In een opmerkelijk en goed onderbouwd stuk fileert Walter Pauli de historische opvattingen rond onze witte geschiedenis, met als actueel onderwerp de discussie in Amsterdam rond de categorie 'Gouden Eeuw'. Daarbij vroeg hij ook de zeer deskundige commentaren van mijn jonge collega Jan Dumolyn (middeleeuwse geschiedenis, UGent).

Dit onderwerp gaat me recht naar het hart, en iedereen die al eens iets las van mijn hand, weet dat dergelijke thema's en kritieken volgens mij van heel groot belang zijn. Samen met de genderdiscussies (aangezwengeld en vaak verhard sinds #metoo) houden die kritieken een spiegel voor.

Jan Dumolyn betoogt in zijn bijdrage tot het gesprek dat we moeten opletten dat de kritieken niet omslaan in een soort anti-discours, of zelfs in een nieuwe uitsluiting: wie vandaag wit is, en bovendien nog eens een man, wordt door deze eigenschappen alleen reeds als zinnige gesprekspartner 'verdacht' of zelfs 'te vermijden'.

Dat kan terecht als een nieuw, in dit geval 'omgekeerd' racisme bestempeld worden. Hoewel het onzin is om de verworpen categorisering op basis van ras, geslacht of afkomst in feite toch aan te houden wanneer de invullingen anders liggen dan in de visie van de vijand (een zwarte heeft per definitie meer gelijk dan een blanke, een vrouw in nature meer dan een man, enz.) is dat wel de weg die in een aantal discussies bewandeld wordt.

We moeten beseffen wat we aangericht hebben, en dat ook in de opleidingen vermelden.

De huidige neoliberale organisatie van wetenschapsbeoefening is daar eigenaardig genoeg niet vreemd aan: je moet scoren, opvallen, geciteerd worden, en dan wordt nuance al snel een hinderlijke positie. Dan krijg je tijdschriften, wetenschappelijke congressen en citeringsgroepen die opnieuw uitsluiten, maar ditmaal op basis van de tegengestelde invullingen: iemands stelling is aanvaardbaar wanneer ze vb. 'zwarte' waarden verdedigt of door een 'zwarte persoon' gebruikt worden, en het omgekeerde geldt voor 'witten'.

Of, enigszins afgezwakt in de tekst van Pauli: als 'witte man' wordt je studie van 'toevallig' witte geschiedenisgegevens bijna in principe moeilijk, want je behoort door je afkomst in dezelfde raciaal-gendercategorie als de tenoren (uit het verleden of heden) waarover je zal spreken.

Dat is onzinnig en bovendien inderdaad een nieuwe vorm van 'racisme' in de letterlijke zin: men gebruikt dan rasbehoren als grond om een argument al dan niet wetenschappelijk valabel te noemen. Dat is net hetzelfde als de foute handelwijze uit het verleden, maar de bordjes werden verhangen.

In mijn eigen werk probeer ik die eenvoudige tendens al lang kritisch te overwinnen. Het is fundamenteel belangrijk om te erkennen dat we vanuit de koloniale houding (en de bijhorende nog steeds geroemde 'superioriteit van onze waarden en normen') heel veel leed, vernedering en ook genocidaire gevolgen op het conto van 'onze' traditie hebben staan.

Dat erkennen, daarvoor beschaamd zijn en vervolgens trachten om dit in de toekomst niet meer te doen, is voor mij de enige mogelijke weg. Dus, ja, we moeten beseffen wat we aangericht hebben, en dat ook in de opleidingen vermelden. Maar, neen, een andere raciale of genderinvulling zal niet volstaan om geen nieuwe exclusie te genereren.

Daarom schrijf ik nadrukkelijk dat ook auteur Gloria Wekker (ze schreef in 2017 het ophefmakende boek Witte onschuld, nvdr.) niet volstaat met haar kritiek om dan verder te stellen: 'ik bied geen oplossing voor jullie (wit) probleem'.

Dan kies je kamp tegen anderen op gelijkaardige betwistbare gronden (gender, ras, klasse) en ga je dus niet voorbij de oude kwaal. Je verschuift de kwaal als het ware, maar remedieert ze niet.

Het is misdadig om vandaag koppig en blind door te gaan op de vroegere weg.

De enige weg die we kunnen volgen, is het respectvol en bescheiden zoeken naar diverse intuïties, blinde vlekken en perspectieven waardoor we steeds een gedeeltelijk en te eenzijdig beeld van de ander en daardoor van 'de mens' blijven voortbrengen. Enkel door zo te werken kunnen we die vernederende voorstelling van zaken overwinnen.

In een wereld die ook door de westerse manier van handelen nu als geheel dreigt te kapseizen (met de bekende mondiale uitdagingen van klimaat, grondstoffenuitputting, ongelijkheid, enz.) is bescheidenheid en wederzijds respect in de ontwikkeling van kennis over aarde en mens de enige redelijke weg.

Exclusieven, ook nieuwe, zijn geen remedie maar een voortzetting van de kwaal. Maar tegelijk, en daar roep ik op om toch niet het hoofd af te wenden, is het dringend en noodzakelijk om de fouten uit de vroegere beeldvorming en zogenaamde wetenschappelijke studies heel expliciet aan te duiden. Het is misdadig om vandaag koppig en blind door te gaan op de vroegere weg, zoals de invloedrijke lobbies (en hun arm in de cenakels die wetenschappelijk onderzoek subsidiëren) dat maar al te graag doen.

Dat laatste sluit naadloos aan bij de opmerkelijke kritische brief van journalist en bioloog Dirk Draulans op knack.be aan journalist Joël De Ceulaer en filosoof Maarten Boudry: wie de kritische inbreng afweert en -vaak door onkunde, zoals Draulans bij deze auteurs suggereert- de machten van vandaag verder laat regeren, steunt manifest de rechtse, neoliberale trend en misbruikt daarvoor een bizar opgevatte vorm van 'wetenschap' ten nadele van elke verlossende kritische wending.

Dit is politiek en moreel bijzonder dubieus, en samen met een inkapselende 'nieuwe exclusie op basis van ras' kan dat enkel de kortetermijnbelangen van bepaalde multinationals dienen en de ontvoogdende en open kennisvergaring van zelfkritische wetenschap ondermijnen.