaamse Milieumaatschappij is de dierlijke productie in Vlaanderen verantwoordelijk voor 6 % van de totale uitstoot van klimaatgassen door de mens, zowat een vierde van de uitstoot toegewezen aan zowel transport, energieproductie als gebouwenverwarming.

We zullen ons geen weg eten uit het klimaatprobleem.

Toch horen we nog regelmatig dat op wereldniveau alle dieren samen meer uitstoten dan de hele transportsector. Zo werd het ons eind vorig jaar nog gedoceerd in het VRT-programma 'De Klas'. Dit vaak gebruikte citaat is te wijten aan een (ondertussen door de auteurs rechtgezette) fout in een rapport gepubliceerd door de Food and Agricultural Organisation (FAO) van de Verenigde Naties. De auteurs gaven toe dat de vergelijking geen steek houdt omdat de berekeningswijzen teveel verschillen en men veel meer factoren in rekening bracht voor de veeteelt dan voor de transportsector.

Er wordt ook zelden rekening gehouden met de alternatieve scenario's voor voedselproductie, die ook voor uitstoot zullen zorgen. Dit werd onderbouwd door een studie in het vakblad PNAS waarin een scenario werd berekend waarin de volledige veestapel in de Verenigde Staten zou verdwijnen. De totale voedselproductie zou stijgen (omschakeling van veeteelt naar plantaardige producties), de klimaatuitstoot van de landbouwsector zou dalen met 28%, maar de totale uitstoot van het land slechts met 2.6%. Een neveneffect is dat meer mensen mogelijk geconfronteerd worden met een tekort aan essentiële voedingsstoffen.

Sinds de jaren zestig is de consumptie van dierlijke proteïnen verdubbeld. De stijging is grotendeels toe te schrijven aan de gestegen consumptie van kippenvlees, vis en zuivel. De consumptie van runds- en schapenvlees in de Europese Unie vertoont al sinds de jaren negentig een dalende trend. Voedingswetenschappers spreken van een aanbevolen minimum eiwitinname van 0,8 gram per kilogram lichaamsgewicht of 60 gram per dag voor iemand van 75 kilogram met beperkte fysische activiteit. Actieve mensen, kinderen, zwangere vrouwen en vooral ouderlingen hebben hogere behoeften.

Er zijn weinig data beschikbaar over hoeveel we eigenlijk echt consumeren. In een volksbevraging naar het voedselconsumptiepatroon in 2014 hanteerde het Wetenschappelijke Instituut voor Volkgezondheid (WIV, nu Sciensano) een norm van 100 gram vlees, vis, eieren en vervangproducten per dag om in de lichaamsbehoeften te voorzien. Volgens de peiling consumeerde de bevolking gemiddeld 145 g per dag van deze producten. Maar gemiddelden zeggen niet alles, want 20% consumeerde minder dan de aanbevolen hoeveelheid en een hele groep andere mensen eet zo ongeveer de aanbevolen hoeveelheid. Gezondheids- en klimaatwinst kan dus allicht geboekt worden door bepaalde consumentengroepen aan te spreken, niet de gehele bevolking.

Het beperken van de klimaatimpact van vee is belangrijk, maar veel complexer dan het doorgaans wordt voorgesteld. Het grootste deel van door mensen aangestuurde methaanuitstoot komt overigens vrij tijdens de ontginning van fossiele brandstoffen zoals (schalie)gasontginning.

Iedereen is het er daarnaast ook over eens dat een circulaire economie noodzakelijk is voor het oplossen van het klimaatprobleem. In een volledig circulaire economie bestaat er geen afval, en kan elk restproduct opnieuw als grondstof gebruikt worden. Voor de bio-economie bestaat hier een uitvinding voor: de koe (of ander vee). Van oudsher is het houden van vee ontstaan omdat het voor de mens niet bruikbare grondstoffen kan omzetten naar hoogwaardige diensten (trektracht, opslag van voedingsstoffen in de winter) en producten (mest, eiwitten en micronutriënten). Belgisch veevoeder bestaat vandaag voor 50% uit bijproducten, afval- en reststromen uit de bio-economie en hier kan in de toekomst nog meer op ingezet worden.

Impactevaluaties in de veeteeltindustrie zijn wetenschappelijk nog in volle ontwikkeling. Nieuwe evaluatiemethoden zijn nodig en in ontwikkeling waar negatieve én positieve effecten op plattelandsontwikkeling, en -behoud, CO2-captatie door weidebeheer, waterhuishouding, landschapsbeheer en biodiversiteit mee in rekening gebracht worden.

Het beperken van de klimaatimpact van vee is belangrijk, maar veel complexer dan het doorgaans wordt voorgesteld.

Ook mogen we de bevolkingsgroei niet vergeten in deze discussie. Zolang we afstevenen op de voorziene wereldpopulatie van 10 miljard tegen 2050, zal de globale veestapel onvermijdelijk groeien. In België komen er elk jaar ongeveer 50.000 mensen bij. Ondanks deelsuccessen in bepaalde sectoren en regio's blijft vandaag de globale CO2-uitstoot steeds sneller toenemen. Moraalwetenschappers en ethici zoals Etienne Vermeersch en Robert Cliquet waarschuwen al decennia dat we, om de capaciteit van de aarde te respecteren, op termijn de wereldbevolking sterk moeten terugschroeven. Toch krijgt bevolkingsgroei nog onvoldoende aandacht in wetenschappelijke rapporten over klimaatverandering en in voorgestelde oplossingen. De toenemende wereldbevolking en de toenemende welvaart zorgen volgens mij onvermijdelijk voor een grotere klimaatimpact van de mens, ook wanneer we steeds zuiniger leren omgaan met onze beschikbare grondstoffen. Bevolkingsgroei is een zeer moeilijk thema, maar het is hoog tijd dat het meegenomen wordt in de discussies over ons klimaat.

Johannes Charlier is veterinair parasitoloog, epidemioloog en bestuurder van het studie- en adviesbureau Kreavet. Hij schreef deze bijdrage in eigen naam.