We zijn erg geschokt door de artikels in Het Laatste Nieuws over wantoestanden in de kinderopvang. Hoe er best opgetreden wordt bij mistoestanden is een belangrijke vraag. Onderzoeken hoe het zo ver kan komen en hoe je dat vermijdt, is op langere termijn wellicht een nog belangrijkere vraag. Het omvangrijke MeMoQ onderzoek deed intensieve observaties bij 200 crèches en 200 onthaalouders. Uit dat onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de kinderopvang het goed doet. Het welbevinden van de kinderen is gemiddeld goed en de begeleiders bieden een emotioneel veilige omgeving en hebben een zorgzame houding naar de kinderen. Dat blijkt zowel bij gezinsopvang (onthaalouders) als bij groepsopvang (crèches) het geval te zijn. Er wordt dus goed voor de baby's en peuters in Vlaanderen gezorgd. De schrijnende toestanden die nu bovenkomen, zijn echt wel uitzonderingen. Maar elk geval is er één te veel. En we moeten voorkomen dat het zo ver komt.

We moeten de basisvoorwaarden voor kinderopvang vervullen om misbruiken te voorkomen.

Daarom zijn drie zaken van wezenlijk belang: selectie, opleiding en supervisie of coaching.

Kinderopvang is een erg complexe job. Het gaat al lang niet meer alleen over goede zorg, veiligheid en gezonde voeding. Het gaat ook over pedagogisch bezig zijn, taalontwikkeling en sociale vaardigheden op een leeftijd waarvan onderzoek toont dat die heel belangrijk is voor de verdere ontwikkeling. Daarom moeten we erover waken dat iedereen die professioneel kinderen opvangt, ook over de nodige competenties beschikt. En dat gebeurt gelukkig ook steeds meer. Op initiatief van Kind en Gezin, worden bijvoorbeeld procedures ontwikkeld om verworven competenties te erkennen, lacunes op te sporen en bijscholingen te voorzien om die lacunes te verhelpen. De druk van de wachtlijsten, onder meer door het dalende aantal onthaalouders, mag er nooit toe leiden dat we de lat lager leggen. Het is een probleem dat we in vele landen zien: er is nood aan bijkomende plaatsen en er is een tekort aan personeel. Bovendien slaagt men er niet in mannen warm te maken voor dit beroep. In een goed gedocumenteerde publicatie, waarschuwt de OESO ervoor om dit probleem niet aan te pakken door de lat te verlagen, want dat leidt enkel maar tot minder waardering voor het beroep en een neerwaartse spiraal. Enkel een opwaardering van het beroep, zowel wat de instap-eisen als de werkomstandigheden betreft kunnen die neerwaartse spiraal omkeren, zegt de OESO. Daar waar men hogere opleidingen vereist en promoot (zoals de Deens paedagog of the Franse éducateur jeune enfant) zijn er wachtlijsten om de opleidingen te mogen aanvatten. Op het vlak van de basisopleidingen hebben we in Vlaanderen nog een weg af te leggen: de bestaande bachelor opleidingen komen hier amper bij de kinderen terecht en er is bij de werkgevers heel wat ongenoegen over de uitstroom uit het zevende jaar kinderzorg.

Maar dat alleen volstaat niet. Het grootste risico op mistoestanden treedt op bij mensen die dit werk geïsoleerd doen, op zichzelf of in een kleine setting, waar minder sociale controle en steun van collega's is. Alleen voor acht kinderen of met twee voor 17 kinderen zorgen is bijna bovenmenselijk. Dan is het risico groter dat iemand door het lint gaat of dat er een normvervaging optreedt waarbij men het allemaal niet zo nauw neemt. Daarom zijn bijscholingen en ondersteuning noodzakelijk. Een uitgebreide studie van de effecten hiervan toont dat bijscholingen wel degelijk een impact hebben op de kwaliteit van de voorzieningen en zelf voor een deel het gebrek aan basisopleiding kunnen compenseren. Maar dan wel enkel als ze intensief zijn, langdurig en gecombineerd met coaching op de werkvloer. De meest efficiënte bijscholingen zijn die waarin de begeleiders zelf hun praktijk documenteren en met collega's onder professionele begeleiding hierover reflecteren. Onderzoek toont dat eenmalige vormingsinitatieven, zoals een pedagogische studiedag, wel kennis kunnen overbrengen (wat niet onbelangrijk is), maar weinig of niet tot gedragsverandering in de kinderopvang leiden, terwijl supervisie en coaching dat wel doen. Daarom is het bijzonder jammer dat er in Vlaanderen wel normen zijn voor hoe veel kinderen er per volwassene zijn (al zijn ze aan de hoge kant), maar geen normen over die omkadering en coaching. Nochtans is dat volgens Europa een belangrijk criterium om kwaliteit te waarborgen. Na een studie van de stand van de wetenschap en een bevraging van vele belanghebbende organisatie, kwam de Europese commissie met een kwaliteitskader en 21 indicatoren. Eén daarvan is dat nieuwe medewerkers een intensieve supervisie krijgen. Een ander eis dat ze regelmatig kindvrije uren hebben om zich bij te scholen, en om over hun werk te reflecteren.

De verschillende koepels van kinderopvang in Vlaanderen vervullen daarin vandaag al een belangrijke rol. Ook organisaties die begeleiding aanbieden, zoals Mentes, doen dat, met de steun van Kind en Gezin (Agentschap Opgroeien). Bovendien zijn er in Vlaanderen heel wat instrumenten ontwikkeld die ook in het buitenland hun weg kennen. Het expertisecentrum CEGO ontwikkelde instrumenten om het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen te monitoren en te verhogen, het centrum voor innovatie in de kinderopvang VBJK ontwikkelde het WANDA instrument om coaching op de werkvloer vorm te geven, een instrument dat intussen in vele talen is vertaald. We hebben zelfevaluatie-instrumenten om alle essentiële dimensies van de kwaliteit te monitoren: de MeMoQ zelfevaluatie instrumenten die bovendien een perfecte spiegel zijn van de instrumenten die Zorginspectie gebruikt, een toonvoorbeeld van performante en transparante monitoring, volgens de OESO. Vlaanderen is daarin duidelijk pionier. En we hebben bovendien een opleiding die mensen perfect voorbereidt om die supervisie en coaching vorm te geven: de bachelor pedagogie van het jonge kind. Wat ons ontbreekt is een duidelijk kader en de bijkomende middelen om van selectie, opleiding, bijscholing en coaching geen vrijblijvende keuze te maken, maar een engagement dat iedereen die kinderen opvang aangaat.

Gelukkig wordt bij uitbreidingen steeds meer voorrang gegeven aan voorzieningen op de beter gesubsidieerde trap 2A, waar minimale opleidingsvereisten zijn en doorgaans ook meer leidinggevende capaciteit aanwezig is (al is dat helaas niet altijd een vereiste, zoals we eerder schreven). De mistoestanden die nu terecht aangeklaagd worden, tonen dat het noodzakelijk is om toezicht uit te oefenen op de kwaliteit en om te handhaven waar het misgaat. Dat is zonder twijfel een taak van de overheid. Je kan dat nu eenmaal niet aan de ouders overlaten, want de essentie van kwaliteit speelt zich precies af terwijl zij niet aanwezig zijn. Onderzoek bij meer dan 2000 Vlaamse ouders toont trouwens dat oudertevredenheid geen indicator van kwaliteit is. Dat sluit uiteraard niet uit dat klachten altijd ernstig moeten genomen worden. Maar minstens even belangrijk is dat we samen zorgen dat de basisvoorwaarden vervuld zijn opdat dergelijke mistoestanden zo min mogelijk optreden. Het heeft weinig zin om meer in te zetten op handhaving, als we niet tegelijk inzetten op de basisvoorwaarden om kwaliteit te kunnen leveren. Anders blijft het dweilen terwijl de kraan blijft druppelen.

Professor Michel Vandenbroeck is hoofddocent Gezinspedagogiek aan de UGent.

We zijn erg geschokt door de artikels in Het Laatste Nieuws over wantoestanden in de kinderopvang. Hoe er best opgetreden wordt bij mistoestanden is een belangrijke vraag. Onderzoeken hoe het zo ver kan komen en hoe je dat vermijdt, is op langere termijn wellicht een nog belangrijkere vraag. Het omvangrijke MeMoQ onderzoek deed intensieve observaties bij 200 crèches en 200 onthaalouders. Uit dat onderzoek blijkt dat het overgrote deel van de kinderopvang het goed doet. Het welbevinden van de kinderen is gemiddeld goed en de begeleiders bieden een emotioneel veilige omgeving en hebben een zorgzame houding naar de kinderen. Dat blijkt zowel bij gezinsopvang (onthaalouders) als bij groepsopvang (crèches) het geval te zijn. Er wordt dus goed voor de baby's en peuters in Vlaanderen gezorgd. De schrijnende toestanden die nu bovenkomen, zijn echt wel uitzonderingen. Maar elk geval is er één te veel. En we moeten voorkomen dat het zo ver komt. Daarom zijn drie zaken van wezenlijk belang: selectie, opleiding en supervisie of coaching.Kinderopvang is een erg complexe job. Het gaat al lang niet meer alleen over goede zorg, veiligheid en gezonde voeding. Het gaat ook over pedagogisch bezig zijn, taalontwikkeling en sociale vaardigheden op een leeftijd waarvan onderzoek toont dat die heel belangrijk is voor de verdere ontwikkeling. Daarom moeten we erover waken dat iedereen die professioneel kinderen opvangt, ook over de nodige competenties beschikt. En dat gebeurt gelukkig ook steeds meer. Op initiatief van Kind en Gezin, worden bijvoorbeeld procedures ontwikkeld om verworven competenties te erkennen, lacunes op te sporen en bijscholingen te voorzien om die lacunes te verhelpen. De druk van de wachtlijsten, onder meer door het dalende aantal onthaalouders, mag er nooit toe leiden dat we de lat lager leggen. Het is een probleem dat we in vele landen zien: er is nood aan bijkomende plaatsen en er is een tekort aan personeel. Bovendien slaagt men er niet in mannen warm te maken voor dit beroep. In een goed gedocumenteerde publicatie, waarschuwt de OESO ervoor om dit probleem niet aan te pakken door de lat te verlagen, want dat leidt enkel maar tot minder waardering voor het beroep en een neerwaartse spiraal. Enkel een opwaardering van het beroep, zowel wat de instap-eisen als de werkomstandigheden betreft kunnen die neerwaartse spiraal omkeren, zegt de OESO. Daar waar men hogere opleidingen vereist en promoot (zoals de Deens paedagog of the Franse éducateur jeune enfant) zijn er wachtlijsten om de opleidingen te mogen aanvatten. Op het vlak van de basisopleidingen hebben we in Vlaanderen nog een weg af te leggen: de bestaande bachelor opleidingen komen hier amper bij de kinderen terecht en er is bij de werkgevers heel wat ongenoegen over de uitstroom uit het zevende jaar kinderzorg.Maar dat alleen volstaat niet. Het grootste risico op mistoestanden treedt op bij mensen die dit werk geïsoleerd doen, op zichzelf of in een kleine setting, waar minder sociale controle en steun van collega's is. Alleen voor acht kinderen of met twee voor 17 kinderen zorgen is bijna bovenmenselijk. Dan is het risico groter dat iemand door het lint gaat of dat er een normvervaging optreedt waarbij men het allemaal niet zo nauw neemt. Daarom zijn bijscholingen en ondersteuning noodzakelijk. Een uitgebreide studie van de effecten hiervan toont dat bijscholingen wel degelijk een impact hebben op de kwaliteit van de voorzieningen en zelf voor een deel het gebrek aan basisopleiding kunnen compenseren. Maar dan wel enkel als ze intensief zijn, langdurig en gecombineerd met coaching op de werkvloer. De meest efficiënte bijscholingen zijn die waarin de begeleiders zelf hun praktijk documenteren en met collega's onder professionele begeleiding hierover reflecteren. Onderzoek toont dat eenmalige vormingsinitatieven, zoals een pedagogische studiedag, wel kennis kunnen overbrengen (wat niet onbelangrijk is), maar weinig of niet tot gedragsverandering in de kinderopvang leiden, terwijl supervisie en coaching dat wel doen. Daarom is het bijzonder jammer dat er in Vlaanderen wel normen zijn voor hoe veel kinderen er per volwassene zijn (al zijn ze aan de hoge kant), maar geen normen over die omkadering en coaching. Nochtans is dat volgens Europa een belangrijk criterium om kwaliteit te waarborgen. Na een studie van de stand van de wetenschap en een bevraging van vele belanghebbende organisatie, kwam de Europese commissie met een kwaliteitskader en 21 indicatoren. Eén daarvan is dat nieuwe medewerkers een intensieve supervisie krijgen. Een ander eis dat ze regelmatig kindvrije uren hebben om zich bij te scholen, en om over hun werk te reflecteren.De verschillende koepels van kinderopvang in Vlaanderen vervullen daarin vandaag al een belangrijke rol. Ook organisaties die begeleiding aanbieden, zoals Mentes, doen dat, met de steun van Kind en Gezin (Agentschap Opgroeien). Bovendien zijn er in Vlaanderen heel wat instrumenten ontwikkeld die ook in het buitenland hun weg kennen. Het expertisecentrum CEGO ontwikkelde instrumenten om het welbevinden en de betrokkenheid van kinderen te monitoren en te verhogen, het centrum voor innovatie in de kinderopvang VBJK ontwikkelde het WANDA instrument om coaching op de werkvloer vorm te geven, een instrument dat intussen in vele talen is vertaald. We hebben zelfevaluatie-instrumenten om alle essentiële dimensies van de kwaliteit te monitoren: de MeMoQ zelfevaluatie instrumenten die bovendien een perfecte spiegel zijn van de instrumenten die Zorginspectie gebruikt, een toonvoorbeeld van performante en transparante monitoring, volgens de OESO. Vlaanderen is daarin duidelijk pionier. En we hebben bovendien een opleiding die mensen perfect voorbereidt om die supervisie en coaching vorm te geven: de bachelor pedagogie van het jonge kind. Wat ons ontbreekt is een duidelijk kader en de bijkomende middelen om van selectie, opleiding, bijscholing en coaching geen vrijblijvende keuze te maken, maar een engagement dat iedereen die kinderen opvang aangaat. Gelukkig wordt bij uitbreidingen steeds meer voorrang gegeven aan voorzieningen op de beter gesubsidieerde trap 2A, waar minimale opleidingsvereisten zijn en doorgaans ook meer leidinggevende capaciteit aanwezig is (al is dat helaas niet altijd een vereiste, zoals we eerder schreven). De mistoestanden die nu terecht aangeklaagd worden, tonen dat het noodzakelijk is om toezicht uit te oefenen op de kwaliteit en om te handhaven waar het misgaat. Dat is zonder twijfel een taak van de overheid. Je kan dat nu eenmaal niet aan de ouders overlaten, want de essentie van kwaliteit speelt zich precies af terwijl zij niet aanwezig zijn. Onderzoek bij meer dan 2000 Vlaamse ouders toont trouwens dat oudertevredenheid geen indicator van kwaliteit is. Dat sluit uiteraard niet uit dat klachten altijd ernstig moeten genomen worden. Maar minstens even belangrijk is dat we samen zorgen dat de basisvoorwaarden vervuld zijn opdat dergelijke mistoestanden zo min mogelijk optreden. Het heeft weinig zin om meer in te zetten op handhaving, als we niet tegelijk inzetten op de basisvoorwaarden om kwaliteit te kunnen leveren. Anders blijft het dweilen terwijl de kraan blijft druppelen. Professor Michel Vandenbroeck is hoofddocent Gezinspedagogiek aan de UGent.