Er was weinig dat erop wees dat de jonge Johannes - 'Joop' - Marten den Uyl voorbestemd was om een idealistisch en bevlogen sociaaldemocraat te worden. Hij groeide op in een streng gereformeerd gezin in Hilversum, als zoon van een mandenmaker. In het vooroorlogse Nederland stonden de zuilen nog stevig overeind: tussen de goddeloze socialisten en de diverse christelijke gemeenschappen gaapte een kloof die, in het geval van Den Uyl, pas tijdens de Tweede Wereldoorlog zou worden overbrugd. Zijn biografe Anet Bleich achterhaalde dat hij in zijn jeugd een tijdlang heeft geflirt met antidemocratische denkbeelden. Als adolescent voelde hij zich aangetrokken door een 'christelijk nationalisme'. In 1939 studeerde hij zelfs nog enkele maanden in Duitsland, maar de schok van de oorlog, de bezetting en zeker de deportatie van een Joodse vriendin zouden hem definitief van iedere sympathie voor nazi-Duitsland genezen. Hij viel toen ook van zijn geloof. Maar hoezeer hij zich ook afzette tegen het steile calvinisme van zijn voorvaderen, hij bleef er wel van doordrongen. Politiek zou voor hem nooit een vak zijn, maar een roeping. Zoals hij later zelf zou vertellen: 'Als ik praat, hoor je altijd nog de kerkklokken op de achtergrond.'
...