Vanuit zijn atelier kijkt Jozef Wouters (33) uit over de binnenplaats van de voormalige suikerraffinaderij Cassonade in Molenbeek. 'Je voelt dat daar,' en hij wijst naar die binnenkoer, 'iets zal ontstaan.' Nu liggen er pallets gestapeld en staan er auto's kriskras door elkaar. 'Voorlopig denk ik aan een vulkaan, maar die gaan we nooit bouwen. De vulkaan is een metafoor voor het werk dat nog moet komen. Het zal dus iets donkers worden dat licht geeft; iets dat 's nachts tot leven moet komen. Ik zie het als energie die zich nog moet materialiseren. Achteraf zullen Menno en ik tegen elkaar zeggen: met die vulkaan zaten we er niet ver naast.'
...

Vanuit zijn atelier kijkt Jozef Wouters (33) uit over de binnenplaats van de voormalige suikerraffinaderij Cassonade in Molenbeek. 'Je voelt dat daar,' en hij wijst naar die binnenkoer, 'iets zal ontstaan.' Nu liggen er pallets gestapeld en staan er auto's kriskras door elkaar. 'Voorlopig denk ik aan een vulkaan, maar die gaan we nooit bouwen. De vulkaan is een metafoor voor het werk dat nog moet komen. Het zal dus iets donkers worden dat licht geeft; iets dat 's nachts tot leven moet komen. Ik zie het als energie die zich nog moet materialiseren. Achteraf zullen Menno en ik tegen elkaar zeggen: met die vulkaan zaten we er niet ver naast.' Menno is Menno Vandevelde, (31) zijn compagnon bij Decoratelier die tegenover hem zit. Al bijna twintig jaar werken ze samen, nadat ze als buurjongens opgroeiden. Deze plek is de zoveelste in een lange reeks van gebouwen waarin ze sindsdien bouwen. Het beginpunt van hun samenwerking ligt in de tuin achter het ouderlijk huis van Vandevelde. Daar leerde Menno Jozef met zijn handen werken. 'Ik was obsessief op zoek naar een autonome ruimte', zegt Wouters. 'Ik ging naar parken en feesten en voelde me aangetrokken tot alles wat clandestien was, maar pas in de tuin van Menno vond ik het. Daar lag de échte vrijheid.' Die zoektocht naar autonomie leidde hen ook in de jaren erna. 'Binnen grote instituten zoals de KVS, de Singel, NtGent en Kaaitheater lukte dat soms, maar meestal niet. Het is geen toeval dat de plekken die ons het meest hebben geholpen kleine werkplaatsen zijn. Als jonge kunstenaar verlies je veel energie in een groot instituut.' Drie jaar geleden werden ze uitgenodigd om in residentie te gaan bij Damaged Goods, het Brusselse gezelschap van de Amerikaanse choreografe en danseres Meg Stuart. Daarmee kregen de twee de kans om structureel aan hun traject te bouwen. 'Traditioneel is scenografie decors maken voor theater en dans, maar Meg geeft ons nu de kans om onze visie op lange termijn uit te werken', aldus Wouters. 'De plek waar we werken is altijd het vertrekpunt. Er is al zóveel aanwezig voor je begint. Het is een constant verlangen om open te staan voor alle input die een gebouw geeft.' Elke plek heeft zijn eigen verhaal; telkens dient die een ander doel. Om dat te illustreren haalt Wouters een citaat aan van architect en kunstenaar René Heyvaert. 'Op een dag kijkt die uit over zijn tuin en schrijft: 'Die wilgentakken. Wat hebben die met mij te maken?' Die laatste zin vind ik zo schoon. Niets natuurlijk; die liggen daar gewoon. Maar vanaf het ogenblik dat je je die vraag stelt, ga je een engagement aan met die wilgentakken en ben je bereid een antwoord te vinden.' Hij trekt dat door naar hun huidige locatie. 'Deze buurt met haar diversiteit aan bewoners, wat heeft die met mij te maken? Het engagement dat in die vraag besloten ligt: daar begint het werk. Soms is het antwoord: "Niets. Je moet daarvan wegblijven."' Enige nederigheid is dan ook op zijn plaats, zegt Wouters. 'Het gaat niet over ons. Het gaat over de ruimte en wat die vertelt en vraagt. Deze plek, dit atelier, dit project en de financiële steun zijn niet van ons. Het is belangrijk te onthouden dat je je eigen instituut niet bent. Dit geld is van de gemeenschap en op een bepaald moment zullen we deze plek overdragen aan iemand anders.'