De recente discussie over een Europese treinkampioen stelde de vraag naar competitiviteit, concurrentie en de bescherming van het Europese sociaal model op scherp. Tijdens het grote VBO-verkiezingsdebat pleitte ik in navolging van onderneemster en N-VA-parlementslid Grete Remen voor 'gezond protectionisme'. Maar hoe moet dat dan, vroegen verschillende mensen me? Wel, simpel. Door de Chinese bedrijven aan dezelfde regels te onderwerpen als de Europese en door Europese bedrijven te beschermen tegen vijandige overnames van Chinese.

Want wat is nu de situatie? Chinese bedrijven kopen onze Europese bedrijven op met het geld dat ze verdienen aan de spullen die wij... goedkoop van hen kopen. Dat systeem heeft zijn limiet bereikt. Er zijn tal van redenen om een beter evenwicht te zoeken in onze handelsrelaties met China: cyberveiligheid, intellectuele eigendom, industrieel beleid en ja, ook klimaat.

We moeten stoppen met Europa uit te verkopen, en actiever onze bedrijven en ons handelsmodel beschermen.

De consensus groeit dat vliegen duurder moet worden en het spoor goedkoper om klimaatverandering tegen te gaan. Alleen al daarom is het terecht dat de Europese Commissie de fusie van Europese treinbouwers Alstom en Siemens tegenhield. Alstom en Siemens wilden één Europese treingigant maken om de concurrentie met de Chinezen aan te kunnen. Klinkt goed op het eerste gezicht, zo een Europese kampioen, maar in de praktijk zou dat voor de pendelaar alleen verlies hebben betekend.

Alstom en Siemens zouden het spoor in Europa immers duurder maken om goedkopere treinen aan de rest van de wereld te leveren. Dat ze hun hoge snelheidstrein- en spoorsignalisatie-divisies niet wilden afsplitsen, zegt genoeg: precies daar wilden ze meer winst maken. Want in Europa hebben ze nu al meer dan 90% marktaandeel en van de Chinezen is nog geen enkele trein gekocht.

Reizen met de trein moet goedkoper worden en niet duurder. Van de Europese consument en belastingbetaler onze kampioen maken, moet het enige doel zijn. Een Europees monopolie van treinbouwers is dan allesbehalve een goed idee. Concurrentie tussen kleinere, Europese bedrijven die elkaar vooruit stuwen en prijzen drukken, is dan gewoonweg beter. En als het enige argument daartegen is dat de bedrijven van buiten de EU vals spelen, dan moet je die valsspelers aanpakken.

En die kleinere Europese bedrijven beschermen tegen grote Chinese concurrenten, het kan wel degelijk. Chinese treinbouwers kunnen we dwingen het spel eerlijk te spelen, door te eisen dat Chinese staatsbedrijven aan dezelfde regels van staatssteun werken als onze bedrijven. Op dit moment is staatssteun enkel verboden voor Europese bedrijven omdat het de interne markt verstoort. Maar het is perfect mogelijk om die staatssteunregels ook toe te passen op bedrijven van buiten de Europese Unie, bijvoorbeeld wanneer Europese overheidsbedrijven bij de Chinezen orders plaatsen voor nieuwe treinstellen of nieuwe sporen.

Er is nog een tweede manier om onze Europese bedrijven te beschermen: met name door gewoon te verhinderen dat Chinese staatsbedrijven onze Europese technologie-bedrijven opkopen. De Duitse regering heeft getoond hoe dat moet. Ze nam al verschillende maatregelen om overnames tegen te houden in strategische sectoren zoals energie, telecommunicatie, voeding en transport. Waarom hanteren we die regels gewoon niet in de hele EU?

Slotsom: we moeten stoppen met Europa uit te verkopen. We moeten actiever onze bedrijven en ons handelsmodel beschermen. De Europese regels dwingen Europese bedrijven om te concurreren op kwaliteit, op innovatie, op vakmanschap. Met uiteindelijk maar één winnaar: de Europeaan zelf. Dat model mogen we niet laten verloren gaan door naïef de wereldkampioen vrijhandel te willen zijn. De sterkte van de Europese economie zijn de vele gespecialiseerde, innovatieve KMO's. We moeten die beschermen en niet nog eens extra onder druk zetten door in te zetten op Europese kampioenen die het leven voor iedereen in Europa duurder dreigen te maken.