Walter Swennen (74) speelt met verf en taal, zet de toeschouwer op het verkeerde been en staat - figuurlijk - om de hoek te grijnslachen. Naar goede gewoonte lijkt zijn solotentoonstelling met de ironische titel Parti pour chercher du white spirit in de Brusselse galerie Xavier Hufkens eerder een tentoonstelling van een handvol schilders, zo uiteenlopend zijn de stijlen. Tegelijk is Swennen herkenbaar aan zijn mengeling van anarchie, humor, schijnbare licht- en speelsheid, weerbarstigheid en bittere ernst.
...

Walter Swennen (74) speelt met verf en taal, zet de toeschouwer op het verkeerde been en staat - figuurlijk - om de hoek te grijnslachen. Naar goede gewoonte lijkt zijn solotentoonstelling met de ironische titel Parti pour chercher du white spirit in de Brusselse galerie Xavier Hufkens eerder een tentoonstelling van een handvol schilders, zo uiteenlopend zijn de stijlen. Tegelijk is Swennen herkenbaar aan zijn mengeling van anarchie, humor, schijnbare licht- en speelsheid, weerbarstigheid en bittere ernst. 'Stijl interesseert me niet', zei hij in 2019, bij de opening van zijn vorige tentoonstelling, Un Coeur Pur, bij Hufkens. 'Het is pretentieus om een stijl te hebben. Je moet zoeken.' Hij balanceert dan ook graag op het slappe koord tussen virtuoos schilderen en opzettelijke 'bad painting'. In zijn jongste schilderijen zitten er knipogen naar Picasso, Shakespeare, Kierkegaard en jazzmuzikanten als Lennie Tristano, maar evengoed naar stripfiguren en speelkaarten. Zo schildert Walter Swennen zichzelf als 'bad guy' Avil Blue uit de Amerikaanse stripreeks Brick Bradford uit de jaren 1930 en confronteert hij ons tegelijk met een werk waarin hij de geometrische abstractie van Piet Mondriaan naar zijn hand zet. 'High culture' en 'low culture' naast en door elkaar. Alle schilderijen dateren van 2020, wat de vraag doet rijzen: heeft corona een invloed gehad? Zelf zegt Swennen daarover dat de aangename stilte die normaal in zijn atelier heerst, nu overal hangt. Misschien is het kleine schilderijtje The Dark House wel een verwijzing naar de lockdown: een zwarte bungalow met een tv-antenne op het dak en een knusse oranje gloed binnenin. Maar Swennen ontkracht dat idyllische tafereel meteen: hij heeft het beeld hier en daar fors overschilderd met dikke, witte verf. Toch zijn er ook schilderijen met opvallend veel rode hartjes. Vier speelkaarten van hartenaas legt de schilder als een puzzel samen en hij tekent er met enkele lijnen een vrouwengezicht op. Liefde in tijden van corona? Met dergelijke interpretaties moeten we evenwel opletten. Walter Swennen houdt niet van boodschappen: 'Ik heb persoonlijk een hekel aan alles wat met symboliek te maken heeft, ik haat ook psychologie. Voor mij is een schilderij een object, een ding.' Met die opvatting confronteert hij de toeschouwer in het schilderij Liar. Swennen heeft de letters LIAR in forse kapitalen op het doek geborsteld, met bovenaan rechts het sjabloon van een hartje. Maar vergeet de liefde, dit werk gaat over de status van het beeld: elk schilderij is een leugen(aar). In dat opzicht is ook een ander woordschilderij, Macbeth, belangrijk. In een trompe l'oeil-lijst staan de woorden 'Fair is foul', een citaat uit Shakespeares toneelstuk Macbeth. Het betekent dat je niet mag afgaan op uiterlijkheden: niets is wat het lijkt. Swennen vraagt aan de toeschouwer om zijn werken niet zozeer als 'beelden' te zien maar als werelden van verf. Zijn schilderijen zijn een strijdtoneel: onder de oppervlakte - het uiteindelijke resultaat - woelt en krioelt het van de emoties en gedachten. Voor Swennen is het proces van het schilderen essentieel. Hij wist de sporen van dat proces niet of nauwelijks uit en laat in de vele lagen van het schilderij de weg doorschemeren die hij afgelegd heeft: het aarzelen, stoppen, opnieuw beginnen, overschilderen, mislukken, afschrapen, wegpoetsen. Gebruikt Swennen white spirit om verf te verwijderen? De vraag welt spontaan op bij het zien van de titel van zijn huidige tentoonstelling. Tegen criticus Hans Theys zei Walter Swennen dat hij nooit white spirit gebruikt. Maar toen Theys bij een volgende gelegenheid aanbelde bij de schilder, stak er een briefje tussen de deurbel: 'Terug binnen tien minuten. Ben even white spirit gaan kopen.' Ook in het dagelijkse leven is Swennen dus een heerlijke, ongrijpbare dwarsligger. Toen hij vorig jaar de Ultima kreeg, de onderscheiding voor beeldende kunst van de Vlaamse Gemeenschap, stuurde hij zijn kat en liet de boodschap voorlezen dat hij het prijzengeld - 'tienduizend knotsen' in zijn woorden - schonk aan de uiterst linkse PVDA/PTB 'omdat het de enige politieke partij is die zich structureel niet heeft aangepast aan de opdeling van België in gemeenschappen'. Taal is een kernbegrip in het oeuvre van Swennen. Toen hij vijf was, schakelde het Nederlandstalige gezin Swennen plots over op het Frans. 'Van de ene dag op de andere begreep ik niemand meer', aldus Swennen. 'Dankzij die wissel van moedertaal heb ik begrepen dat de wereld geen zin of betekenis heeft en dat ik mij daar niet moet om bekommeren.' Daaruit is ongetwijfeld zijn argwaan en wantrouwen voortgekomen en zijn ironische omgang met taal en beeld. Swennen improviseert ook graag: schilderen is voor hem niet het uitbeelden van een vooraf vastgelegd beeld of idee in verf. Hij laat integendeel ruimte voor het ongecontroleerde en het toeval. De improvisatie heeft Swennen gemeen met de jazz. Enkele titels van schilderijen verwijzen er expliciet naar: zo is Turkish Mambo een compositie van zijn geliefde jazzpianist Lennie Tristano terwijl Pork Pie Hat (niet tentoongesteld, wel in het nieuwe boek Too Many Words) refereert aan Lester Young en Charles Mingus. In Parti checher du white spirit beweegt Swennen zich tussen uitersten. Die worden het best geïllustreerd door de schilderijen Jan en Last Trip. Jan is een minimalistisch portret van kunstenaar Jan Vercruysse, die in 2018 overleed. Met enkele eenvoudige lijnen schetst Swennen een primitief, kubistisch portret, een knipoog naar Picasso. Op de plaats van de mond zit een strook kobaltblauw, de enige kleur die Jan Vercruysse ooit gebruikte. Vercruysse sprak zelden over zijn werk: zijn geschilderde mond is open en gesloten tegelijk. Last Trip is dan weer grappig én onheilspellend. De silhouetten van daken lijken zo uit een Disney-tekenfilm te komen, vooraan schildert Swennen op bijna naïeve wijze een bus die door de nachtelijke stad rijdt. Maakt zij haar Last Trip? Is het schilderij een affiche voor een griezelfilm? Swennen heeft vervolgens een kwak helderblauwe verf op het doek gesmeten, als een aanslag. ' Ceci est une peinture' lijkt hij ermee te willen zeggen. Het is allemaal verf. Niet meer maar ook niet minder.